Intermezzo in Lukovica

Als we de parkeerplaats oprijden van ons verblijf niet ver van Ljubljana, komt de verhuurder ons tegemoet. Lange, forse man, korte broek, T-shirt om stevige schouders, robuuste kop. Hij laat ons binnen in het begane grond appartement. Ruim opgezet en spaarzaam ingericht. ‘Alles IKEA’ roept de man. ‘Vroeger moesten we naar Graz of Zagreb, maar sinds kort hebben we een eigen IKEA.’ Hij wijst op de tweepits kookplaat: inductie! En alle pannen kunnen erop. Hij heeft de kookplaat en de oven zelf gemonteerd.
‘Uit de IKEA, want alles wat van IKEA komt is voor iedereen makkelijk te bedienen,’ zegt hij.
In een overdaad aan over het aanrecht hangende keukenkastjes, borden, kopjes en glazen. Van alles vier stuks. Op het aanrecht de niet meer weg te denken magnetron en waterkoker. Dubbele gootsteen. Een reuzenkoelkast. Witte vitrage met gouden zoom en dunne overgordijnen met en onduidelijk motief in roze en oranje voor het raam in de woonkamer/keuken. Voor de rest van de ramen luxaflex. Twee oranje stoelen, en twee gele met daarop roze kussentjes rond een tafel. Uitschuifbaar, die tafel. Allemaal IKEA.

Voor de glazen pui een overdekt terras met een tuintafel en vier stoelen op een vloer van rubberplaveisel. Ernaast, gescheiden van ‘ons’ terras door een struik rozemarijn, lavendel en een muurtje met vetplanten: een zwembad. Twee bij drie meter, de trots van het appartementencomplexje. Met haar hoofd in het enige stukje schaduw voor de ronde ton die als sauna dient ligt een jonge vrouw in bikini op een veldbed in de nog steeds brandende zon.

De man houdt tijdens de rondleiding een heel verhaal, dat hij morgen wel gordijnen wil ophangen in de slaapkamer, want gasten hebben erover gezeurd dat de slaapkamer in de vroege ochtend al baadt in het licht. ‘Nee, nee,’ zeggen we haastig, ‘niet nodig hoor.’
‘En ik zegt het nu maar vast,’ zegt hij, ‘kunnen jullie een positieve recensie achterlaten, want dat is heel belangrijk voor mij. Sommige gasten zijn gewoon pietluttig, zoals over gordijnen in de slaapkamer en dat is niet goed voor mijn klandizie.
Ja, ja, knikken wij, empathie veinzend.
De man vraagt dan of we het binnen niet vies willen maken, want hij is een one man band, en maakt zelf schoon. En nee, dan doet hij niet met een doekje ook de bovenkant van de keukenkastjes, dat doe je thuis toch ook niet elke keer? Hij haalt een wijsvinger over de ijskast en zegt: ‘stof.’ Hij trekt zijn neus op: ‘Ja, sommige gasten zijn zo …’
‘En,’ zegt hij met een nog viezer gezicht: ‘sommige oudere stellen klagen over overlast van spelende kinderen in het zwembad. Daar moet ik niks van hebben. Ik houd van kinderen. Ik heb er zelf zes. Nu het huis uit, maar ik ben blij als er kinderen bij mij logeren.’
Wij mompelen iets als dat we heel rustig zijn hoor, geen zeurpieten en dat we heus wel van kinderen houden.
Zodra hij weg is checken we of de glazen pui voldoende isolatie biedt tegen geluid, van ‘spelende’ kinderen bijvoorbeeld. Wat een ontiegelijke ouwehoer is dat, zegt S., en zet alle luxaflex op ondoorzichtig.

Als ik ‘s avonds sta te koken, houdt de kookplaat er na een minuut of tien mee op. Uien net gefruit, spinazie al half geslonken, zalm uit de verpakking …
Ik haal de man erbij, die héél vaak zegt dat het nog nooit eerder gebeurd is, echt nooit, dat hij er niks van begrijpt. Hij doet van alles, maakt de plaat schoon – die natuurlijk helemaal niet vies is – zet het ding aan en uit en aan en uit, wat niet helpt. Ondertussen blijft hij in een zenuwachtig makend tempo praten. Ten einde raad zeg ik: ‘Ach, het is oké. Het komt wel goed. Ik kom er wel uit,’ want ik heb ondertussen in de gaten waar het aan zal liggen: die tweepits IKEA kookplaat is te klein om zowel een pan voor pastawater én een normale koekenpan tegelijk te verwarmen. Zodra ik hem de deur uit heb gewerkt blijkt mijn idee te kloppen. (Voor het perspectief: het keukenblok telt veertien (14!) kastjes en vier laden)
Ik gooi de inhoud van de koekenpan in een kookpannetje, maak het gerecht af, hussel de sla door elkaar, en weldra zitten we aan de maaltijd, op de gele stoeltjes met de roze kussentjes, aan de uitgeschoven tafel. Buiten op het terras is het te heet om te zitten.

De volgende dag spreekt Man me aan, zijn kleine zwembroek nog druipend van het zwembadwater: ‘Moet ik een nieuwe koekenpan kopen? Zo gek! Deze is van IKEA en zou het gewoon moeten doen…’
‘Nee hoor, niet nodig, ik red me wel,’ zeg ik.
‘Is het avondeten nog gelukt gisteren?
’Ja! Prima.’
‘God zij dank,’ zegt Man met pathos, en werpt zijn armen in de lucht.
Ik haast me naar binnen. Ik leg Man niet uit wat het euvel was, vertel niet dat die koekenpan gewoon werkt als er maar geen andere pannen op zijn miniatuur IKEA kookplaat staan. Ik trek me schielijk terug, achter de gesloten luxaflex …

Brief uit Zagreb

Half Zagreb staat in de steigers. De twee torens van de kathedraal zijn ingepakt in een vlechtwerk van ijzer. Binnen is ongeveer alles wat er te zien is ombouwd met spaanplaat. De Sint Markus kerk, met op het dak de twee wapens van stad en land in kleurig mozaïek, krijgt een fikse opknapbeurt, en is daarom niet toegankelijk. We verkennen het centrum van de stad in slow motion vanwege de hitte. We bezoeken een museum waar we door de geschiedenis van Zagreb geloodst worden.
In de elfde eeuw sticht een bisschop het bisdom Kaptol, op een heuvel aan de rivier de Sana, met de kathedraal als middelpunt. Op een tweede heuvel, voor het werkvolk en de gilden, wordt een wereldlijke tegenhanger gesticht: Gradec, dat in 1242 een fiefdom wordt van koning Bela de Vierde, getuige de zogenaamde Golden Bull, het document dat deze overeenkomst vastlegt. De inwoners van het feodale leengoed mogen wel hun eigen ‘overheid’ kiezen. Gradic wordt ommuurd. De Stone gate, in het centrum van de oude stad, is de poort die van die ommuring is overgebleven, is nu het spirituele centrum van de stad. Het verhaal gaat dat er in de zeventiende eeuw een grote brand is geweest die de poortgebouwen verwoestte, behalve een icoon met een afbeelding van de Madonna met kind. Het wonder wordt herdacht in de Stenen Poort, met een kapel met de icoon achter een smeedijzeren hek, en houten banken waarop de gelovigen kunnen bidden. Enkele nonnen zorgen voor het heiligdom. De muren van het poortgebouw zijn bekleed met votifplaatjes. Op een ervan staat in blokletters Maria hat geholfen. Op veel andere plaatjes staat Hvala (dank je). Lokale mensen die langslopen slaan een kruis bij het kapelletje. Er zitten op de banken mensen te bidden en er worden kaarsjes aangestoken. De gewelven van de poort boven de kaarsenstandaard zijn zwartgeblakerd.
Het bisdom en Gradic versmelten tot het huidige Zagreb en deel gaan uitmaken van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Novi Zagreb, de nieuwe stad, wordt erbij gebouwd. Er wonen nu een kleine miljoen mensen in het gebied, waaronder veel boeren die van het platteland naar de stad getrokken zijn, op zoek naar een beter leven.

De nieuwe stad is groots opgezet, brede straten, veel parken, grote gebouwen, zoals het nationaal theater, een parel van Habsburgse neobouwkunst in licht oker. Het oude centrum is prettig klein met gezellige straatjes en zoveel terrasjes als ik nog nooit bij elkaar gezien heb. Wij hebben inmiddels een favoriet: onder bomen, bij een klein speeltuintje en tegenover een miniparkje. Daar is het onder de parasols net uit te houden, want ook in Kroatië is het warm en tikt het kwik de 40 graden bijna aan.

Het stikt in de stad van de musea. Er is een stropdasmuseum, want we danken ‘de belangrijkste modeaccessoire voor mannen’ aan Kroatische soldaten uit de zestiende eeuw. De eenvoudige voetsoldaat droeg toen een linnen lap om zijn nek, de hogeren in rang sierden zich met bontere halsdoeken, soms versierd met kant. Daar is de cravatte uit ontstaan, de das ‘op de wijze van de Kroaten’.
Er is een chocolade museum, waar je bij de aanschaf van een toegangsticket een verwenpakket chocolade krijgt en tijdens je bezoek mag snoepen aan chocoladefonteinen. Een martelinstrumenten museum waar ik verder geen woorden aan vuil maak. Er is het gehypete museum van verbroken relaties, waar je een verzameling objecten kunt zien en de bijbehorende verhalen kunt lezen van gewone mensen van over de hele wereld en hun stukgelopen relaties. Je mag er zelf een object doneren en je verhaal achterlaten. Ik kom in de verleiding om het relaas van hoe we aan onze Muis, de auto waarmee we reizen, gekomen zijn te doneren aan het museum: een autosleutel als object en een verhaal over een dertig jaar oude vriendschap die om een misverstand over een al dan niet afgevulde benzinetank werd verbroken. Ik weersta de aandrang zonder veel moeite. Er is een selfie museum, ik neem aan dat je daar jezelf kunt tentoonstellen. Er is een museum voor vergeten verhalen, eentje voor katers – niet de katten, maar wat je hebt als je teveel gedronken hebt. Er is een museum waar je je kunt verplaatsen in de wereld van de visueel gehandicapten, een new wave museum, een treintjes museum, een cannabis museum en een jaren tachtig museum.
Die bezoeken we allemaal niet.

We willen naar het kunstnijverheidsmuseum. Dat is dicht vanwege herschikking van de objecten. Dan maar het etnografisch museum. Daar is de vaste collectie niet toegankelijk, er is alleen een tentoonstelling te zien over de relatie van de mens met de grond waarop hij leeft. De derde optie, het kunstpaviljoen, is zonder opgaaf van reden gesloten tot nader order. Het museum voor moderne kunst? Dicht vanwege renovatie.
Na deze treurige tocht in de verzengende hitte belanden we in het museum voor naïeve kunst. Daar leven we op bij een fijne verzameling kunst gemaakt door mensen die geen kunstopleiding hebben gevolgd, de peasant painters, uit de Hlebine School. De Kroatische schilder Krsto Hegedusic, oprichter van het Zemlja collectief van kunstenaar die op zoek waren naar een eigen Kroatische uitdrukkingsvorm, woonde in Parijs, maar bracht zijn zomervakanties door in Hlebine, het geboortedorp van zijn vader. Daar ontmoette hij in 1930 twee boerenjongens, Ivan Generalic en Franjo Mraz, die religieuze plaatjes en ansichten naschilderden met uitzonderlijk talent. Hij moedigde ze aan om vrij te schilderen, wat ze zagen, wat ze meemaakten, wat ze voelden. De dieren, het dorp, het boerenleven, het onrecht, want Hegedusic was zich bewust van de sociale achterstelling en armoede op het Kroatische platteland. Hij trainde de twee jonge mannen in techniek en thematiek, zonder ze te knevelen in het keurslijf van een formele opleiding. De twee kregen navolging van anderen. Een tweede generatie groeide op onder mentorschap van Generalic. Het werd een stroming. Het levert geweldige schilderijen op.

Novi Zagreb is een stad gemaakt om te flaneren, met veel parken, brede lanen met groene middenstroken, een botanische tuin en, volgens een reisblog, een van de mooiste begraafplaatsen van Europa. Maar bij deze hitte is de lol er snel af, van flaneren: binnen de kortste keren druip je van het zweet, je wangen zien eruit als twee overrijpe tomaten, je enkels zwellen alsof je elefantiasis hebt en je haar kleeft op je hoofd als nat spinrag.
Dus pakken we de tram naar het museum voor contemporaine kunst, dat wonder boven wonder wel open is. Een kunstpaleis met airconditioning waar wij de enige bezoekers zijn. We kunnen dus ongehinderd praten, becommentariëren, nog eens teruglopen, eindeloos plaatjes schieten, beetje voor ons uit murmelen of zacht zingen zonder anderen te hinderen. Beter wordt het niet. Na de eerste drie verdiepingen drinken we een Americano, een met heet water aangelengde espresso, in het naastgelegen restaurant, waarna we de resterende twee verdiepingen bezichtigen. Zoals in elk museum voor kunst van nu hangt er een bonte verzameling werk, soms aandoenlijk (werk van een Finse die op foto’s tandenborstels, barbiepopjurkjes en haarspeldjes met klodders lijm vastplakt en over achterkanten van lijstjes kapotte netkousen en dito hemdjes trekt); soms would be (een in glimmend zwart uitgevoerde nar met een opgezet vogeltje op zijn puntige schoen); soms gewoon goed (linosnedes van gestileerde soldaten); soms gewoon lelijk (een soort aan de muur opgehangen scrotums in wit plastic met rode druppels eraan); soms leuk en herkenbaar (bladeren uit een herbarium). We zijn er uren zoet.

Terug rijdt de tram ons in een keer naar vlak bij de Sparsuper en het huis waar we verblijven. Op de heenweg was er halverwege een stroomstoring en stonden we onder een fly-over te bedenken wat we zouden gaan doen: een klein halfuurtje lopen in de zon of wachten op een terugkeer van de stroom, toen er aan de overkant van de weg een bus verscheen die ons tot vlak bij het museum bracht.

Gisteren was er opnieuw een stroomstoring. We liepen het kwartier naar het archeologisch museum hoppend van schaduwzijde naar schaduwzijde. In het museum voerde een ouderwetse kooilift, de kooi versierd met paardmotieven en krullen ons naar de derde verdieping. Via neolithische vondsten, Egyptische mummies, Griekse vazen, Romeins glaswerk, middeleeuws aardewerk en krijgstenues kwamen we terug op de begane grond. (De tweede verdieping, die van de Etrusken, was dicht vanwege herinrichting.) In de jaren tachtig heeft de aarde hier gebeefd. Het archeologisch museum is daarbij zwaar getroffen. Ik zag foto’s van vitrines vol Griekse vazen aan gruzelementen. Ze hebben het fraai gerestaureerd.
We drinken meer Americano’s. Je krijgt er een glas koud water bij, met ijsklontjes erin. Dat water drinken we op, en gieten er de koffie uit het kopje in om het nog meer te kunnen aanlengen met heet water uit de meegesleepte thermosfles. Die warme slappe bak werkt dorstlessend en koelt ook af – je gaat er extra van zweten, en door het windje onder de bomen op ons favoriete terras verdampt dat zweet, wat warmte aan je lichaam onttrekt. Het schijnt dat het beter werkt als je erin gelooft.
De burgemeester van Zagreb heeft verordonneerd dat alle stadsmusea dit weekend gratis toegankelijk zijn voor iedereen, vanwege de hitte. De tram rijdt weer niet, en we komen oververhit aan bij het museum voor natuurlijke historie. De koffiebar is dicht, maar de toegangsdeur niet. Wij trekken twee stoelen aan een tafel en drinken ons meegebrachte koude water om af te koelen. Daarna beleven we een uur of wat plezier aan de tentoongestelde mineralen, stenen en fossielen. Er zijn met spelden opgeprikte insecten; slangen, wormen en kikkers op sterk water en grotere opgezette dieren. Van dat laatste houd ik niet zo, maar die dieren op sterk water zijn mijn guilty pleasure. Geen idee waarom, maar het fascineert me. Net als fossielen van vissen en bladeren. Daar kan ik geen genoeg van krijgen.
De pronkstukken van de verzameling zijn Neanderthaler resten. Niet ver van hier zijn in een grot een grote hoeveelheid overblijfselen van onze verre voorouders gevonden, met vuistbijlen en andere gebruiksvoorwerpen. De beenderen en resten van schedels zijn geassembleerd tot complete skeletten met behulp van rood koperdraad en klei. Er staat een nagemaakte Neanderthalervrouw met een dierenvel om in een vitrine, met klein meisje en een kind dat op de grond zit als een dier. Het geheel wordt omlijst met filmpjes en animaties.
Via een Turkse koffie voor het lekker op een terras met een grote ventilator, en later een Americano tegen de dorst bij een alleraardigst meisje bij een cafeetje onder een boom – zij bracht ons de koffie direct in een groot glas, met een extra groot glas water erbij – lopen we langzaam terug naar huis, zoveel mogelijk aan de schaduwkant van de straat.

Afbeelding: Gypsy and Gypsy woman, geschilderd door Martin Mehkek, olie op glas, 1967, Museum voor Naïeve Kunst, Zagreb, Kroatie, 2026

Brief uit Kozice

De tocht naar Kozice was avontuurlijk. Zeker twee uur reden we van het kastje naar de muur over onverharde wegen door een uitgestrekt niemandsland, waar alle dichtbegroeide heuvels op elkaar leken, en waar slechts af en toe een huis opdook tussen het weelderige groen. ‘Slepke’, zoals we onze navigatie noemen, was stilgevallen, en met de schaarse personen die we tegenkwamen deelden we geen taal.
Aan het eind van een doodlopend pad, stuitten we op een vervallen huisje, omringd door grazige weitjes en fruitbomen. Er was niemand, maar de deur stond open. Binnen een bed dat eruitzag als een nest, dekens en wat kleren. Een keukentje dat uit de middeleeuwen leek te stammen. Ik moest denken aan al die vluchtelingen die zich hier in de uitgestrekte bossen schuilhouden voor de lokale politie, vigilantes en milities die de buitengrenzen van Europa met stroomstootwapens, afranselingen en berovingen voor ons bewaken. Die bivakkeren in precies dit soort verlaten huisruïnes of gewoon in het bos. Hier zitten in een schuurtje echter een stel varkens, dus er moet een reguliere bewoner zijn die zich elke dag met de dieren bezighoudt.
We keren om en rijden wat later een erf op waar een vervaarlijk uitziende hond ons toeblaft. Een man of vijf, zes zitten aan een tafel onder een afdak. Ze springen op en komen naar ons toe; wijzen enthousiast verschillende kanten op, en de jongste van het gezelschap weet te melden dat het ‘foenf’ een van die kanten op is. Het is een uitgelaten gezelschap, en ze lijken niets liever te willen dan dat we ons bij hen voegen, rond de fles met schnaps. Aanlokkelijk, maar de avond begint te vallen, en we weten nog steeds niet waar ons onderkomen voor de nacht is. Ik stuur een bericht naar de verhuurder, al heb ik geen bereik. Als we bij een volgend huis weer gaan vragen, worden we opgevangen door de verhuurder, die ons herkent aan het Nederlandse nummerbord van Muis. We rijden achter hem aan, slaan na een kwartiertje een smal zijpad in en stoppen voor een huis gelegen in sprookjesland.
Het is een nieuw huisje, de eigenaren hebben onlangs besloten de onderste etage van hun huis als vakantiehuis te verhuren, en wij zijn de eerste gasten.
Het huisje zelf is vol liefde volgestouwd met snufjes en tierlantijntjes in de stijl van ‘a coffee a day keeps the docter away’ en ‘in dit huis respecteren we elkaar’. Onder kleine glazen stolpjes op de vensterbank kaarsen die eruitzien als gebakjes. Elk hoekje is bezet of behangen met ‘gezellige dingetjes’. Horror vacui. Op de bedden liggen stapels kussens. En een donzen dekbed. Op de tafel een vaas met veren. De keuken is uitgerust met een twaalfdelig servies, glazen voor een weeshuis, een sodastream en een sapcentrifuge en een pannenset om u tegen te zeggen. In de badkamer ‘natural body butter’ en spul voor een ‘complete scrub experience’.
Je kan je kont niet keren (wij zetten zoveel mogelijk prullaria opzij en leggen de overtollige bedkussens op een hoop naast de bank) maar het is vooral aandoenlijk, zoals de verhuurders het hun gasten naar de zin hebben proberen te maken. Hij is een Duitser, zij een Servische, geboren in dit dorp dat bestaat uit drie huizen. Ze wonen in Duitsland en dit is hun buitenverblijf.

Er loopt een man voorbij met een glimmende drietandige riek, wat me doet denken aan een scene uit de film Novecento, waarin de door Donald Sutherland gespeelde smerige lokale fascist aan het eind van de oorlog door de buren die hij jaren heeft gekweld met een soortgelijke riek wordt neergestoken. Er wordt hier nog traditioneel keuterboerenlandbouw bedreven. Ik zie mannen en vrouwen hooien met een houten vork, met een hak de aarde bewerken. De tractortjes lijken op die uit de jaren vijftig en bij elk huis is een groentenkasje, lopen een paar kippen, een paar varken, schapen en geiten.
Gisteren gingen we boodschappen doen – ruim een half uur rijden over macadam weggetjes en asfalt naar het dichtstbijzijnde stadje, Sanski Most, tussen Kljuc en Prijedor. Het stadje ligt in de Federatie Bosnië-Herzegovina, op de grens met de Republika Srpska. Langs het macadam wappert trots de vlag van die Republika en worden we welkom geheten in Servisch gebied. Op een van de heuvels waar we op uitkijken staat een groot christelijk kruis dat oplicht in de avondzon. Midden in het niets een klein orthodox kerkje.

Op de brug waar we overheen rijden richting supermarkt zijn in de laatste oorlog 19 Bosniakken door Servische nationalisten vermoord en in het water van de Sana rivier gegooid. Er is een gedenkteken. Het wemelt in dit land van de gedenktekens en van de kleine begraafplaatsen van slachtoffers van de laatste grote geweldsgolf.
Het dorpje Kozica waar we logeren was in de Tweede Wereldoorlog een van de plekken waar de Kroatische Ustase, die heulden met de nazi’s en zich qua wreedheid met hen kon meten, huishield onder de Serviërs. Er vielen duizenden slachtoffers.
Aan het eind van die oorlog werd hier, tijdens een bijeenkomst van de Antifascistische Staatsraad voor de Nationale Bevrijding van Bosnië en Herzegovina (ZAVNOBiH) verklaard dat in de toekomst Bosniakken, Kroaten en Serven gelijk zouden zijn.
Onder Tito werd die gelijkheid afgedwongen, maar door de laatste oorlog is al het oude en nieuwe zeer weer een open wond. De scheiding van het land in twee delen heeft niet bijgedragen aan verbroedering.

En wij zitten hier met volle teugen te genieten van de serene stilte. Je hoort geen auto’s, niet het geluid van een snelweg op de achtergrond, geen vliegtuigen en dat is op zich al heel bijzonder. Overal vogelgekwetter en het zoemen van bijen en andere vliegende insecten. Het ronken van een machine op een veld in de vallei beneden die rechthoekige strobalen maakt verdiept de stilte eerder dan dat ze wordt verstoord. Het is warm, maar er waait een windje dat het buiten zitten in de schaduw net draaglijk maakt. Een kleine geit speelt met een groot roze varken. Er kraait een haan. De hond van de eigenaar komt eens kijken en geeft me een lik over mijn hand.
Boven op een van de bergen is een groot plateau waar een prehistorische stad is gevonden, die nog niet is blootgelegd. Er is opgegraven, maar door geldgebrek is de onderneming weer gestaakt. Er zijn sporen van neolithische bewoning in dit gebied. In het museum in Sarajevo zag ik een overdadige verzameling vuistbijlen, stenen pijlpunten en messen.
Tachtig procent van het grondgebied in Bosnië bestaat uit bos, zegt Ralf, de man van Sladana. Het zijn de longen van Europa, meent hij, en ik wil hem graag geloven. S zoekt het op, Ralf doet aan romantische overdrijving, het percentage bos is zo’n 53%. Ter vergelijking: in Nederland is het 11%.
In de uitgestrekte bossen zwerven wolven en beren, herten en wilde zwijnen. En jakhalzen. Die laatste zitten niet ver weg, en doen de honden ‘s-nachts blaffen. Er mag niet op de beren gejaagd worden, maar dat houdt de jagers niet tegen.
Het is nu dicht begroeid, zegt Sladana, maar in de winter, als alles kaal is, kan je hier overal nog de skeletten van verwoeste huizen zien. De oorlog was hier heel erg. Sladana is op haar elfde met haar ouders naar Duistland vertrokken, toen Joegoslavië uiteen begon te vallen. Ralf en Sladana maken zich zorgen over de ontwikkelingen. De verrechtsing, de soms directe, dreigende oorlogstaal. Ze spreken over thuis, in Duitsland. Maar, zegt Ralf, als er thuis, in Europa, een oorlog uitbreekt, trekken we ons hier terug. We hebben een generator, hout, kaarsen, een moestuin. We kunnen hier best overleven als het moet.

Van Kozica rijden we via Prijador naar de Kroatische grens. Twee grensposten in elkaars verlengde. Zonder niemandsland te doorkruisen rijden we de EU binnen. Of we iets aan te geven hebben? Schnaps? Sigaretten? We mogen passeren, zonder dat iemand een blik heeft geworpen op onze volgepakte auto, waar toch met gemak een mud sigaretten en een kleine destilleerderij onder de paardendeken verstopt had kunnen zitten. Of een vluchtelingenechtpaar met twee kleine kinderen…
Op het kasteel bij de grenspost wappert fier de Kroatische nationale vlag.

Niet ver na de grens zien we huisjes met authentiek houtsnijwerk aan de pui, met dakpannen die lijken op de schubben van een hele grote draak, stenen onderbouw met houten bovenkant, uitbouwtjes, balkonnetjes van hout versierd met schilderingen.
Dat zag je in Bosnië niet, daar zag je verlaten, vervallen, en overgroeide huizen, kogelgaten in de muren. En nieuwbouw, opgetrokken uit grote blokken rood gasbeton, grof gemetseld, soms half afgemaakt en weer verlaten. Niet altijd gestuct en geschilderd. Al het authentieke is er in de vier-vijf jaren geweld weggevaagd. Kroatië is minder zwaar getroffen, en dat zie je aan de dorpjes langs de weg.

Brief uit Srebrenica – deel twee

Tussen Bratunac, waar we verblijven, en Srebrenica ligt Potocari, waar Dutchbat op het terrein van een oude accufabriek zijn compound had. Zo’n 400 mannen en vrouwen van de Luchtmobiele brigade vormden in de laatste dagen van de enclave de Nederlandse bijdrage aan UNPROFOR, de VN-vredesmissie in Bosnië tijdens de oorlog van 1992-1995.
Al bij het betreden van het gebied had duidelijk kunnen zijn dat Mladic en zijn troepen de beste kaarten hadden: Dutchbat mocht de enclave in, maar zonder al te zware wapens. Die werden prompt ingeruild voor lichtere, want UNPROFOR was geen vechtmissie, maar een vredesmissie die de Bosniakken, samengedreven in het stadje omringd door heuvels en bergen, kwam beschermen. Ik ben geen militair expert, maar dat Srebrenica moeilijk te verdedigen is, geloof ik gelijk. Later is wel gezegd dat de hele onderneming van meet af aan onverantwoordelijk was, maar dat was pas nadat de mensen die beschermd hadden moeten worden vermoord waren, en de uitgezonden militairen weer thuis waren, met PTSS, en alle klachten die daar het gevolg van zijn.

Direct na hun vertrek uit Potocari, op de basis in Zagreb, verklaarden de Dutchbatters dat het een moeilijke tijd was geweest: ze zaten tussen twee vuren: aan de ene kant de moslims die – volgens enkele Dutchbatters – eropuit waren de Serviërs te provoceren om zo de slechtheid van de vijand te laten zien en hun eigen slachtofferschap aan te dikken; aan de andere kant de Servische troepen, paraat op de heuvels rondom de stad.
Toen de Serviërs eenmaal dicht genoeg genaderd waren, volgden een aantal gesprekken tussen commandant Karremans en Mladic. Mladic, die de troefkaart van een aantal gegijzelde Dutchbatters in handen had, beloofde de vluchtelingen goed te behandelen. Er zijn beelden van een vriendelijk lachende Mladic die snoepjes uitdeelt en kinderen over de bol aait. Karremans, die niet werkelijk een andere keuze had, leek met Mladic te socialiseren, hij hief immers het glas met hem, een tafereel dat in ons nationale geheugen gegrift staat. Het is Karremans zodanig blijven achtervolgen dat hij zich na zijn pensionering in Spanje heeft gevestigd.
Aangekomen in Zagreb verklaarden de Dutchbatters niet gecharmeerd te zijn van de moslims: onbetrouwbaar waren ze. Met de Serviërs kon je tenminste zakendoen. Het is verhelderend de krantenberichten van net na de val van de enclave nog eens na te lezen. Wat er toen is gezegd is naderhand geduid als mogelijke symptomen van het Stockholmsyndroom, waarbij je je eigen angst bezweert door sympathie te koesteren voor degene die je bedreigt.
Op de muren van de compound is de meest aanstootgevende graffiti van de Nederlanders inmiddels verwijderd, zoals: “No teeth? A mustache? Smell like shit? Bosnian girl! [Geen tanden? Een snor? Stinkt naar stront? Bosnisch meisje!]
Ik lees ze van een foto in de kleine expositieruimte bij de gedenkplaats die is ingericht tegenover de oude fabriek. Hier zijn (een groot deel van) van de ruim 8000 mannen die na de val van de enclave zijn vermoord begraven. Rij na rij witte zuiltjes met een naam, een geboortedatum en steeds dezelfde sterfdatum. Op lange, schuinstaande witte platen worden hun namen genoemd. Her en der ligt een door de zon gedroogde bloem. Nog altijd worden er slachtoffers, eenmaal gevonden en geïdentificeerd, bijgezet.

De compound zelf is onderdeel geworden van de gedenkplaats, waar behalve een documentatiecentrum een aantal tentoonstellingen over de genocide zijn ingericht.
Dat het een genocide betrof lijdt weinig twijfel – de Servische intentie de Bosniakken als bevolkingsgroep uit te wissen is goed gedocumenteerd – al wordt dit ontkend door de Bosnische Serviërs, die alle aandacht die uitgaat naar de moslimslachtoffers, met die begraafplaats zo zichtbaar langs de weg en dat grote museum, oneerlijk vinden. Alsof er niet ook Servische slachtoffers zijn gevallen door moslimagressie. Die zijn er: bij het zoeken naar voedsel voor de mensen in de enclave werden dorpen in de omgeving aangevallen door Bosnische moslimstrijders, wat gepaard ging met brandstichten en moorden. Dat vertroebelt de discussie. Dat Servische slachtoffers niet ook erkend worden zet kwaad bloed. Het was oorlog, er is gevochten, er zijn aan beide kanten doden gevallen, is de Servische opinie. De stap naar ontkenning van de genocide is snel gezet.
Waarom zouden Servische slachtoffers geen plek in het herinneringscentrum kunnen hebben? Maar, zegt overlevende in een interview, je kunt je toch ook niet voorstellen dat er in Auschwitz een hoekje wordt ingericht voor de slachtoffers van het bombardement op Dresden?

In de fabriekshallen van de voormalige compound bekijk ik de exposities: veel foto’s, video’s van uitgeputte en vermagerde mannen die de dodenmarsen overleefden, voorwerpen die gevonden zijn in de bossen, rijen schoenen. De aanloop naar de val van de enclave, het leven van de Blauwhelmen – een nagebouwd slaapvertrek met twee veldbedden en een kast waarin uniformen hangen. Verhalen over slachtoffers, van familieleden, overlevenden. Graffiti op de muren, handafdrukken met ‘Handklap’ erboven geschreven; een geschilderd vignet van een lachend spookje dat een raket vasthoudt met eromheen: Royal Dutch Army, UNPROFOR: het woord kikkervisje naast de open plek waar de eerdergenoemde sneer naar Bosnische meisjes gekalkt was.
Het kantoor van Karremans, met een telefoon en een asbak op tafel en Beatrix en Claus aan de muur.
Aan het eind van de lange hal wordt de val van de enclave in beeld gebracht, met geluidseffecten; ik hoor schreeuwen, geweerschoten. De massa vluchtelingen, de bussen, de gescheiden mannen en vrouwen, hier en daar een machteloze Dutchbatter met een blauwe helm.
Een groep jonge studenten wordt rondgeleid en zitten in een zaaltje te luisteren naar een voordracht. Het zijn jongeren uit heel Bosnië die in het herinneringscentrum over hun geschiedenis leren. Ze worden vergezeld van een cameraploeg. Volgens de website organiseert het centrum sinds drie jaar een internationale zomerschool, over genocide.

Bij de ingang van het museumcomplex staat een beeld van twee vrouwen en een kind. Op de sokkel staat een tekst in het Bosnisch, met eronder Truus Menger, Westerbork. Na wat speuren kom ik erachter dat het beeld speciaal voor de gedenkplaats gemaakt is, voor de moeders, vrouwen en kinderen van Srebrenica, en in 2006 is onthuld in het bijzijn van maakster Truus Menger, en de directeur van Kamp Westerbork. Het museum wordt financieel en met advies ondersteund door zowel het Nederlandse ministerie van Defensie als Kamp Westerbork.
Truus Menger was een verzetsstrijdster uit de groep van Hannie Schaft. Na de oorlog maakte ze als beeldhouwer verschillende herdenkingsmonumenten. Het herinneringscentrum kamp Westerbork is, samen met PAX nauw betrokken bij het inrichten van de tentoonstellingen in wat voluit Srebrenica-Potocari Genocide Memorial and Cemetery heet. De manier waarop de schoenen en de voorwerpen zijn opgesteld lijkt op de manier waarop de Holocaust herdenkingsplaatsen zijn ingericht. Niet alleen in Nederland, maar ook in Polen.
‘Srebrenica’ is bijgezet in de herdenkingscultuur.

We eten ’s avonds in een restaurantje aan de Drina, het water kabbelt rustig door de brede bedding, aan de overkant is het groen zo ver als je kijken kan. De regen heeft alles opgefrist, ook het weer. We trekken een jasje aan. De eigenaar van het restaurantje is bezig met het lakken van houten tafeldelen. ‘Even wachten’, grapt hij, ‘ik ben nu timmerman, maar als ik mijn handen heb gewassen en een ander shirt aanheb, ben ik restauranthouder’. Hij spreekt Duits. Vroeger, vertelt hij, was hij kunst-onderwijzer. Maar dat kan nu niet meer, hij is moslim, en dat ligt hier, letterlijk aan de grens met Servië, nog steeds gevoelig.
De grens loopt middendoor de rivier. Zwemmen mag, ook naar de overkant, maar het is verboden om de andere oever op te gaan.
Al 16 jaar runt hij zijn restaurant. In de onmiddellijke omgeving ervan wonen mensen zoals hij, vaak teruggekeerde vluchtelingen. Sommigen spreken Nederlands.
We kijken toe hoe zijn vriendin verse pita maakt: met kaas gevulde broodjes van heel dun uitgerold deeg. De maaltijd is overvloedig – salade, visjes uit de rivier, geroosterde groenten, polenta, kaas en pita, wijn uit Montenegro, ‘want’, zegt hij ‘daar houden Nederlanders van’. Dat weet hij, omdat hij elke week een groep ex-Dutchbatters en hun familieleden ontvangt. Die zijn op ‘terugkeerreis’. Die terugkeerreizen zijn onderdeel van de nazorg voor Dutchbat III. Na een onderzoek uit 2022 bleek dat de leden van het bataljon die in Srebrenica-Potocari waren tijdens de val, kampen met trauma’s, schuldgevoel, schaamte, depressies en een schrijnend gebrek aan nazorg. Ze kregen een financiële vergoeding van 5.000 euro als blijk van waardering, om de negatieve beeldvorming rond het bataljon een beetje goed te maken.
De terugkeerreizen worden georganiseerd onder auspiciën van het Veteranen Instituut, worden door deskundigen begeleid en zijn bedoeld om de Dutchbatters de kans te geven in het reine te komen met hun verleden in Bosnië. De stichting Moeders van Srebrenica is een van de partners. Er worden, naast het bezoek aan de compound en de begraafplaats, gesprekken en samenkomsten georganiseerd met nabestaanden.
Het zijn emotioneel zware reizen, niet alleen voor de voormalige Dutchbatters, maar ook voor de mensen hier, vertelt hij, die hun trauma’s steeds weer opnieuw beleven. Toch vindt hij de reizen belangrijk. Hij laat me een boek zien, in het Bosnisch. Maar zegt hij, er is ook een Nederlandse versie. Ik zoek het later op: ‘Bruggen Bouwen. Ontmoetingen van Dutchbat III veteranen met Overlevenden van de Genocide in Srebrenica” van Eric Vermetten, Anna Gebert e.a. De EO maakte een documentaire over die reizen.

De zon zakt langzaam weg achter de bomen. We ronden de maaltijd af met Bosnische koffie. Wat we niet opgegeten hebben, gooit hij met een zwaai de rivier in: voor de vissen. Sommigen zijn enorm, zo groot als een dolfijn. Die lusten wel een hap polenta.
Bij het afscheid loopt hij de keuken in en komt terug met een fles wijn: hier, een geschenk, voor jullie. Het spijt me dat ik niet naar zijn naam heb gevraagd.

(Afbeelding: foto in de expositieruimte bij de begraafplaats – Potocari)

Brief uit Srebrenica

We doorkruisten Montenegro en Servië onderweg naar Bosnië-Herzegovina, of eigenlijk Republica Srpska, want Bosnië is opgedeeld in de Federatie van Bosnië-Herzegovina en de Servische republiek, wat niet hetzelfde is als Servië. De grens tussen de twee delen van het land is grillig, De Servische republiek beslaat een groot deel van het Noorden en het Zuid-Oosten, en is bewoond door vooral Bosnische Serviërs. De Federatie ligt ertussen en is vooral bewoond door Bosniakken – Bosnische moslims.
Republika Srpska is in 1992, aan het begin van de oorlog gevormd, waarna de Bosniakken en Kroaten uit het door Servië geclaimde territorium werden verdreven. In 1995 werd het gebied in de Dayton akkoorden onderdeel van de zelfstandige staat Bosnië-Herzegovina, maar tot een gedeelde Bosnische identiteit heeft dat ook 30 jaar na de genocide in Srebrenica en andere delen van Bosnië, nog niet geleid.

In Montenegro sliepen we één nachtje in een dorpje met een klein haventje, aan de Montenegrijnse kant van het Skhöder meer, naast een snelweg en een spoorlijn. Aan de snelweg bij het dorp zaten een paar vrouwen vissen te verkopen, karperachtigen, dood, en enkelen nog levend, uitgestald in platte bakken. De volgende ochtend zaten ze er weer, met wellicht dezelfde vissen.
We bezochten Podgorice, de hoofdstad, waar ze een splinternieuwe Oosters-Orthodoxe kathedraal – de kathedraal van de wederopstanding van Christus – hebben gebouwd naar oud voorbeeld. Pas gewijd in 2013 is het een fonkelend eerbetoon aan niet te onderdrukken vroomheid, religieus machtsvertoon en de wederopstanding van Montenegro. Muren, plafonds, pilaren, werkelijk alles is beschilderd met heiligen en kerkelijke ambtsdragers, met taferelen uit het leven van Christus en met heel veel goud. Het is overweldigend, en eerlijk gezegd best mooi.

Voor we de grens met Montenegro over staken zagen we wat overblijfselen van de gekte van Hoxha. Overal in het land had hij bunkertjes laten bouwen, bang als hij was voor een invasie of een atoomoorlog. Er zijn grote, maar ook kleintjes, die lijken op paddenstoelen zonder steel die boven de grond uitsteken, of op iglo’s van beton. In een van die iglo’s had een excentrieke figuur zijn tattooshop gevestigd. Hij begint, in redelijk Engels, te praten en houdt niet meer op. Hij wijst naar de antifascisme sticker die ik achter op mijn telefoon hebt, denkt dat het een hakenkruis is en begint een heel verhaal over hoe dat symbool verkeerd wordt begrepen, om via een aantal zijsprongetjes terecht te komen bij dat Albanië eigenlijk veel groter zou moeten zijn, dat veel land van de Albaniërs is afgepakt, dat de Albaniërs de oorspronkelijk bewoners van de Balkan zijn en dat de EU Albanië nooit zal toelaten omdat ze dan veel te veel aan herstelbetalingen moeten betalen voor al het onrecht het land en het volk aangedaan. Dat had een echte historicus hem uit de doeken gedaan. Uiteindelijk staan we maar gewoon op om weg te lopen, want anders zaten we er nu nog. Om herhaling te voorkomen krab ik de sticker van mijn telefoon.

Vlak voor de grens drinken we koffie tegenover nog een paar van die bunkertjes, in een café waar een tafel precies voor de airco wordt geschoven om ons het best te verkoelen. Een man in een politieuniform – de plaatselijke commandant? – krijgt een lunch geserveerd die van buiten wordt gebracht door een ondergeschikte. Op een groot televisiescherm beelden van Sazar, het eiland dat in de klauwen van de Trumpjes is gevallen, en de aanhoudende protesten daartegen in Tirana. ‘Protest?’ Vraag ik. ‘No problem, no, no, no problem’, roept de geüniformeerde bijna verschrikt uit.

De grens tussen Montenegro en Servië is een echte grens. Eerst wachten in een rij voor de Montenegrijnse douane, dan serieuze controle van de papieren, dan een stuk niemandsland en dan hetzelfde ritueel aan de Servische kant.
(Toen we van de boot afgingen in Albanië werden we vluchtig gecontroleerd door een lokale politieman, bijgestaan door een man met Frontex op zijn shirt. Ik stel me zo voor dat de andere kant op – van Albanië Italië in, de Frontexman meer te doen heeft dan alleen maar toekijken).

In Servië komen we langs een kloostertje bij het dorp Grobnice, in een zijvallei bij de rivier de Lim. Gesticht in 1281 door een monnik met de naam David, en gebouwd op de resten van een Byzantijnse basiliek uit de 6de eeuw. Het complex werd herhaaldelijk geschonden, maar het kerkje overleefde de Ottomaanse periode. In 1997 is het gerestaureerd, en dat gebouwtje is nu te bezoeken. Een paar deels uit hout opgetrokken bijgebouwen doen dienst als klooster. Als wij er zijn is er maar één man, misschien een monnik, in burgerkleren maar met een lage baard. Hij biedt koffie aan, althans, dat geloof ik, die we beleefd afslaan.
De restauratie is zorgvuldig gedaan, de schilderingen zijn fraai, de setting in de groene vallei aan een stroompje is geweldig, maar ik mis de magie die uitgaat van het oude, het origineel, van het weerstaan van de tand des tijds, en de sporen daarvan. Het raadsel van wat vroomheid vermag.
Dat was er wel in de kathedraal van Podgorice. Waarschijnlijk omdat die met opzet nieuw is gemaakt. De kathedraal bouwt niet op wat al vergaan is, het is een eigen gebouw, met eigen architectuur – de buitenkant opgebouwd uit ruwe stenen en beton, met reliëfs waarop bijvoorbeeld de ark van Noah en de stad Jeruzalem staan afgebeeld. Het lijkt erop dat het einde van het Tito regime radicaal een einde maakte aan het gedwongen atheïsme en de Balkanstaten hun religieuze identiteit in ere wensen te herstellen.

Tussen Servië en Bosnië-Herzegovina uiteraard ook een grens; waar wij passeren loopt die middendoor de rivier de Drina, waardoor er een flink stuk niemandsland is langs de rivier tussen de Servische en de Bosnische grensovergang (waar ze voor het eerst ook het kentekenbewijs van de auto willen zien en controleren). We volgen de rivier de Drina tot we bij Bratunac aankomen, waar we een huisje huren van een aardige jonge man, die zijn frambozenplantage heeft opgegeven om op die grond het huisje te kunnen zetten. Hij is er trots op ons te verwelkomen.
Rondom het huisje is een enorm grasveld, met daarachter bijenkasten en een boomgaard met kersen- appel en perzikbomen. De kersen zijn rijp, en van de buurman krijgen we over het hekje heen twee volle zakken met de rode vruchten.
De avond van aankomst regende het dat het goot, met donder en bliksem. Nu is het mild zonnig, niet meer zo warm. Kraaiende hanen, mekkerende schaapjes en een grappig klein katje dat af en toe langskomt voor een aai. De heuvels zijn begroeid met bossen, de mensen zijn aardig en behulpzaam. Het is vredig.
En dat geeft een ongemakkelijke tegenstelling met waarom we hier eigenlijk zijn, in Bratunac, vlak bij Potocari en Srebrenica.

Bij Srebrenica denk ik: Karremans, de commandant van de Nederlandse brigade, die het glas heft met Mladic (die nu in Scheveningen levenslang uitzit), veel te jonge Dutchbatters, blauwhelmen uitstekend boven een zee van vluchtelingen, bussen die mensen afvoeren, een fotorolletje, een hossende kroonprins. Een veilige have die dat helemaal niet was. Duizenden doden die voorkomen hadden kunnen worden als er meer daadkracht en vooral meer menselijkheid was getoond. De sorry’s en de mea culpas die na de moordpartijen zijn uitgesproken. Milosevic die in een cel in Den Haag het loodje legt.
Een gerechtshof dat, decennia later, de Nederlandse staat voor eerst 30%, maar in hoger beroep nog voor slechts 10% verantwoordelijk acht voor de dood van de mensen die in de compound van Dutchbat hun heil hadden gezocht, en die er niet welkom waren. Het falen van de ‘internationale gemeenschap’. Net als in Rwanda, waar Romeo Dellaire, de commandant van de vredesmacht daar, in 1994 smeekte om aanpassing van het mandaat zodat ze de mensen daadwerkelijk tegen de machete zwaaiende bendes konden beschermen; smeekte om meer troepen, maar dat allemaal niet kreeg. ‘Srebrenica’ gebeurde een jaar later, in 1995. De luchtsteun waarop gerekend was kwam niet. Een van de redenen daarvoor was dat de levens van de blauwhelmen die in Servische handen waren gevallen beschermd moesten worden.
Het is dus allemaal niet nieuw, het ‘falen’ van de internationale gemeenschap. Als het gaat om het beschermen van mensen is het hemd ook bij de verantwoordelijke leiders of bewindslieden nader dan de rok.

Toen in juli 1995 de Servische troepen de ‘veilige enclave’ Srebrenica innamen, had het handjevol Dutchbatters geen weerwoord, en verdedigde noch de stad, noch de compound. In het stadje zaten zo’n 40.000 mensen in de val. De toenmalige directeur van Artsen zonder Grenzen verzuchtte dat het getto van Warschau er zo moet hebben uitgezien. Toen de Serviërs naderden sloegen mensen, vooral mannen op de vlucht, de heuvels in, naar gebieden in handen van de Bosniakken of Tuzla, een andere ‘veilige enclave’. Velen van hen werden opgejaagd, in hinderlagen gelokt en vermoord.
De vrouwen, kinderen en oude mannen vluchtten naar de compound van Dutchbat, in Potocari. Onder leiding van Mladic, en onder het oog van de Nederlandse blauwhelmen, werden de mannen en de jongens van de vrouwen gescheiden, de vrouwen werden afgevoerd, de mannen werden eerst voor verhoor meegenomen, en daarna voor het overgrote deel vermoord.
In eerste instantie deden Karremans en zijn manschappen, een paar dagen later geëvacueerd naar Zagreb (waar dat gehos met Wim-Alex plaatsvond) alsof er niet veel aan de hand was geweest, de vluchtelingen waren geëvacueerd en dat was best goed verlopen, de omstandigheden in aanmerking genomen. Een fotorolletje waarop foto’s van executies ging verloren in een ontwikkelbad met een verkeerde oplossing. Een video met gewelddadigheden werd gewist.
Pas later drong de omvang van de moordpartij door, nadat er satellietbeelden waren vrijgegeven waarop vrij duidelijk massagraven te zien waren. Toen hadden de Serviërs echter de tijd gehad om de doden in de massagraven op te graven – wat ze deden met bulldozers – en de brokstukken mens willekeurig over verschillende andere massagraven te verdelen. Massagraven werden meerdere keren omgewoeld en de resten verder verdeeld. Daarom duurt het zo lang voordat de slachtoffers geïdentificeerd kunnen worden; hun resten zijn verspreid over een groot gebied, en dat maakt identificatie moeilijker. Nu, 30 jaar later, zijn nog steeds niet alle vermisten gevonden en wordt nog altijd gewerkt aan het reconstrueren van lichamen zodat ze een fatsoenlijke begrafenis kunnen krijgen.

Srebrenica zelf is weer een klein, rustig stadje, waar niet veel te doen is. Op een rotonde staat een wereldbol met erbovenop vier goudkleurige kinderen die een dansje maken. Er zijn een paar sportvelden die gedoneerd zijn door een Bosnische voetballer die in Engeland speelt. Er is een supermarkt, er zijn wat barretjes en restaurantjes, een moskee, een kerk. Er wapperen aan het gemeentehuis drie vlaggen: die van de Republika Srpska, die van Bosnië-Herzegovina en die van het stadje zelf. Een oude vrouw die ik al eerder tegenkwam groet me hartelijk. Ze maakt een zwaaiend gebaar met haar arm en zegt in het Bosnisch: ‘Kijk, ik loop nog elke dag een rondje.’ ‘Geweldig’, zeg ik terug. Ze loopt op sokken in slippers, met een stok, heeft een gezicht als een gerimpeld appeltje en om haar hoofd een sjaaltje dat onder haar kin is vastgeknoopt. De mannen in het café aan de overkant groeten haar luidruchtig, waarop ze, ondeugend ineens, iets terugroept.
Als S. de auto niet zo makkelijk van de parkeerplaats op de weg lijkt te krijgen, schiet een van de mannen op het terras overeind om te helpen. Hij gaat achter het stuur zitten, draait ‘Muis’ de weg op, stapt uit en zegt: zo oke? We zwaaien naar elkaar bij het wegrijden.

(Afbeelding: foto van een muur in de voormalige Dutchbat compound in Potocari)

Nagekomen post – Napels

‘Napels zien, en dan sterven.’ Deze uitroep van bewondering en verlangen wordt toegeschreven aan Goethe, die hem, totaal onder de indruk van de schoonheid van de stad, in zijn dagboek noteerde. In de tweehonderd jaren die verstreken tussen Goethe’s bezoek en het mijne durf ik wel te beweren dat de stad niet aan schoonheid heeft gewonnen.
‘Sprekend India’, zegt reisgenoot S. En verdomd als het niet waar is. We logeren in een buitenwijk die net zo goed in Chandigarh of Delhi had kunnen zijn: de lichte geur van rottend afval, bladderende stuc op huismuren, stoepslapers, her en der tempeltjes – alleen de godheid in de nisjes is anders – een pokdalig wegdek, automobilisten die van geen verkeersregels willen weten, geschaafde en gedeukte vehikels alom. Bij de oprit naar een snelweg een bord met: verboden voor paard en wagens. De kleine kruideniertjes worden gerund door mensen van het Indiase subcontinent, Pakistani, Bangladeshi, hun verse waar aan het eind van een lange, zonnige dag verschrompeld en schimmelig in de schappen.
Voor een shop waar je kunt wedden op iets hangt een groepje mannen, een heeft zijn t-shirt opgeslagen en zijn bolle buik ontbloot, ook al ‘typisch Indiaas’.
Snerpend gegil van een vrouw, dat overgaat in gejammer en bezorgde buren op het naastgelegen balkon brengen me terug in Italië, net als de pizza die we eten op een terrasje in de buurt.

De ligging van Napels maakt dat de uitroep van Goethe wat minder geëxalteerd aandoet: in een grote, halfronde baai aan zee, omgeven door een cirkel van bergen, met de Vesuvius als een natuurlijk memento mori boven de stad uittorenend.
Als wij de vulkaan beklimmen is het mistig en grijs. Naarmate we hoger komen wordt de mist dikker en gaat het eerst stortregenen, en daarna hagelen. Dat heeft als bijkomstigheid dat we vrijwel alleen aan de kraterrand staan. Waar we nog geen meter naar beneden kunnen zien. Wat jammer is, je kijkt tnslotte niet dagelijks in een vulkaankrater. We blijven er, het weer trotserend, rondhangen in de hoop op opklaring. Als we tenslotte net afgedaald zijn, breekt het toch nog open, alsof de Vesuvius de spot met ons drijft. Onder een nu stalend blauwe lucht hebben we vanaf de hellingen prachtig zicht op Napels aan haar baai, de bergen eromheen, de zee en de eilandjes voor de kust.
De Vesuvius is natuurlijk vooral bekend van de uitbarsting in 79, toen as en gassen, stenen en lava Pompei, Herculaneum en andere stadjes en dorpen op en onder haar hellingen bedolven. Dat is niet de enige, maar wel de meest dramatische geregistreerde uitbarsting van de vulkaan.
Het gebied is sinds 1995 een beschermd Nationaal Park. Een van de jonge mannen die onderweg in een makeshift hokje of een standje koffie, lokale wijn (lacrima de Christi- Christustranen) en souvenirs verkopen vertelt dat er voor corona dagelijks zo’n 6000 mensen elkaar rond de krater verdrongen. Na corona zijn het er nog zo’n 3000. Per dag. Behalve op een dag waarop het bewolkt is, mistig of regenachtig is, dan haken de meeste mensen af. En als het stormt gaat het pad dicht, dan is het bovenop de 1280 meter hoge heuvel te gevaarlijk.
De souvenirs die aangeboden worden zijn interessant: behalve de ijskastmagneten, de flesjes met lokale wijn ( de druiven groeien op de flanken van de vulkaan) en minivesuviusjes in bonte kleuren, zijn er tennisbal grote zwarte kogels, die doormidden zijn gespleten hun fonkelende inhoud tonen en worden verkocht als ‘echte lava’. Ze zijn er ook in pingpongbalformaat, met net zo’n glitterinhoud. Er liggen brokken felgele zwavel, kristallen en zwarte figuurtjes gemaakt van lava. Een jonge man koopt vergenoegd een zwarte schedel voor 25 euro. Ik gun hem dat hij blijft geloven dat hij een doodshoofd van lava heeft aangeschaft.

De Vesuvius is een vulkaan in een vulkaan. Preciezer: de Vesuvius is ontstaan in de caldera (het meestal steile gat dat een na eruptie ingestorte magmakamer achterlaat) van een oudere vulkaan, de Monte Somma, waarvan je de rand rondom de krater van Vesuvius ziet liggen. Die Monte Somma was veel groter, zijn krater is gedeeltelijk ingestort tijdens de explosieve uitbarsting in 79.
De vulkaan is niet dood, en geldt als een van de gevaarlijkste, omdat er zo’n 3 miljoen mensen wonen in het bij een uitbarsting bedreigde gebied, waarvan 600.000 in de directe as, gas en lava gevarenzone. In 1944 spuwde hij voor het laatst, en verwoestte hij dorpen. Sinds die uitbarsting houdt hij zich rustig, en ontsnapt er alleen wat zwavelige rook uit de krater. Een observatorium houdt alles scherp in de gaten, en de stad Napels heeft een uitgewerkt evacuatieplan klaarliggen voor het geval dat.

Omdat we de drukte in Pompeï vrezen, kiezen we ervoor om Herculaneum te bezoeken. Kleiner, net iets minder beroemd, maar zeer goed bewaard, interessant en te behappen. Voor de uitbarsting woonden er ongeveer 5000 mensen in het stadje. Door de windrichting kreeg Pompeï de volle laag van as en stof, en werd Herculaneum door hitte en lava overmand. De bewoners vluchtten naar de boothuizen aan de kust, waar ze stierven in de verzengende hitte die door de vulkaan werd gegenereerd. Hun botten te aanschouwen in de restanten van de boothuizen. Die liggen sinds de eruptie niet meer aan zee, de uitbarsting in 79 verlegde het strand. Het stadje zelf is slechts voor een deel opgegraven, omdat het grootste deel onder moderne bebouwing ligt. Maar dat maakt het niet minder spectaculair. Er zijn villa’s met atriums en fonteinen, muurschilderingen van vogeltjes en andere dieren, een pauw met een zeer levensechte staart, goden, godinnen, alles in zachte verweerde kleuren. Er zijn restanten van winkeltjes, kroegjes, er is een badhuis voor mannen, en een voor vrouwen, er is een forum met een beeld van een keizer op een sokkel. Er zijn tuinen, watertap-punten, en waar je maar kijkt ontdek je details: kleine versieringen bij een deurpost, een gevelsteen van een engelfiguurtje, een wijnrank bij een kapiteeltje. Het is bloedheet, niet erg druk, en ik geef de beschrijver die schreef dat je echt het gevoel hebt in een Romeins stadje te lopen groot gelijk. Het geeft een wonderlijk goed bewaard gebleven inkijkje in levens die lang geleden zijn geleefd.

Op een half uurtje rijden van Herculaneum ligt Villa Poppaea, van de familie van de tweede vrouw van keizer Nero. Een complex met wel honderd kamers, uitkijkend – destijds – op de zee. Ook toen namen de machthebbers het er goed van: de villa is rijk versierd met fresco’s, mozaïeken, marmeren beelden, fonteinen en zuilengalerijen, en naar de voorwerpen in het kleine museumpje te oordelen leefden ze er goed van. Omdat het 2 juni is, de ‘Dag van de republiek’ mogen we er gratis naar binnen. Het zou mooi zijn als we in Nederland bij nationale feestdagen, in navolging van Italië, musea en andere bezienswaardigheden – en de Efteling – gratis toegankelijk zouden maken.
De topstukken van de bedolven steden en villa’s zijn te bewonderen in het Archeologisch Museum van Napels. Zaal na zaal gevuld met adembenemende, ragfijne mozaïeken, gedetailleerde schilderingen en fraai versierde voorwerpen, inclusief kasten, bedden tafeltjes op sierlijke pootjes. Een speciale zaal is ingericht met erotica: blijkbaar hadden de oude Romeinen een fetisj voor abominabel grote penissen, en werd ‘de daad’ open en bloot vereeuwigd in ooit heldere kleuren.

Buiten het museum: de stad van nu. Tegenover, aan de drukke straat, liggen de verworpenen in portieken. Er is een ruzietje: er wordt getrokken, geduwd en gescholden, maar een serieus handgemeen wordt voorkomen door aansnellende lotgenoten. De ruzie ging over eten: de ene man had het eten van de andere man opgegeten. Hij had honger.
Italië gaat vluchtelingen terugnemen uit de rest van Europa, vanwege ‘Dublin’, waar is afgesproken dat het land van binnenkomst verantwoordelijk is voor opvang van asielzoekers. Een lelijke maatregel, die de last op de schouders van enkele Europese landen – niet de rijkste – laadt, die van harte ondersteund wordt door een deel van het Nederlandse parlement. Hier in de stad zie je al waar dat toe gaat leiden: straatslapers, ontheemden in de berm, veel bedelaars. En uiteindelijk naar deprotatie van de ongewensten, naar de uitzethubs in Albanië.

We eten – pasta – in het Quartieri Spagnoli, de ‘Spaanse wijk’, hoge woonkazernes is smalle steegjes, ooit opgetrokken voor Spaanse garnizoenen in de 16de eeuw, nu een toeristische attractie, ooit een broeinest van misdaad, prostitutie en verval. (Voordat Italië Italië werd, in 1860, was Zuid Italië het lange tijd een onderdeel van Spanje).
Zonder moeite zie je hier de geniale vriendin van Ferrante rondrennen. En ook is het niet moeilijk je voor te stellen dat de maffia hier regeerde/regeert. De muren zijn volgespoten en geschilderd met allerlei hoogstaande graffiti, veel portretten van Maradonna, soms afgebeeld als held, soms als heilige – inclusief een heus tempeltje gewijd aan de voetballegende – veel voetbalvlaggen. En overal restaurantjes die de lokale keuken uitventen.
De Napolitaanse maffia, de Comorra, is gebaseerd op familieclans, die zich specialiseren in afpersing, drugs, gokken. Ze beheren een paardenrenbaan op de flanken van Vesuvius, en er zijn opmerkelijk veel punten in de stad waar je een wedje kan leggen, waar mannen die je een beter leven gunt rondhangen tussen hoop en vrees. Ook eisen ze beschermingsgeld van kleine ondernemertjes (die zich tegen betaling aan hun afpersers tegen de afpersing beschermen. Heel filmisch allemaal, alleen is de grens tussen de boven – en de onderwereld poreuzer dan elders. Toen de macht van Spanje in het zuiden van Italië begon te tanen – zo rond 1820 – namen de familieclans het lokale gezag over met instemming van de Spaanse overheersers. Ze functioneerden als politie en hadden een eigen rechtspraak systeem, Na de eenwording bleef de Comorra het lokale gezag, met goedkeuring van de nieuwe overheid. De families werden ingezet om mogelijke opstanden of afscheidingsinitiatieven de kop in drukken. Met een dip in macht en aanzien na een arrestatiegolf rond 1863, leefde de Comorra aan het begin van de vorige eeuw weer op, tot Mussolini aan de macht kwam. Die schijnt niet zo ingenomen te zijn geweest met de maffia, naar ik vermoed door de gewortelde loyaliteitscultuur die hem in de weg zat in zijn streven naar alleenheerschappij, en tijdens zijn bewind dwarsboomde hij de Comorra waar hij kon.
Na de Tweede Wereldoorlog kregen de families een rol in het herstel van het gezag, maar al rap veranderde de Comorra van een lokaal familieproject in een internationale, hiërarchisch geleide misdaadbende, waarin ook vrouwen een aanzienlijke rol spelen. De Italiaanse regering is er nu op gespitst de Comorra te breken en de bendes en hun misdaad te bestrijden. Wat geen eenvoudige opgave is, want de verstrengeling tussen de boven- en de onderwereld blijft een schier onontwarbare kluwen. Het is alsof je de corruptie die die verstrengeling met zich meebrengt aan de stad kan zien, het is vies (de afvalverwerking zou in handen zijn van de Comorra), onderkomen- niet alleen de buitenwijken, maar ook de binnenstad heeft iets haveloos, aan de rafelranden veel onafgemaakte gebouwen, waarvan je vermoedt dat ze zijn aanbesteed, dat er smeergeld is betaald, en dat die verdienste belangrijker is dan het gebouw zelf. En een aanstootgevend belabberd wegdek. Net India. Hoogst interessant, en een beetje unheimisch.

Brief uit Kokërdhok, Albanië

Een serie eendjes waggelt richting het water, ze zetten hun platte voetjes anders neer dan de kleine kippetjes die hier ook rondhippen, die hebben meer een huppende tred. Een grote haan waakt over het verzamelde kroost. Er wordt getokt, gekraaid, gekwaakt. Van overal tjirpen vogelgeluiden het terras op. Vanaf het water maken kikkers herrie. Twee varkens knorren gemoedelijk vanuit de schaduw van een boom. Af en toe klingelt een koeienbel. Voor het eerst sinds lange tijd geen geluid van auto’s of snelwegen in de verte. Het is windstil (en warm). Het hele landschap en een enkele wolk weerkaatst in het stuwmeer, dat omringd wordt door heuvels met erachter hogere bergen.

Het huis waar we verblijven – bovenverdieping van een vrijstaand huis bij het gehucht Kokërdhok, met een hemelsblauwe badkamer en een terras met verrukkelijk uitzicht, maar zonder keuken – ligt bij het stuwmeer vernoemd naar het iets grotere gehucht Ulëz, waar de dam ligt die het stuwmeer heeft gevormd. Ongeveer anderhalf uur van Tirana richting Shkodër. Wij deden er de hele dag over, omdat we ‘binnendoor’ gingen. Dat was geweldig, maar geen sinecure: onverharde, stenige karrensporen vol kuilen die zich nogal steil door de bergen heen slingeren, met her en der een huis en af en toe een alpenweide. Heerlijk was het, ik werd overspoeld door hetzelfde geluksgevoel (en een kriebelende spanning) die ik zo gemist heb sinds ik niet meer regelmatig onderweg ben in buitenlandse gebieden. Na uren hobbelen en een paar keer verdwalen was de verharde weg een welkome vriend, zeker voor onze kleine stadsauto, die zich kranig had geweerd, maar niet hoog op de banden staat.

Hier aan het meer heerst vredigheid, rust en kalmte. Onze gastheer Frani spreekt geen Engels, maar is toch uiterst communicatief. Hij onthaalt ons op zijn eigen honing – biologisch – en sappige abrikozen van een boom bij het huis. Er staat ook een pruimenboom vol fruit en een kersenboom waarvan de kersen al geplukt zijn. Frani heeft twee koeien, waarvan er een zwanger is, een stel geiten, kippen en eenden en dus die twee flinke varkens. Tussen huis en meer verbouwt hij mais, tomaten, erwten, wintervoer voor de koeien en druiven waarvan hij arak stookt. Bij aankomst verwelkomde hij ons met een glaasje van die honinggele eigengestookte sterke drank, om te proosten op ons verblijf. Zijn vrouw is er niet, die is bij zijn twee dochters die in Engeland wonen. Zijn zoon is ingenieur en werkt in Tirana. Over tien dagen komt zijn vrouw terug, met zijn twee dochters en dan is de hele familie weer samen. Frani straalt bij het idee alleen al.

Het huis aan het meer is een goede plek om even bij te komen van de overdaad aan cultuur van de afgelopen twee maanden. ‘Alsof we door Janson reizen’, merkte reisgenoot S op. H.W. Janson (voluit Hirst Woldemar), een Russisch-Duits-Amerikaanse professor, schreef in 1962 een standaardwerk waarin hij de kunst canoniseerde, dat we in het eerste jaar dat we kunstgeschiedenis studeerden zo’n beetje uit ons hoofd moesten leren. Het boek zette de westerse kunst – van Grieks en Romeins tot de renaissance en ‘onze’ Gouden eeuw schilders –  in de spotlights, ten nadele van niet-westerse kunst. Ook vrouwelijke kunstenaars kamen er bekaaid vanaf. Ik herinner me een vuistdik boek vol plaatjes. Van die plaatjes moesten we kunnen opdreunen wie de maker van het schilderij, beeldhouwwerk of gebouw was, wanneer die maker het had gemaakt, welke afmetingen het werk had, welke stijl hij gebruikte, in welke periode het paste, en, in het geval van schilderijen, welke kleuren de schilder had gebruikt. Een vraag uit het tentamen: welke kleur heeft de jurk van ‘Het Joodse Bruidje?’ (Rood, niet te verwarren met het groen van de jurk van de bruid van Arnolfini). Ik weet niet meer of het een open vraag was of een multiple choice, maar ik weet nog wel dat dit tentamen een van de redenen was waarom in uiteindelijk kunstgeschiedenis niet afmaakte en switchte naar antropologie. Nog niet zo lang geleden las ik een column in NRC of Volkskrant van een man wiens dochter kunstgeschiedenis ging studeren. Hij gaf haar een ‘Janson’ cadeau, in de overtuiging dat hij haar daarmee goed op weg hielp. ‘Pa’, zei de dochter, ‘die westerse, mannelijke blik op kunstgeschiedenis is verouderd hoor. Wij kijken nu breder’.

We zagen in Frankrijk en Italië zoveel schilderijen, fresco’s, beeldhouwwerken, oude kerkjes, doms, kathedralen en ‘ancient rubble’, dat het een verademing is om nu even alleen maar een meer te zien, groene heuvels eromheen, en af en toe een bel te horen van een dier dat tussen fruitbomen aan het grazen is. Waarmee niet gezegd is dat ik niet genoten heb van dat kunstinfuus. Het was heerlijk om tegen een vijfde eeuw baptisterium op te botsen, om de beeldenkransen rond de romaanse entrees van kathedralen en hun roosvensters te bewonderen, om het Pompeïaanse rood van de fresco’s in het echt te zien. Om te kijken naar de machtsgrandeur van het Paleis van de Pausen en van het Palazzo Vecchio, de kunstig bewerkte doopvonten, de buiten proportionele baby’s of mini oude mannetjes in de armen van de Madonna’s op middeleeuwse schilderijen, de versierde initialen in oude koorboeken, het doorschijnende groene en blauwe Romeinse glas, de gotische spitsbogen, glas in loodvensters van kerken, en de blauw geschilderde en met sterren bespikkelde kathedraalgewelven. Om te slenteren door de steegjes van steden zo oud als de bekende wereld, de geur van zeewater in havens op te snuiven, naar mensen te kijken.

We voeren met een veerboot van Bari in Italië naar Durrës in Albanië. De afvaart was gepland om 10 uur., en de tocht zou 10 uur duren. We voeren af om 12 uur en werden met een luide bel gewekt om 7 uur. We hadden een hut met een raam, zodat ik slaperig de haven van Durrës dichterbij zag komen. De boottocht was natuurlijk veel minder romantisch dan ik me had voorgesteld. Ik dacht: op het dek naar de sterren kijken en mijmerend uitzien over het zwarte, beweeglijke water. Maar door het lange wachten was de lust tot opblijven vergaan. De sterren waren verborgen achter wolken of uitgewist door de felle lampen van de boot. We maakten een korte rondgang over de boot: vliegtuigstoelen voor de zittende passagiers, een lounge met een enorme tv, een casino en een restaurant waar ze grote borden friet serveerden – en na een half doorwaakte nacht in een smal cabinbedje waren we aan de andere kant van de Adriatische zee. Erg was dat niet, want het overvaren naar een ander land is sowieso een belevenis.

Albanië heeft van 1944 tot 1985 gezucht onder het juk van Enver Hoxha. Voor de Tweede Wereldoorlog was het land achtereenvolgens onderdeel van het Byzantijnse rijk, van het Ottomaanse rijk, en was het een koninkrijk onder Koning Zog I. Al die tijd heerste er een feodale structuur van grootgrondbezitters en boeren georganiseerd in stamverbanden. Er was nauwelijks industrie, en wat er was geweest had de Italiaanse en Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. De bevolking was grotendeels analfabeet, het land straatarm.

Enver Hoxha zou zijn land de nieuwe tijd in leiden. Hij was een Stalinistische dictator, die achtereenvolgens brak met het Joegoslavië van Tito, omdat Tito zich niet naar Stalin wenste te voegen, en met de Sovjet Unie vanwege de de-Staliniserings politiek van opvolger Chroesjtsjov. Hij knoopte banden aan met het China van Mao, die hij vervolgens ook weer verbrak toen China en de VS toenadering tot elkaar zochten. Daarna gaf de dictator zich volledig over aan zijn wantrouwen en isoleerde Albanië volgens zijn Stalinistisch-Maoïstische normen en waarden.

De grootgrondbezitters werden onteigend en als het moest vermoord, verbannen of in een werkkamp gestopt. Met echte of vermeende politieke tegenstanders deed hij hetzelfde. Hij had een gevreesde geheime dienst, de Sigurimi, die op bevel afrekende met iedereen die in de weg zat. Hij verbood elke vorm van religie en liet kerken en moskeeën sluiten of afbreken. Albanië werd een zelfvoorzienende, atheïstische staat. Niemand kon er meer in of uit.

State Security is the sharp and dear weapon of our Party, because it protects the interests of the people and our Socialist State against internal and external enemies”, aldus Hoxha. Het citaat zou van Pol Pot kunnen zijn, of van de Birmese dictator Than Shwe. Uiteindelijk zijn alle dictators uit hetzelfde hout gesneden.

Begin jaren vijftig probeerden de Britse geheime dienst en de CIA Albanië te ontwrichten door anticommunistische ballingen in Albanië te droppen om het regime, dat kampte met de nasleep van de oorlog en nog niet stevig in het zadel zat, te destabiliseren. Albanië zou, als zwakste schakel in de communistische keten, de springplank worden om meer Sovjet satellieten terug te brengen tot het ‘democratische’ kamp. De operatie mislukte jammerlijk, deels omdat MI6 en de CIA de slagkracht van de ballingen overschatten, en omdat dubbelspion Kim Philby roet in het eten gooide door informatie door te spelen aan de Russen. Kim Philby is een van de zogenaamde ‘Cambridge Five’, jonge studenten met communistische sympathieën (‘de Russen stelden zich tenminste onverschrokken op tegen het fascisme en nazisme’) die aan het begin van de Koude Oorlog door de KGB werden gerekruteerd. Na hoog opgeklommen te zijn in MI6 – hij werd getipt als potentiele leider van de dienst, ontsnapte Philby in 1963 naar de Sovjet-Unie voordat de Engelse diensten hem te pakken kregen. Ik zag de serie A spy among friends over hem, maar herinner me niet dat er in die serie gewag gemaakt werd van een Albanese connectie.

Hoxha stierf in 1985. Vijf jaar na zijn dood valt het communistische regime. De grenzen gaan open, er komen verkiezingen. Dan breekt de oorlog uit die het gevolg is van het uiteenvallen van Joegoslavië. Albanese Kosovaren, verjaagd door de Serviërs, vluchten naar Albanië. NATO bombardeert Servische doelen om de Kosovaren te beschermen. Kosovo, dat voor 90 procent bevolkt wordt door etnische Albanezen, wordt een onafhankelijk land (2008). Servië erkent dat niet en ziet Kosovo als een autonome provincie. Albanië erkent Kosovo wel. De status van het kleine gebied blijft een heet hangijzer in de regio.

Vanaf 2013 is Edi Rama, namens de socialistische partij, de ministerpresident van Albanië. In 2025 werd hij herkozen voor een vierde termijn. Begonnen als kunstschilder, lokte de landelijke politiek met een burgemeesterschap van Tirana, de hoofdstad. Daar knapte hij de boel op, onder andere door de troosteloze Hoxha woonblokken op te fleuren met vrolijke kleuren, allerlei illegale bouwsels af te laten breken, het centrale Skanderbergplein te moderniseren en heel veel bomen te planten. Hij werd er populair genoeg door om tot premier gekozen te worden.

Sinds 2014 is Albanië kandidaat lid van de EU, en nog steeds het armste land van Europa. Dat wil Rama veranderen en daartoe stelt hij, bijvoorbeeld, Albanië open voor vluchtelingen die de rest van Europa niet wil hebben; Italië mag terugkeerhubs (dat is het eufemisme voor concentratiekampen voor in Europa ongewenste mensen) vestigen op Albanees grondgebied. Georgia Meloni staat breed lachend met Rama – een reus van een vent – op de foto, en ook Ursula van der Leyen laat zich graag met hem zien.

Rama wil Albanië niet alleen openstellen voor elders ongewensten (al is zijn enthousiasme hiervoor recentelijk verminderd), hij ziet ook in het toerisme een inkomstenbron voor het land. Daartoe heeft hij een eiland voor de kust, een beschermd natuurgebied, ter beschikking gesteld aan Ivanka Trump en haar echtgenoot Jared Kusher. Het geval wilde dat die twee op vakantie waren, van hun luxejacht doken en naar het eiland zwommen. Op blote voeten maakten ze samen een idyllische wandeling over het eiland. Ivanka was helemaal verliefd (op het eiland) en wilde het hebben. Kushner nodigde Rama uit op het jacht, en bemachtigde voor zijn investeringsbedrijf de vergunning om een ultraluxe vakantieresort te bouwen om de rich and famous een nieuwe wonderbestemming te geven. Ivanka droomt van state of the art architectuur, helemaal geïntegreerd in de natuur en met respect voor al wat leeft…

Alleen is eiland Sazan een natuurgebied met onder andere flamingo’s, en mag daar volgens de Albanese natuurbeschermingswet niet gebouwd worden. Om dat probleem op te lossen is de natuurbeschermingswet veranderd in een wet die natuur beschermt, behalve als het gaat om exploitatie ten gunste van toerisme.

De Albanezen vinden het allemaal net wat te toevallig: die wetsverandering, de Kushners met hun miljarden, de rol van Rama, en komen in opstand. Ze verdenken de regering Rama van corruptie en willen hun eiland houden, inclusief de flamingo’s, de zeeschildpadden en de zeehonden die er leven in het kustmoerasgebied. Er wordt dagelijks in Tirana geprotesteerd. Een klein clubje heeft geprobeerd de ontwikkelaars die al op het eiland aanwezig zijn, bulldozers hebben laten aanrukken en het te bebouwen gebied hebben afgescheiden met scheermesprikkeldraad, te verdrijven. SPAK, de anticorruptie organisatie die in 2019 met hulp van EU en VS is opgericht om het juridische systeem in Albanië te hervormen, gaat onderzoek doen, naar de wetswijziging en de vergunningverlening voor het eiland.

Uitkijkend over het stuwmeer lijken de protesten op een andere planeet plaats te vinden, zo ongerept als het hier lijkt en zo rustig als het is. Maar het stemt optimistisch, dat de Albanezen in opstand komen, en niet langer met zich laten sollen door mannen die denken dat ze met het land, en de bevolking, kunnen doen wat hen goeddunkt.

Een dagje Florence

Onderweg naar de oprit van de tolweg passeren we het huis van onze buren. Voor het hek van de villa, een geparkeerde Porsche, een Jaguar sportwagen en een Bentley. Waardoor ik me ga afvragen of het heuvelland hier, net als in delen van Frankrijk, een tweede huis paradijs is voor mensen met te veel geld.
We gaan de tolweg op bij Montecatini Terme. Je mag er 130 rijden, en dat doet dan ook iedereen. Met de ramen dicht en de airco aan. Wij laten de warme wind door onze haren blazen, en onze asfaltvlo houdt het bij 120. In Florence parkeren we onder de Mercato Centrale, de Foodhallen van de stad. Waar in Amsterdam de passage langs de in de oude tramremise van West gelegen Foodhallen vooral walmt van oud frietvet, ruikt het hier naar versgebakken brood, basilicum en tijm. In de parkeergarage klinkt klassieke muziek. Geen muzak, echte klassieke muziek. Op straatniveau, op een steenworp van de Piazza del Duomo, een markt. Voor de low budget toeristen: t-shirts (en stringetjes) met I – hartje – Firenze erop, of wat er zoal op toeristische t-shirts staat gedrukt, en ijskastmagneten. Voor de wat beter gesitueerden: leer, in de vorm van jassen, tassen in alle soorten en maten en riemen. Heel veel riemen. De meeste stalletjeshouders ogen Indiaas, maar ze komen uit Bangladesh, vertelt Bahadur Khan, een van hen. Hij is jaren geleden naar Florence gekomen, met een grote groep landgenoten. Eerst werkte hij voor Italianen, die de stalletjes bezaten en de Bangladeshi voor een schamel loontje lieten werken, terwijl ze zelf de winst opstreken. Nu is hij zelf eigenaar van twee stalletjes, eentje met riemen, de andere met t-shirts. De zaken gaan goed, te oordelen naar de bundel euro’s die in zijn portefeuille steken, die hij uit zijn zak haalt om geld voor een collega te wisselen. Hij beaamt dat: het is hard werken, maar nu hij zelfstandige is, is de wereld erop vooruitgegaan.
Verderop in de stad, in de straatjes rond de Duomo en het Palazzo Vecchio doen winkels alsof schoenen of merkhandtasjes eigenlijk topkunstwerken zijn, die het verdienen om op een sokkel te worden uitgestald en perfect te worden uitgelicht. Aangetrokken door een etalage met een chocoladefontein lopen we een ultraluxe chocolaterie in, waar we ongevraagd een chocolade kegeltje met pistachevulling, een limoncellokogeltje en een schuimkoekje met fondant krijgen aangeboden door vriendelijk glimlachende meisjes met een schortje voor.
Bij de Duomo een enorme rij wachtenden, die van achter harder aangroeit dan van voren afneemt. Maar ook aan de buitenkant valt gelukkig genoeg te bekijken.
Het Palazzo Vecchio is groots en vierkant met een de lucht in priemende toren. Aan de vorm van de kantelen op de toren (of aan de torens bij andere paleizen of villa’s) kan je aflezen of een stad of familie bij de Welfen hoorde of bij de Ghibellijnen. De Welfen – rechthoekige, rechte kantelen – waren pausgezind, de Ghibellijnen – gebogen kantelen met zwaluwstaarten – waren voor de keizer. Dat alles in de latere middeleeuwen (twaalfde, dertiende eeuw), toen Toscane een lappendeken was van rivaliserende stadsstaten onder leiding van machtige families. De Ghibellijnse families bestonden vooral uit naar de stad verhuisde landadel die leefde van pacht en belastingen. Die wilden graag het leenstelsel handhaven. Hiervoor vertrouwden ze op de keizer. De pausgezinden vonden dat de koning danwel keizer te veel macht had gekregen van Karel de Grote, die zichzelf en zijn vazallen de bevoegdheid tot het benoemen van bisschoppen had toebedeeld. De Florentijnse bisschop Hildebrand herriep dat recht in de elfde eeuw. Daarop volgde de strijd tussen de Welfen en de Ghibellijnen. Omdat de Toscaanse steden en stadsstaten in de loop van de 13de eeuw steeds rijker werden door overzeese handel en hun bankwezen, intensiveerde het conflict tussen de aanhangers van keizer en paus. Pisa en Siena waren keizer-gezind; Florence en Lucca waren voor de paus. Onder dit overkoepelende conflict gingen talloze, vaak bloedige, familievetes schuil. Dante schreef dat vanwege die vetes het bloed door de straten van Florence stroomde en de honden van de stad het bloed uit de goten oplikten. Toen de keizer (Hendrik VII) ten strijde trok om de paus te gaan afzetten, liet hij onderweg naar Rome het leven, waarmee de veldtocht wordt afgeblazen. Door de opkomst van de gilden, en de groeiende macht van de kleine luiden komt er een eind aan de macht van de koningsgezinde Ghibellijnen. Op 6 augustus 1289 wordt door het stadsbestuur van Florence, waar ook de ‘populo minuto’ zitting in hebben, de koop en verkoop van arbeidskrachten verboden en vrijheid en zelfbeschikking gegarandeerd. Het is de nekslag voor het systeem van lijfeigenen en horigen, en de eerste aanzet tot een mensenrechtenbeleid. Het brak de toch al wankelende macht van de Ghibellijnen.
De macht van de ‘kleine luiden’ is tot de dag van vandaag zichtbaar in de straten van Florence, nu in de vorm van de klandizie van de talloze toeristen die zich aan de bezienswaardigheden laven en hun dorst lessen op de ontelbare terrasjes.
Op het plein bij de Duomo wappert een Palestijnse vlag aan het gemeentehuis. Voor de deur staat een groepje jongeren bij twee op de grond liggende spandoeken met foto’s van schimmelige douches en andere viezigheid. Een van de protesterende meisjes vertelt dat er al tien dagen geen water is in hun studentencomplex, en dat de gemeente er niks aan wil doen. Er kan niet gedoucht worden, wat bij temperaturen boven de dertig graden onprettig is, en bovendien woekert de schimmel en kan ook de wasmachine niet draaien. Omdat de gemeente niet thuis geeft, zijn ze naar het plein gekomen om te protesteren. De toegang tot het stadhuis wordt geblokkeerd door een aantal carabinieri, maar die kijken eerder vriendelijk dan dreigend. Een van de jongens draagt een t-shirt met op de rug: ‘from the river to the sea, Palestine will be free’.

Het is maandag. De Uffici is gesloten. Dat helpt tegen de keuzestress, want nu hoef ik niet te kiezen of ik uren in de rij ga staan om daarna moeizaam tussen de hoofden en schouders van mijn medebezoekers een glimp van ‘de geboorte van Venus’ door Botticelli of de werken van Titiaan en andere grote schilders op te vangen.
Als alternatief is er een grote tentoonstelling van werk van Mark Rothko. Hij is beroemd geworden met zijn grote schilderijen met horizontale kleurvlakken, en de tentoonstelling belooft een overzicht van zijn ontwikkeling – hoe hij tot het vlakken schilderen gekomen is. Nooit waren er – zegt de aankondiging – zoveel schilderijen van hem bij elkaar te zien. Wij klimmen de trappen op van het Palazzo Strozzi voor de expositie. Hier geen rij, hier geen massa.
Na het bekijken van het werk uit de eerste periode van zijn schilderschap, draait mijn reisgenoot zich naar me toe en zegt met een enigszins verwonderde blik in zijn ogen: joh, die man kon niet schilderen! En ik ben geneigd hem gelijk te geven. Misschien komt het door de wijze waarop de werken zijn uitgestald – beroerde belichting – of door de hoeveelheid werken die wel heel erg hetzelfde zijn, maar er is weinig aan. De film die bij de tentoonstelling hoort vertelt dat Rothko zich heeft laten inspireren door Rembrandt en door Fra Angelico. Ik probeer het te zien, maar vergeefs.
Het ontroerendst zijn een groep volwassen mensen met het syndroom van Down, die op stoeltjes voor een van de werken zitten en bezig zijn met kleurkrijt en papier onder de liefdevolle zorg van begeleidsters. De mannen zijn een en al aandacht. Een van hen lacht naar me; zo’n lach waarbij een heel gezicht begint te stralen.
Op de terugweg komt er op de tolweg geen ticket uit de automaat. Daardoor kunnen we niet betalen. Dat is een probleem, want de Italianen zijn net zo scheutig met boete op boete als de Nederlanders, en bij pech kan een niet betaalde tol van 3 euro 10 oplopen tot een bedrag van 96 tot 334 euro. Thuisgekomen zoeken we de website van de autostrade op. De punto-service-punten waar je je voorheen met dit soort probleempjes kon vervoegen zijn sinds 2024 gesloten. Nu gaat alles per internet. We sturen dan maar een beschrijving van onze ervaringen bij de tolpoort, met de vraag hoe we ons probleem kunnen oplossen. De volgende dag krijgen we antwoord van het info@ adres: ze streven ernaar 80 procent van de binnenkomende meldingen binnen 10 werkdagen te antwoorden. Om een boete te voorkomen heb je 14 dagen de tijd om te betalen.

(afbeelding: kopie van Michelangelo’s David, voor het Palazzo Vecchio, Florence)

Brief uit Val Paraone, Savona

Terwijl in Nederland vuurwerk door de brievenbus van het D’66 kantoor wordt gepropt; ‘bezorgde burgers’ er geen been in zien brand te stichten in een opvang voor vluchtelingen en de brandweer tegen te houden als die wil komen blussen, en Premier Rob tijd blijkt te hebben om bij Bonaire in zee te zwemmen (waar een zeedier voor ons de honneurs waarneemt en hem prikt tot hij onwel wordt), zit ik aan een met zonnebloemenkleed bedekte tafel in een gehucht in Ligurië, Italië.
Het is bewolkt en fris, maar aan de schaduwen op het hellende weggetje naar het volgende huis zie ik dat de zon zich door de wolken weet te stralen. Het terras waar ik op zit hoort bij een huisje dat we voor een weekje huren in een dorp van 400 inwoners, in de heuvels, bergen van de Italiaanse Voor-Alpen. De borgo ligt aan de Strada Provinciale 35, een smalle geasfalteerde weg die op loopafstand van het huisje overgaat in een zandpad. Het is er stil, op vogelgeluiden na en af en toe een flard Italiaans uit een van de huizen rond ons optrekje. Het landschap bestaat uit glooiiende hellingen en het uitzicht is prachtig: beboste heuvels met af en toe een gehucht met een kerkje dat boven de rozigrode daken uitsteekt. Klokken klepperen vanuit verschillende torentjes de uren weg.
Bij aankomst worden we begroet door Sabrina en Flavio, die in een huis aan de andere kant van de straat wonen en onze gastgevers zijn. Op tafel in het huisje staan ter verwelkoming een schaal citroenen van eigen boom, een flesje olie van eigen olijven (met een geborduurd etiket aan de hals gebonden waarop ‘our oil’ staat) en een vaasje met artisjokken. In de houtkachel brandt een vuurtje, want het kan fris zijn ’s avonds. Flavio komt met een arm vol hout die hij in een kist naast de kachel legt, voor als we het nodig hebben (nog niet).
Het dorpje is een mengsel van oude en nieuwe huizen. Omdat deze streek aan het verarmen was (is?) hebben de bewoners een Europese subsidie kunnen aanspreken om de berggemeenschapjes te redden en moderne huizen te bouwen met waterleiding en riolering. In het dorpje nog sporen van voor die tijd: op verschillende plekken waterpunten die nu in onbruik zijn geraakt. Sabrina vertelt ons dat we het water uit de kraan kunnen drinken: het komt rechtstreeks uit de bergen. Bij een verlaten huis in de buurt komt onder onze voetstappen het kruid in de voortuin tot leven en vult de lucht zich met de geur van tijm.
Gisteren, tijdens een wandelingetje, behalve wat droog aandoende aardappelveldjes, ook olijfboomgaardjes, goed onderhouden perzik- en vijgenbomen, verwilderde kersenbomen en andere sporen van wat ooit een gemeenschap van zelfvoorzienende keuterboertjes moet zijn geweest. Veel overwoekerde terrasjes. Ritselende waterstroompjes. Ik zie voor het eerst olijven-in-de-dop aan de bomen, en ook aan de druivenplanten beginnen de vruchten al te groeien. Op en rond de paadjes in het bos sporen van dieren die aan het wroeten zijn geweest. Een man en een vrouw werken in hun veldje, ze wensen ons vriendelijk ‘una bella passeggiata’.

Vanuit Marseille volgden we eerst een weggetje dat zich door de heuvels slingerde, met afwisselend zicht op de Middellandse zee en dichtbeboste hellingen. Hoewel dat prachtig was, zijn we voordat we verzeild zouden raken in de Côte d’Azur van Saint Tropez, Cannes Nice en Monaco op tolwegen (met veel tunneltjes) verder gegaan richting Italië. De kust tussen Marseille en de Italiaanse grens lijkt – op het natuurreservaat waar we ons doorheen kronkelden – volledig overgeleverd aan het toerisme: van hoog boven de kust zien we niets dan hoteltorens, haventjes met jachten, cruiseschepen. Ik las over protesten tegen cruiseschepen omdat ze zo vervuilend zijn, en vermoed dat ook in Marseille wel geprotesteerd zal worden tegen de drijvende toeristeneilanden die er aanmeren. Elke avond zag ik er een of twee uitvaren. Ik moest denken aan de serie artikelen die ik las van Jonah Falke die met zo’n cruise meegaat en zijn ervaringen deelt. Je bent, ondanks alles, toch nieuwsgierig hoe het is, zo’n cruise, en als men me zou vragen om, net als Jonah, een reisje mee te maken en er verslag van te doen, zou ik ook geen nee zeggen. Al zien die grote witte drijvende ’s avonds helverlichte afgeknotte piramides vanuit de hoogte van de heuvels van Marseille er niet per se aantrekkelijk uit.
Eenmaal in Italië blijft de kust volgebouwd, maar minder dicht, en hoe dichter we bij onze bestemming komen, hoe minder hoteltorens ik zie. Een stuk van de weg voert langs aan de ene kant van mijn blikveld een helderblauwe zee, en aan de kant besneeuwde bergtoppen – nogal in de verte maar toch. Het gaf me een onmetelijk rijk gevoel: dat ik hier ben, tussen zee en bergen, voortrijdend naar het nog ongeziene.

Ligurië is een belangrijk economisch centrum. Toerisme is de belangrijkste sector, ‘miljoenen bezoekers worden aangetrokken door de prachtige kusten, de authentieke dorpjes en het rijke culturele erfgoed.’ Genua (onze volgende bestemming), San Remo (art nouveau casino) en Portofino (glamour en glitter en luxejachten) zijn populair. Ook is er scheepsbouw, chemische industrie en metaalindustrie. (Waar we godlof in ons dorpse lustoord niets van merken).
De haven van Genua is de grootste van Italië (daar merken we straks misschien wel wat van. Ik vind haven interessante, rare plekken, tussengebieden gewijd aan de god van de bedrijvigheid, en meestal met oude wortels waarvan je je, als je je best doet, best een voorstelling kan maken. Ik ben ooit in de haven van Jakarta scheepgegaan op een veerboot, dat helpt).
Producten als olijfolie, wijn, fruit en groenten dragen bij aan de welvaart van de regio, al merk je die niet echt, hier in het dorpje, dat er, op de geparkeerde auto’s na, in de middeleeuwen ongeveer hetzelfde moet hebben uitgezien. Misschien iets minder hoge huizen, misschien iets meer geiten, iets meer volk ook, werkzaam op de uitgehakte terrasveldjes, maar verder heb je niet echt veel fantasie nodig om de ezelkarren over de paden te horen rammelen, en de vrouwen met manden fruit op hun rug richting de kust te zien lopen om handeltjes te drijven.
Ligurië dus, het commerciële en industriële hartland van Italië. Met pittoreske havenstadjes, middeleeuwse bergdorpjes en parelwitte stranden. Die hagelwitte stranden en die jachthaventjes laten me min of meer koud. Ik word warmer van de beboste hellingen en de gehuchten en de stilte die hier hangt. In een blog over de Ligurische keuken lees ik dat die ‘authentiek en uitmuntend’ is. Het schijnt dat Italianen – de dorpse, eenvoudige variant – over het algemeen gezonder ouder worden vanwege de zongerijpte tomaten en andere groenten die ze eten en de overal overvloedig overheen gesprenkelde extra vierge olijfolie, uiteraard koud geperst.

In Marseille zochten we een plek om Bouillabaisse te eten, de echte, traditionele. Er zou een klein vissershaventje zijn aan de rand van de stad waar ze nog de originele, volgens overgeleverd familierecept etc… Dat moet echter in vervlogen tijden geweest zijn. Het haventje is er nog, vol kleine jachtjes, en rondom zoveel mensen dat ik moet denken aan zo’n strooplint dat vliegen vangt. De sfeer is er best prettig, de mensen uitgelaten en blij gezeten aan hoge ronde tafeltjes, met voor zich een bier (de mannen) of een aperol spritz, met schijfje sinaasappel en een rietje (de vrouwen), maar het is er wel heel erg druk. Je hoeft bij wijze van spreke, alleen maar je nek een beetje uit te streken om het glas van je buurvrouw via dat rietje leeg te drinken.
Volgens Chedli, de verhuurder van ons Tiny House, hadden we niets gemist, wat betreft die vissoep, en konden we die maar beter uit ons hoofd zetten. Want wat van oudsher een armeluisgerecht met visresten in van graten, koppen en staarten getrokken bouillon was, is een op toeristen gerichte luxeproduct geworden, waar je teveel betaalt voor te weinig. We grasduinen nog wat in menukaarten van bistro’s en andere eetgelegenheden, maar eten uiteindelijk Koreaans in een achterafstraatje van de Court Julien, het Quartier Latin van Marseille, met restaurantjes, bars, bedelaars, stoepslapers en muren volgespoten met grafitti.

Tegenover me zijn twee vrouwen hun planten rond het terras aan het opbinden, terwijl ze rustig met elkaar keuvelen. Rond hen huppelt een hond met een belletje om zijn nek. Om bij ons optrekje te komen moet je een trapje af langs een muur waar tussen de natuurstenen vetplanten groeien. Alles is hier steil, dus zijn er overal trappen en trappetjes. De postbode komt langs in een geel hesje. Enthousiast begroet ze de hond met het belletje. Er is nu een jonge man aangekomen die omhoog en omlaag sjouwt met planten en aarde.
Wij doen een wasje in de wasmachine en maken een uitstapje naar Albenga, aan de kust.

We parkeren in een niet al te aantrekkelijke buitenwijk tegenover een supermarkt (Intermarché locale) waar ik later verse gnocchi en echte pesto koop voor het avondmaal. De mensen in de buurt van Genua nemen hun pesto serieus. De beste wordt gemaakt met basilicum uit Pra, dat ten westen van Genua ligt en die is mild en zoet, met de beste pijnboompitten, olie van de taggiasca olijf en met vessalico knoflook. Alle ingrediënten tot een fijne saus gestampt in een marmeren vijzel met een houten stamper.

Het centrum van het stadje is oud. Albenga werd al door pre-Romeinse stammen bewoond. Ik moet er nog even aan wennen dat ik in Italië ben, het thuisland van de Romeinen, waar het dus heel gewoon is dat die er sporen achterlieten, zoals hier niet ver vandaan een van de oude via’s – de Via Julia Augusta – die het stadje verbond met zuid Frankrijk en met Spanje.
Hoge, vierkante middeleeuwse torens rond een pleintje. Een van de torens wordt met dikke banden die lijken op riemen die vrachtwagenchauffeurs gebruiken om hun lading mee vast te sjorren bij elkaar gehouden. Bij de torens een kerkje (Albenga had in de 5de eeuw een bisschop en was in de laatantieke tijd een belangrijke haven- en handelsplaats). Die kerk is van binnen een interessante mengeling van zichtbaar oude fundamenten en bogen, en minder oude heiligenbeelden. In een soort vitrine onder een altaartje is het lichaam van Christus uitgestald, druipend van het bloed uit zijn kruisigingswonden; verderop verschijnt Maria in een grot die lijkt te zijn gemaakt van papier maché aan Bernadette of een andere heilige.
Langs de kerk lopend komen we bij een gebouw dat in de grond weggezakt lijkt. Het is afgesloten met een hek, maar we hebben geluk: er staan een paar mensen binnen rond een vrouw met een sleutel in de hand. De mensen gaan vrij snel weg, maar wij mogen blijven kijken. Het is een wonderschoon baptisterium uit de vijfde/zesde eeuw dat heel goed bewaard is gebleven. Behalve dan de originele dakbedekking, die de restaurerende Portugese architect in de 19de eeuw voor nep aanzag en dus heeft vervangen, vertelt de Italiaanse met de sleutel, maar ik begrijp pas echt wat ze zei als ik het later nalees.
Middenin bevindt zich nog het bassin waarin de dopeling in zijn geheel werd ondergedompeld. In een van de nissen een geweldig mozaïek in overwegend blauw en wit met wat goud, van twee lammeren in een bloeiende weide aan weerzijden van een kruis. Erboven een cirkel van twaalf duiven rond het Christusmonogram. Op een stenciltje in het Duits lees is dat de lammeren het gelovige volk zijn in de weide die het paradijs symboliseert en het kruis het offer van de heiland. De duiven staan voor de apostelen en de heilige geest.
In hetzelfde stencil staat ook dat de kapel niet weggezakt is, maar op laatantieke straathoogte staat en de rivier die door de stad stroomde in de middeleeuwen zijn loop heeft verlegd, waardoor de haven van Albenga dichtslibde. De stad deed onder eigen vlag mee aan de eerste kruistocht, maar na de middeleeuwen was het gedaan met de glorie, en in de moderne tijd is Albenga nooit zo’n bloeiende badplaats geworden dan andere plaatsen aan de Italiaanse Rivièra. Het zal voor de van toeristen levende bewoners een bittere pil zijn, maar ik ben er stiekem wel blij om.

(afbeelding uit kerkje in Albenga, mei 2026)

Brief uit Marseille

Ik zit op de veranda van een houten tiny house, in het voorjaarszonnetje. Om me heen bomen, bloemen en moestuinterrasjes. Aan mijn voeten een aanhalige kat met drie poten. Beneden me weet ik Marseille. De stad die op onverklaarbare wijze tot mijn verbeelding spreekt. Door de bomen zie ik de Mediterranée. Twee enorme kranen die de containers van schepen lossen aan een lange pier. Ik kijk uit op het noordeinde van de baai, waar de bedrijvigheid die niet per se toeristisch is zich afspeelt. Gister zagen we drie grote boten vertrekken, veerboten denk ik, hun toeters schalden een melancholisch afscheid over het water. Twee cruiseschepen liggen als witte schiereilanden in de daartoe aangewezen haven.De geluiden van de stad dwarrelen omhoog naar mijn heuvel: claxons, een trein die voorbijkomt, nondescript geroezemoes van duizenden mensen.
Marseille is onze laatste stop in Frankrijk. Via Reims, de Morvan, Lyon en Avignon zijn we hier beland. Veel kerken, kathedralen, baselieken gezien. Kunst van Cézanne, Degas, van Gogh tot Botticelli en 12de eeuwse meesters. Veel ook van wat ik gemakshalve samenvat onder de naam ‘ancient rubble’: al dan niet door de tijd aangetaste overblijfselen van de Romeinen. Al zijn ze gladgestreken beschadigd, ik hou ervan!
Gisteren bezochten we de oude haven, een inham in de baai, nu vol met zeilboten en jachten, met aan weerskanten de verworvenheden van het moderne toerisme: bistros, cafes, pubs, hotels, souveniershops en zeepwinkels. Marseille is beroemd om haar zeep, naar het schijnt. Met 72% olijfolie. Vet ontvetten met vet. Je moet het maar verzinnen.
We varen met een veerbootje van de ene kant van de haven naar de andere kant. Een rondborstige kapitein rekent 50 cent per passagier.
Ik sla alles in me op, maar ik zie wat anders: ik zie hoe uit grote schepen met de hand de koloniale kostbaarheden worden gelost door sjouwers, aangespoord door voormannen met haast. Ik zie dames met parasolletjes die hun nieuwsgierigheid niet kunnen bewingen en zich tussen het werkvolk wagen. Ik zie een rij geketende mannen die naar de galleien of de verbanning worden gedreven. Ik hoor nog vaag de stemmen van de kruisvaarders van de orde van Johannes, die in het fort Saint Jean links aan het havenhoofd zetelden, ze worden bijna overstemd door het geschreeuw van de revolutionaire meute die eind 18de eeuw vanuit het fort de guillotines voedden.
Ik zie Edmond Dantès, de latere graaf van Monte Christo na het verraad weggesleept worden naar de krochten van Chateau d’If, het gevangeniseiland vlak voor de kust van Marseille. Ik had niet gedacht dat het zo dichtbij lag. Het is een klein eilandje, met een bunkerachtig gebouw erop, en in de rotsen uitgehakte kerkers. Daar kwijnt de onschuldige Edmond weg, tot hij via een slimme list weet te ontsnappen, een schat zoekt en vindt en terugkeert naar Marseille om genadeloos wraak te nemen op zijn veraders. Ter voorbereiding zette ik de roman van Alexandre Dumas over de onfortuinlijke Edmond en zijn wraakoefeningen op mijn e-reader, en het is precies de juiste lectuur voor hier.
Je kunt met een veerboot naar het gevangeniseiland, maar daar zie ik vanaf. De verbeelding moet in sommige opzichten aan de macht blijven. Onze held Edmond is tenslotte een romanfiguur!
Ik lees dat Dumas père, de schrijver, het plot van de Graaf van Monte Christo deels uit gevangenisarchieven heeft opgeduikeld, en dat hij een gemakzuchtig schrijver was, die grote delen van zijn werk door anderen liet schrijven, die hij ook nog opjoeg om voort te maken. Oorspronkelijk verschenen als een krantenfeuilleton, elke dag een stukje, de lezers hingen van ver buiten de Franse landsgrenzen aan zijn lippen.
Het is leesvoer om te smullen, en je kan het zonder kouwen broksgewijs doorslikken.
Ook zie ik Varian Fry, leunend tegen de muur van het fort, wachtend op een handlanger die hem uitreisvisa voor zijn beschermelingen brengt. Fry was een Amerikaan, die na de capitulatie van Frankrijk via, of eigenlijk beter ondanks, het in de VS gevestigde ‘Emergency Rescue Committee’ in Marseille de groten en minder groten van de Franse culurele en literaire elite probeerde te helpen de nazi’s te ontvluchten. De vluchtroute loopt over de Pyreneen, en Walter Benjamin is een van de ‘clienten’. Als hij, puffend, de tocht onderneemt, onder begeleiding van Lisa Fittko, een Hongaars-joodse verzetstrijdster die met Fry samenwerkt, blijkt dat precies die dag Spanje de grens heeft gesloten. Benjamin, toch al zwaarmoedig, is ten einde raad en maakt die nacht een eind aan zijn leven. De volgende dag gaat de Spaanse grens weer open. Het manuscript dat Benjamin meedroeg in een aktetas wordt gered.
Fry huurde even buiten Marseille de villa Bel Air, waar Andre Breton en andere surrealisten vaste gast zijn, waar Chagall en Hannah Arendt op hun vlucht voor de nazi’s langskomen. De villa bestaat helaas niet meer. Varian Fry en zijn helpers (onder andere ook Mary Jayne Gould – een Amerikaanse die het geld van haar superrijke vader ter beschikking stelt) zijn sowieso ondergewaardeerd, al is er nog niet zo lang geleden een tv serie over hen gemaakt. Maar tv series doen door de bank genomen geen recht aan een werkelijkheid waar moed en wanhoop hand in hand gaan.

(Afbeelding: ‘de strijd gaat door’, poster gezien in MuCem, Marseille)