Jeroen van Merwijk Memorial Day

Jeroen van Merwijk verliet het aardse op 3 maart 2021. Hij was beeldend kunstenaar, schrijver en maker van grappige, poëtische en satirische liedjes. En hij was mijn neef.
Ik kende Jeroen als een gul mens, iemand die een ander wat gunde. Hij verkocht – aan het begin van zijn carrière als cabaretier – een lied aan een meer gearriveerde artiest. Hij kreeg er 500 gulden voor. ‘Vijfhonderd gulden’, zei hij, ‘voor een lied!’. Hij maakte het geld over aan Amnesty International.
Hij werkte mee aan de eerste Gutmensch Scheurkalender: ‘Natuurlijk doe ik mee’, zei hij, het is een onderneming van jou, dus dan steun ik dat.’ Ik glom van plezier, dat spreekt.
Het leverde mooie blaadjes in de kalender op.
Toen we werkten aan de tweede editie van de Scheurkalender, die van 2022, leefde Jeroen niet meer. We wilden in die kalender een eerbetoon brengen. Aan Jeroen, en aan het geweldige arsenaal aan teksten dat hij heeft nagelaten.
Zijn weduwe stak daar een stokje voor. Er was nou wel genoeg gratis weggegeven, vond ze. Het was de hoogste tijd om al dat talent nou eens om te zetten in klinkende munt. Het was niet zozeer dat we te krenterig waren om te betalen, het was meer dat echt niemand die een bijdrage aan de Gutmensch Scheurkalender leverde, daar geld voor kreeg (of vroeg). Dus het zou echt een beetje raar zijn geweest als we de weduwe, als een soort zetbaas, zouden betalen voor werk van Jeroen. Enige en algemene erfgenaam of niet.

We riepen de Jeroen van Merwijk Memorial Day in het leven, en sierden het kalenderblad van 3 maart in de twee jaar dat we de Scheurkalender nog maakten, met rechtenvrij ‘familiebezit’.
Wij herinneren ons Jeroen hoe hij was: gul, groots en gedreven door zijn drang om het leven zin te geven door schoonheid te scheppen.


Blaadje uit de Gutmensch scheurkalender  – 2 november 2021 – fragment uit het lied: Nog altijd ben je dood, Jeroen van Merwijk, 1998

In tijden van oorlog dicht

In tijden van oorlog dicht
men niet, men gilt met de kogels 
fluit met de wind, kijkt: het gras, zo groen nog.

Verzamelt, kleine dingen, een deken 
trui, een boek misschien, een tas, draagbaar 
zonder belasting van schouders, rug 
de beste schoenen, zonnehoed.

Sentimenten te zwaar
geheugen niet te dragen
herinneren zal vanaf vandaag 
uit den boze zijn.

Het vuur geeft geen licht 
verwarmt bonen 
uit blik, geen botten.

Een man, hoofd in handen 
handen verdwijnend in vuisten
vuisten gebald, verbeten 
tandeloos de mond.

Alleen in taal kan ik me tot hem bekennen.
Alleen in woord heb ik hem lief.

In de stad het donker vol 
rook die ruikt naar bloed, geen water geen licht 
alleen heimwee wordt gevoed
hoon en haat.

In tijden van oorlog dicht men niet, 
kogels gillen als de wind fluit 
door het gras ruikt naar hooi


Saskia Kunst


De apen van Brel

Ik las ergens dat Jacques Brel geen geëngageerde zanger zou zijn. Nou heeft uiteraard (bijna) iedereen recht op een eigen mening, maar dat Brel niet geëngageerd zou zijn is echt wel flauwekul. Je hoeft hem maar een keer te zien en horen zingen en je weet: die man is de betrokkenheid zelve. Hij kan verlatingsangst, liefdesverdriet, ontrouw en de gebreken van het ouder worden fraai vertolken, maar haalt ook met gemak uit naar de bourgeoisie of degenen die menen boven anderen gesteld te zijn. Neem bijvoorbeeld: les signes de mon quartier…

les signes de mon quartier Jacques Brel

Dit is wat hij – bij benadering zingt:

De Apen

Lang voordat ze kwamen, de ellendelingen,
waren wij, de bloemen en de vogels gelukzalig vrij
Maar sinds zij kwamen, zitten bloemen in een pot
en vogels in een kooi, en bepalen zij ons lot
want zij bedachten schuld, cachot en strafblad
en begluurden ons door elk sleutelgat
ze kortwiekten de taal met hun censuur
en noemden dat beschaving

De apen, de apen
de apen, hier uit de buurt
de apen, de apen
de apen, hier uit de buurt

Voordat zij kwamen waren er geen zorgen
zelfs in de vastentijd was er fruit voor iedereen
maar toen kwamen zij met hun intolerantie
aan elke onverdraagzaamheid een einde maken
ze joegen op de Albigenzen [Katharen]
op de ongelovigen en op maakt niet uit wie
op de brave apen, die zelf niet aan jagen doen
en noemden dat beschaving

De apen, de apen
de apen, hier uit de buurt
de apen, de apen
de apen, hier uit de buurt

Voor zij kwamen was de man een prins
de vrouw een prinses, de liefde een tuin
maar sinds zij er zijn is de prins een bedelaar
de tuin is verdord en de prinses biedt zich aan
want zij, zij maakten van liefde een zonde
een transactie, met maagden als handelswaar,
het recht van de eerste nacht en de hoerenmadam
en noemden dat beschaving

De apen, de apen
De apen, hier uit de buurt
De apen, de apen
De apen, hier uit de buurt

Voordat zij kwamen was er vrede op aarde
op elke tien socialen was er maar een soldaat
Toen kwamen zij en sloegen er op los,
verdreven met geweld de redelijkheid
Zij, de bedenkers van ijzeren speren
van gaskamers en de elektrische stoel
van napalm en de atoombom
en noemen dat beschaving

De apen, de apen
De apen, hier uit de buurt
De apen, de apen
De apen, hier uit de buurt

Wij kunnen niet wachten

Nee we gaan niet zitten wachten.
Wachten is wat paljassen doen
tot het moment van de grande finale,
dan steken ze hun borst vooruit,
zetten hun schouders eronder, en rukken op.

Nee, wij wachten niet. Niet zoals de jager
lafhartig op zijn hoog plateau, die aanlegt, richt, 
en schiet met scherp op een graspol - men draagt
dat camouflagepak tenslotte niet voor niets.

Wij doen niet aan wachten. Wij nemen de donder 
voor lief, de regen een welkome sluier.
Wij gedijen op onraad, hoe smaller het pad
hoe groter de stappen. Wij bedaren niet
op een windvlaag, gaan niet liggen voor de storm.

Kleinduimpjes zijn we, op fluwelen slippers, 
vol dromen grootser dan de dageraad.
Wij benutten verkeken kansen,
spuiten slogans op luchtkastelen
en zeulen blijmoedig koffers ballast mee.

Tekst: Saskia Kunst/afbeelding: Athene 2015