Waarom ik bij het bezoek van Reza Pahlavi aan Ulrike Meinhof moest denken

 Door het bezoek van de Iraanse oud-kroonprins Reza Pahlavi moest ik denken aan Ulrike Meinhof. Hoe dat zit komt later. Eerst een beetje achtergrond en context.

Ulysse Ellian, geboren in 1988 in Kabul, Afghanistan is sinds 2021 lid van de Tweede Kamer voor de VVD. Hij kwam in 1989 met zijn Iraanse vader Afshin naar Nederland, waar het gezin politiek asiel kreeg. Vader Afshin, nu hoogleraar aan de rechtenfaculteit in Leiden en columnist voor Elsevier, is door de oud-kroonprins in maart 2026 benoemd tot lid van het Iraanse overgangscomité voor justitie, voorsorterend op een glorieuze terugkeer van de dynastie met, net als in 1953, hulp van de Amerikanen. Zoon Ulysse nodigde vanuit zijn positie als Tweede Kamerlid Reza Pahlavi uit voor een bezoek aan het parlement. Omdat niet iedereen zo enthousiast is over het bezoek van de wannabe sjah, werd hij ingebed in een breder programma, waar hij in een besloten commissie mocht spreken.

Reza Pahlavi is de zoon van Mohammed Reza Pahlavi, formeel de laatste sjah van Perzië, nu Iran. Mohammed volgde zijn vader op, een gewone man die groot geworden was in het leger, en zich na een coup door het parlement tot sjah liet uitroepen (1925). Opa moest in 1941 het veld ruimen omdat hij iets te vriendschappelijk omging met nazi-Duitsland. Zijn zoon mocht de pauwentroon overnemen, maar moest de absolute macht delen met het parlement.
Mohammed Mossadegh, sinds 1923 parlementslid, werd in 1951 gekozen tot premier. Omdat hij de olie-industrie van Iran wilde nationaliseren en de corruptie wilde aanpakken, werd hij afgezet in een door de CIA gesteunde coup.
Na die coup bleef Mohammed Reza het hoofd van een militaire regering. De olie bleef in handen van de grote oliemaatschappijen. De geheime politie hield mogelijke tegenstanders in het gareel.
In 1967 liet Mohammed Reza, die steeds meer macht naar zich had toegetrokken, zich kronen tot sjah. Op een staatsieportret bij die gelegenheid gemaakt zie je kroonprins Reza, toen 7 jaar oud, in militair uniform voor zijn vader en moeder staan. De gouden epauletten op zijn schouders bijna net zo groot als zijn hoofd.
De islamitische revolutie maakte een eind aan de heersersdroom van de Pahlavi’s. In 1977 vertrok Reza naar de VS. Twee jaar later volgden zijn vader, en zijn moeder, die Farah Diba heette en zich keizerin liet noemen.

Farah Diba, die de plaats van de kinderloze Soraya, de eerste vrouw van Mohammed Reza, had ingenomen, was populair zoals mooie vrouwen getrouwd met machtige mannen en met een tot de verbeelding sprekende titel populair zijn. In 1967 bracht het echtpaar Pahlavi een bezoek aan Berlijn. Ter gelegenheid van dat bezoek, omstreden vanwege de zelfverrijking van de sjah en de martelpraktijken van zijn geheime politie, verscheen er een verhaal in het boulevardblad Neue Revue waarin Farah Diba vertelt over het leven in Iran in Marie Antoinette-stijl: hoe druk haar man het heeft, hoe de Iraniërs verpozen aan het strand, hoe goed het gaat in Iran onder de bezielende leiding van haar man en haar verdere sprookjesleven.
Ulrike Meinhof, de gevierde journaliste van het linkse blad Konkret, schreef als reactie op die artikelen een open brief aan Farah Diba, waarin zij op vriendelijk superieure wijze de vloer aanveegt met Farahs geprivilegieerde oneigenlijke weergave van de verdiensten van haar man en het leven in Iran onder zijn dictatuur.

Tegen het dictatoriale bewind van de sjah en de mensenrechtenschendingen onder zijn bewind werd tijdens zijn bezoek massaal gedemonstreerd. In West-Berlijn liep dat finaal uit de hand. De politie sloeg er genadeloos op los. De student Benno Ohnesorg werd door een politieagent doodgeschoten. Het optreden van de politie joeg de woede van de antifascisten in Duitsland aan. De gevierde vriendschap met een dictator bevestigde voor radicaal links dat de macht in Duitsland nog altijd in handen was van nazi’s.

Na de dood van Ohnesorg (2 juni 1967) radicaliseert de Duitse APO – de buitenparlementaire oppositie.
Ook Ulrike Meinhof radicaliseert. Na de scheiding van Klaus Rohl, die als hoofredacteur van Konkret een Ulrike onwelgevallige kant op wil, verruilt ze in 1969 het tijdschrift voor de TV, en Hamburg voor West-Berlijn. Een jaar later neemt ze deel aan de bevrijding van Andreas Baader en wordt mede-oprichter van de Rote Armee Fraktion.
Zo is er een lijn te trekken van het bezoek van de sjah in 1967, via de dood van Ohnesorg naar de oprichting van de RAF tot de Duitse Herfst van terreur, stadsguerrilla en staatsterreur. En zo kwam het dat ik dacht aan Ulrike, toen ik de oud-kroonprins zo vriendelijk ontvangen zag worden door Ulysse Ellian en zijn vrienden.

Vlerkje de vleermuisbaby

Vlerkje

We zitten rond een uur of tien in de avond – het is eindelijk zover afgekoeld dat het aangenaam is op ons terras – wanneer er iets in strijkvlucht op onze rubberen terrasmat ploft.
‘Wat is dat?’
‘Een tor, een dikke langpootmug? Doe de deur maar dicht.’
Niet veel later beweegt er een donker dingetje op de mat. We buigen ons eroverheen: het is een vleermuis! Ongeveer vijf centimeter, alles erop en eraan: kopje, oortjes, oogjes, bekje, pootjes, vleugeltjes. Piepjong is ie, zo jong dat hij nog niet goed kan vliegen. Per ongeluk van zijn moeder afgevallen.
Vleermuizen krijgen levende jongen, die ze zogen en die vastgeklampt aan mama mee uit jagen gaan.
S raapt het diertje voorzichtig op. Het ligt kalm in de palm van zijn hand, zijn kleine pootjes naast zijn lijfje. Hij maakt zachte piepgeluidjes. We noemen hem Vlerkje, want onze onvoorziene gast hoort direct een beetje bij ons. S aait hem zachtjes over zijn ruggetje, waardoor hij kalmeert en zelfs in slaap lijkt te vallen.
Maar wat doe je met een babyvleermuis? Wat moet hij eten? Drinkt hij water? En waar laat je hem?
Google zegt dat vleermuizen in Slovenië beschermd zijn, en dat je een kleine vondeling zo snel mogelijk aan moet melden bij de professionals. Dat willen we met plezier doen, maar waar vind je die professionals?
We lezen verder: je kunt het diertje voeren met glucosewater en met water aangelengd kattenvoer. Kom er maar om, het is inmiddels half elf ‘s avonds in een dorpje op een half uur rijden van Ljubljana.
De kleine Vlerk is een levendig diertje. Hij verkent de hand van S en probeert zijn vleugeltjes: doorschijnende schermpjes met aan het uiteinde een extra teentje. Hij piept nog steeds aandoenlijk. We proberen een paar adressen te bellen, maar de telefoon maakt geen verbinding met de gekozen nummers, of er wordt niet opgenomen.
We sturen tegen middernacht een mail naar het enige mailadres dat we kunnen vinden, met de vraag wat we kunnen en moeten doen met Vlerkje.

Je moet een vondeling op een hoge plek zetten, waar het donker is, zodat zijn moeder hem terug kan vinden, lezen we. Dat klinkt logisch, al voelt het niet prettig zo’n wurm helemaal alleen op een dak achter te laten. We klimmen bij het golfplaten afdak boven ons terras op een ladder, zetten Vlerkje op een plank waar hij ook onder kan schuilen als het moet, en schuiven hem voorzichtig naar het midden. (Bij ons verblijf is de open parkeerplaats annex hobbyschuur van de eigenaar, daarin vinden we trapleer en plank).

De volgende ochtend ligt Vlerkje nog steeds op de plank. Hij is niet meer zo beweeglijk, maar er zit overduidelijk leven in het diertje, al piept hij niet meer. We zetten hem in de doos van de waterkoker, met het deksel van een jampot met wat water erin (hij zal wel dorst hebben) en leggen wat proppen keukenpapier in de doos. Daar kan hij zich aan vast klemmen.
Maar wat nu?
Gelukkig krijgen we antwoord op onze middernachtelijke email, die naar de lokale dierentuin bleek te zijn gestuurd. Ze verwijzen ons naar twee adressen, een van een vleermuizenopvang in Oostenrijk, en een van de exotische dierenopvang van de Universiteit van Ljubljana. We moeten vandaag toch richting Oostenrijk, dus de dierenopvang daar is een optie, maar we maken ons zorgen over Vlerkje: zal hij de tocht naar Oostenrijk overleven? Dat is zeker wel twee, twee-en-een-half uur rijden. En al vanaf 10 uur gisteravond heeft hij niks te eten en niks fatsoenlijks te drinken.
Dus kiezen we voor de exotische dierenopvang.
Het opgegeven adres blijkt een dierenartsenpraktijk, waar het meisje achter de balie ons doorverwijst naar drie gele gebouwen, ongeveer 100 meter verder. Van die drie gebouwen moeten we het meest linkse hebben. We rijden het terrein op. Er staan een heleboel auto’s geparkeerd, maar er is niemand te bekennen. Alle deuren in het meest linkse gele gebouw zijn dicht.
In een ander geel gebouw zit een vrouw achter de balie, zij wijst ons terug en zegt dat we eerst een deur door moeten, dan een wachtkamer door, en dan kloppen op de volgende deur.
Dat doen we. Een ernstig kijkende vrouw steekt haar hoofd om de hoek: ‘Ja?’
‘We hebben een babyvleermuis gevonden.’
De vrouw wil in een reflex naar het formulier wijzen dat op een tafel in de wachtkamer ligt, maar heeft dan door dat we buitenlanders zijn, zegt: ‘wacht maar even’, en trekt de deur weer dicht. Wij blijven wat verbouwereerd achter.
Niet lang daarna is ze terug. Ze kijkt naar Vlerkje in zijn doos en haalt hem er voorzichtig uit. Zacht zegt ze lieve dingen tegen hem.
‘Wat is ie nog klein’, zegt ze tegen ons.
Wij knikken alsof we de trotse ouders zijn.
Op het formulier wordt ingevuld waar en wanneer we Vlerkje hebben gevonden. De vrouw vraagt nog of we hem mee kunnen nemen naar de opvang in Oostenrijk, maar als wij zeggen dat we denken dat Vlerk direct hulp nodig heeft, kijkt ze nog eens naar het diertje en zegt: ‘ja, dat klopt, we nemen hem hoor.’
Vlerkje komt in een vleermuizencouveuse en krijgt glucosewater en surrogaat vleermuizenmoedermelk tot hij is aangesterkt. Daarna zal hij met lotgenootjes naar de opvang in Oostenrijk gebracht worden.
Opgelucht staan we even later weer buiten. We stellen ons Vlerkje voor in zijn couveuse, we hadden er graag naast gaan zitten, maar moeten helaas verder.

Brief uit Genoa

Waar ik altijd aan dacht als ik aan Genoa dacht – wat niet heel vaak voorkwam, was: Christofor Columbus, die hier geboren is; pesto, die hier is uitgevonden, en Ilja Leonard Pfeiffer, die hier is neergestreken, de liefde heeft gevonden en van de drank is afgeraakt.
Ter voorbereiding van het bezoek aan de havenstad probeerde ik Brieven uit Genoa van Pfeiffer te lezen. Waar ik na twee brieven mee ophield omdat ze me gedateerd voorkwamen. Daarna nam ik zijn La Superba ter hand, omdat ik las dat la Superba (de hoogmoedige, de trotse) de bijnaam is van Genoa. La Superba is een roman, waarvan ik nu een bladzij of vijftig gelezen heb. De beschrijvingen van de stad en de steegjes zijn leesbaar, maar de ontboezemingen van de ik-figuur over mooie en lelijke meisjes en vrouwen in het algemeen vind ik niet opbeurend en ook nogal oninteressant. Dat de protagonist een afgezaagd vrouwenbeen tegen het lijf loopt en mee naar huis neemt maakt dat ik het ergste vermoed over de rest van de roman.
Ik was nooit bijster geïnteresseerd in Pfeiffer, totdat ik hem met zijn lange haar en zijn kostuum en zijn dikke buik bij Zomergasten ontwapenend zag vertellen over dat hij als jongeling een eigen taal had verzonnen. Toen dacht ik, goh, ik ga toch eens wat van hem lezen. En dat is er nu dan van gekomen.
We zijn in Genoa neergestreken, niet ver van het centraal station, waar aan de voorzijde een reusachtig standbeeld van Columbus staat te pronken; en op een muur gespoten las ik: ‘eat pesto, hate tourists’.

De studio die we bewonen staat in een smalle steeg, waar bij aankomst een Italiaanse familie ergens achter een van de ramen luidruchtig feestviert. De panden zijn zeker acht verdiepingen hoog, en uit de ramen hangen lijnen met wasgoed, alsof alles erop gericht is om de clichés over een volksbuurt in een oude Italiaanse stad te bevestigen.
In de studio hangt de zware, verstikkende lucht van reukstokjes. Maar dat is niet het enige dat je de adem ontneemt: het hele studiootje is volgeplakt en volgehangen met kleurcirkels, sterretjes (die ’s nachts oplichten) en ‘leuke dingen’. Van boven tot onder zijn de muren versierd met grote en kleinere stippen in bonte kleuren, afgewisseld met sterren en omzoomd met regenbogen, onderbroken door opgeplakte plaatjes van vissen, vogels, palmbomen en kindertekeningen. Op de mosterdgeel geverfde kasjes in het keukentje zijn bloemen geplakt, en katten die aan hun nagels naar beneden glijden. Grote Keith Haring prenten aan de muur. (Keith Haring als graffiti op een stadmuur, oké, maar in je huiskamer: nee)
Er hangt een bordkartonnen anker aan de muur, er staat een vuurtoren met een lampenkap erop. Uit een toneellamp vloeit blauw licht. Op een plank staat een mand met dinosaurusjes en andere plastic diertjes. In de slaapkamer een tafelvoetbalspel. Het geheel doet denken aan een kinderkamer ingericht door ouders die het niet kunnen uitstaan dat hun kind nog steeds geen ADHD diagnose heeft, en het lot een handje willen helpen.
Maar wij zijn tevree, want het optrekje is op loopafstand van de binnenstad en de oude haven, die op het eerste gezicht levendiger is dan in Marseille, met straatmuziek en mensen die dingen verkopen; opvallend veel zwarte mensen (Pfeiffer schrijft dat ‘heel Afrika’ in de wijk van zijn vriend Rashid woont), die kleren hebben uitgestald op lappen op de grond, of achter een tafeltje met zonnebrillen zitten te hopen op een klant. Het voelt meteen als een smeltkroes, en wij zitten er middenin.
Op zoek naar lijnzaad om een darmverstopping die nare krampen genereert te verhelpen, ontdekken we dat de parkeergarage aan het eind van onze steeg toegang geeft tot een supermarkt, waar ze naast de gezochte biologische lijnzaad verder alles verkopen wat je maar nodig zou kunnen hebben. Het meisje achter de kassa heeft rozerood haar en gitzwarte aanplakwimpers van wel twee centimeter lang.

Onderweg van ons Borgo naar Genua, nog in voor-Alpen, kronkelde een slang over de weg. Zeker een meter lang, twee vingers dik en grijsgroen van kleur. ’s Nachts in de badkamer van onze studio lichten een plastic cactus en een flamingo je bij. Gisteren, laat in de avond, regende het dat het goot, compleet met donder en bliksem – die laatste kon je niet zien, want de steeg beneemt je elk uitzicht – wij zitten 1-hoog. Ik heb meelij met de mensen die vannacht op straat slapen, en naar het zich laat aanzien zijn er dat best veel in Genua, want we zien veel bedelaars (een oudere man bij de San Lorenzo; een zo op het gezicht wanhopige straatmuzikant op een trapje bij een andere kerk, een schreeuwende vrouw met een wild blaffende hond onder een viaduct, twee mannen – een Pool en een Bulgaar – bij een supermarktje). Genua heeft duidelijk vele gezichten en gaat moeiteloos van chique of quasi-chique over in armoedig en lichtelijk onguur (en stinkend naar pis).
Bij het station wordt iemand beroofd, een jongeman in een lichtblauw shirt rent razendsnel een trap op en een straat door, achtervolgd door de kreten van een groepje onduidelijke, Spaanssprekende figuren die er ook gisteren al bierdrinkend rondhingen.

Het door de verteller in La Superba gevonden vrouwenbeen heeft een kous aan, zo’n nylon geval dat ophoudt midden op de dij. Die kous wordt langzaam door de Ik van het been afgestroopt, wat zo opwindend blijkt dat hij klaarkomt en er een klodder sperma op het been terecht komt. Dat wordt samen met het been douchen om de sporen van contact weg te wassen. Ik denk aan andere verloren benen, die van Gaza, zoals beschreven in Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda en bijna leg ik het boek van Pfeiffer weg. Maar ik verman me, en lees vervolgens een beschrijving van Genua die me toch doet doorzetten. Het is een weliswaar een irritant geëxalteerde beschrijving, maar ik kan de man toch volgen in zijn enthousiasme. (Het door de Ik van Pfeiffer gevonden been wordt in een vuilniszak verpakt en weggegooid, en hopelijk, maar niet waarschijnlijk, is daarmee de kous af).

Genua is een stad als een goede film: elk beeld is origineel en brengt je in een wereld die je nog niet kende. Hoge, stramme gebouwen zonder veel versiersel behalve groene luiken afgewisseld met overdreven barokke kolossen. Een plein (piazza Ferrari) met een gigantische fontein waar een groep Japanners om de beurt precies dezelfde foto van elkaar maken. – We passeren een groepsreisgroep, vooraan de akela met een oranje vlaggetje op een stok. Zij wordt gevolgd door zeker vijftig mensen – de meeste redelijk oud, maar ook een aantal jongeren, die via een rood doosje dat aan een koord om hun nek hangt en een oortje in hun oor verbonden zijn met hun reisleider. Zodat ze straks allemaal weer veilig in de bus zitten, of misschien zelfs wel weer aan boord van hun cruiseschip stappen. Want ook hier meren die drijvende eilanden af, zag ik in de haven -.
We struinen door de stad, omhoog over trappen, omlaag door steegjes, van plein naar plein, langs palazzo’s in verval of mooi opgeknapt. Het schijnen er meer dan 75 te zijn, palazzo’s, waarvan er 40 via een palazzoroute te bekijken zijn. Ook op de hoeken van de smalste steegjes zijn nissen aangebracht met een beeld erin, meestal van Maria (of Catharina van Genua) of een mij onbekende heilige met een lam aan zijn voeten.
Genua in zijn hoogtijdagen had een systeem ontwikkeld (de rolli, of lijsten) waarbij de palazzo’s die op die rolli stonden verplicht waren onderdak te bieden aan bezoekers van de stad – hooggeplaatste bezoekers uiteraard. Het plebs verbleef in de stegen bij de haven, in de herbergjes boven de zeemanskroegen en ongetwijfeld opgewarmd door de ‘meisjes van plezier’.
Rond de oude haven hangt de geur van verse en gebakken vis, een geur die ik in Marseille miste. Op de kade staan tafeltjes en stoeltjes en op een bootje worden ansjovisjes gebakken, opgediend met focaccia, in de putjes in het brood glimt de groene olijfolie.
Verderop, dichter bij het Aquarium-museum en het nagebouwde piratenschip dat gebruikt is in een film van Passolini, zitten twee vrouwen achter elk een enorm bord gemengde salade. Wij gaan een dezer dagen een keer eten in de Cucina Casalinga da Mario, die we tegenkwamen vlak bij ons studiootje, in een steeg bij de haven, die er volks genoeg uitziet om voor ons aantrekkelijk te zijn, waar kelners heen en weer rennen met borden dampende pasta met mosselen of vongole.

Jeroen van Merwijk Memorial Day

Jeroen van Merwijk verliet het aardse op 3 maart 2021. Hij was beeldend kunstenaar, schrijver en maker van grappige, poëtische en satirische liedjes. En hij was mijn neef.
Ik kende Jeroen als een gul mens, iemand die een ander wat gunde. Hij verkocht – aan het begin van zijn carrière als cabaretier – een lied aan een meer gearriveerde artiest. Hij kreeg er 500 gulden voor. ‘Vijfhonderd gulden’, zei hij, ‘voor een lied!’. Hij maakte het geld over aan Amnesty International.
Hij werkte mee aan de eerste Gutmensch Scheurkalender: ‘Natuurlijk doe ik mee’, zei hij, het is een onderneming van jou, dus dan steun ik dat.’ Ik glom van plezier, dat spreekt.
Het leverde mooie blaadjes in de kalender op.
Toen we werkten aan de tweede editie van de Scheurkalender, die van 2022, leefde Jeroen niet meer. We wilden in die kalender een eerbetoon brengen. Aan Jeroen, en aan het geweldige arsenaal aan teksten dat hij heeft nagelaten.
Zijn weduwe stak daar een stokje voor. Er was nou wel genoeg gratis weggegeven, vond ze. Het was de hoogste tijd om al dat talent nou eens om te zetten in klinkende munt. Het was niet zozeer dat we te krenterig waren om te betalen, het was meer dat echt niemand die een bijdrage aan de Gutmensch Scheurkalender leverde, daar geld voor kreeg (of vroeg). Dus het zou echt een beetje raar zijn geweest als we de weduwe, als een soort zetbaas, zouden betalen voor werk van Jeroen. Enige en algemene erfgenaam of niet.

We riepen de Jeroen van Merwijk Memorial Day in het leven, en sierden het kalenderblad van 3 maart in de twee jaar dat we de Scheurkalender nog maakten, met rechtenvrij ‘familiebezit’.
Wij herinneren ons Jeroen hoe hij was: gul, groots en gedreven door zijn drang om het leven zin te geven door schoonheid te scheppen.


Blaadje uit de Gutmensch scheurkalender  – 2 november 2021 – fragment uit het lied: Nog altijd ben je dood, Jeroen van Merwijk, 1998

Mijn gele Himalayawolf

Twaalf jaar geleden vonden we op de markt een diertje tussen het vuil, niet ver van ons huis in Chandigarh[1]. Hij had een vuistgrote open wond op zijn ruggetje, maden waren van hem aan het eten. Bladeren plakten aan zijn buik en pootjes. Hij was op sterven na dood. Hoe oud zou hij geweest zijn? Een maand, schatte de dierenarts. Met een pincet pulkte hij de levende have uit de wond van het beestje, hij schoor de haartjes van de helft van zijn ruggetje en ontsmette het met gele vloeistof. We noemden hem Dinah, want de dierenarts zei dat het een vrouwtje was. Het was een mannetje, maar toen we daarachter kwamen, luisterde hij al naar zijn naam. Hij bleef Dinah.
Hij had grondige verzorging nodig, te grondig om aan onze schoolgaande kinderen over te laten, dus namen we Dinah mee tijdens de tocht naar Leh, Ladakh, via Manali en terug door Kashmir, over de hoge Himalaya. Simon reed, Dinah lag als een opgerold bolletje op mijn schoot. Hij sliep bij ons in de tent, van hoger op de ons omringende bergen huilden in de nacht de wolven.
In India heeft men het niet zo op honden, maar Dinah was zo aandoenlijk, dat we toch overal welkom waren.
Halverwege de trip was de wond min of meer dicht, en begon hij te spelen. Vrolijk dribbelde hij achter ons aan toen we naar de beroemde gletsjer van Sonamarg wandelden – een plak vuilwitte, aangekoekte sneeuw die vanuit het dal te bereiken is. Toen het begon te regenen kon hij schuilen onder mijn regenjas.
Met de komst van een tweede hondje, een jaar later, was het gedaan met z’n rust. Zeera was een pittig wijfje dat we meenamen nadat ze voor onze ogen was aangereden door een auto, die gewoon doorreed. Haar zwaar gekneusde pootje heelde snel. Ze ontwikkelde zich tot een pestkopje, waartegen Dinah niet zo goed bestand was. Hij trok zich terug en werd wat je noemt een ‘moeilijke hond’. Als wij er waren, leefde hij op. Maar wij gingen altijd weer. Dat sloeg een bres in zijn vertrouwen. Duidelijk verlatingsangst.
Tot het moment kwam dat de honden niet meer bij de kinderen konden wonen. Ze waren te weinig thuis en kregen het te druk. Zeera kreeg een vertrouwd nieuw thuis in Chuchot, bij Rigzin en zijn familie. Omdat ik zeker wist dat Dinah in India als kettinghond zou eindigen, haalden we hem naar Nederland. Na een lastige periode van wennen, grommen, bijten, onhandelbaar doen, begon Dinah erin te geloven dat wij niet meer weggingen, en dat hij mocht blijven. We werden ondertussen zo’n beetje kluizenaars, want andere mensen veelde hij niet; ons huis bleek te klein voor meer dan drie. We werden een hechte roedel, Dinah, Simon en ik. Onafscheidelijk.
Dinah werd steeds aanhankelijker, liet zich uitgebreid aaien, deed zijn poot omhoog en bood zijn zachte buik aan voor gekroel. Hij deelde kusjes uit: likjes over m’n neus. Als ik thuiskwam na een dag of soms meerdere dagen weg, piepte hij van blijdschap dat ik weer terug was. Dat was elke keer opnieuw een feest.

En nu is hij er niet meer. Agressieve tumoren namen zijn organen over. Het ging heel snel. Zijn buik stond gespannen als een voetbal. Eten werd lastig. Liggen ook. Aaien deden we voorzichtig. Wandelen ging nog. Maar er was geen keus, we moesten hem laten gaan, want als ook wandelen niet meer zou gaan, zou de pijn snel ondraaglijk worden.
Zes jaar was hij bij ons. Hij was een prachtig beest. Mensen, meest vrouwen, wierpen een smeltende blik op hem als we aan het wandelen waren. ‘Prachtig’, hoorde we dan fluisteren, of ‘so cute’. Soms vroeg iemand wat voor ras hij was. Dan zeiden wij: het is een gele Himalayawolf. Omdat dat helemaal precies bij hem paste.


[1] We huurden een huis in Chandigarh, waar we vanaf 2010 voor stichting Zanskar een deel van het jaar woonden samen met ons alternatieve gezin met kinderen uit Ladakh en Zanskar.

Foto: Dinah op het strand