Tito nostalgie

We zijn neergestreken in café Tito, in Sarajevo, een café achter het historisch museum, waar ik een expositie bezocht die ‘Who is Walter’ heet, en gaat over verzet tegen fascisten. Er hangt een verzameling anti-fascistische posters uit verschillende landen, het partizanenverzet wordt gevierd als het omvangrijkste verzet tegen de nazi’s. Een verdieping hoger een expo over de jarenlange belegering van Sarajevo die erg veel wegheeft van expo’s over ‘onze bezettiningstijd’: olielampen, houtkacheltjes, vaak opgelapte kleren en andere overlevingsinventiviteit.
Sarajevo had een tunnel om het hongerende volk in de stad te verbinden met de buitenwereld. De tunnel liep onder het vliegveld door, wat gedoogd werd door de VN vredesmacht, en was de aanvoerroute van eten, wapens en andere zaken die van belang zijn in een belegerde stad, zoals informatie. De tunnel is voor een deel bewaard gebleven en wordt nu getoond als een teken van het standvastige verzet van de stad en de stedelingen tegen de belegering door de Serviërs.

Vlak bij café Tito staat het ‘Ingeblikte vlees monument’, een manshoog beeld van de Sarajevaanse kunstenaar Nebojsa Serić Soba in de vorm van een conservenblik, dat in bescheidener formaat door de Amerikanen vanuit de lucht aan de hongerende bevolking van Sarajevo werd gegeven tijdens het beleg van de stad. Er zou niet al te enthousiast gereageerd zijn om die gave: de blikken waren ver over de datum; de inhoud was niet te vreten, zelfs de honden bliefden het niet. Het waren restanten nog uit de tijd van de Vietnamoorlog, en bovendien zat er varkensvlees in, wat niet getuigt van culturele gevoeligheid. Men vond de mensen in Sarajevo ondankbaar, maar honger maakt niet alle rauwe bonen zoet.
Het beeld staat er sinds 2007. In 2022 heeft het een nieuwe verflaag gekregen: op een bleekgouden achtergrond staat behalve de sterrencirkel van de EU nu ook in grote letters: “canned beef”. Als het lijkt op de korrelige cornedbeef of gladde spam die ik als kind wel gegeten heb, kan ik me het non-enthousiasme van de Sarajevanen levendig voorstellen.
Op de sokkel wordt de internationale gemeenschap op ingehouden cynische wijze bedankt voor hun hulp aan de belegerde stad.

Voor het Tito café staat een assortiment roestige relicten uit WOII. Op een jeep met half ingegraven banden zit een klein meisje met een stralende glimlach.
Het café zelf is volgehangen met portretten van De Maarschalk, van de fascisten bestrijdende partizaan tot de oude, gelauwerde leider. Er zijn krantenknipsels over Tito, een ingelijste cover van Time magazine met zijn portret, gebruiksvoorwerpen uit de late Tito-tijd die me heel vertrouwd voorkomen (zoals een platenspeler). Er is een theeservies met Tito’s beeltenis erop en meer van dat soort parafernalia.
We worden bediend door een jonge man, in een rood t-shirt met als opdruk een gestileerde Tito in zwart. Hij, laten we hem Hamid noemen, is dertig en geeft volmondig toe dat hij lijdt aan Tito nostalgie. Alles was beter in die tijd, meent hij. Er was niet zo veel gedoe over religie. Zelf identificeert hij zich als moslim, uit respect voor zijn gelovige zus en zijn familie, maar eigenlijk is hij een ongelovige. Geloof en geld, beiden brengen niets dan ellende. Hij noemt Tito een ‘gentle dictator’, die wist op te treden als dat nodig was. Wij mensen in de Balkan hebben dat nodig, zegt Hamid, een harde hand die ons leidt, anders gaat het al snel mis. Als het aan hem zou liggen, zouden alle kerken, moskeeën, kathedralen en wat dan ook voor godshuizen allemaal met de grond gelijk gemaakt worden. Afschaffen, die verdeeldheid zaaiende ideeën. Zonder dat geloof zijn we allemaal gewoon mensen.
Onder Tito, neemt Hamid, had iedereen werk, was er genoeg van alles en keek men naar elkaar om. Nu, onder die zogenaamde democratie, is het ieder voor zich en denken mensen alleen nog aan zichzelf. De leiders zijn allemaal corrupt en mensen zijn alleen nog maar bezig met hoe ze zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld kunnen vergaren.
Hij heeft onlangs zijn mobiele telefoon weggedaan. Gek werd hij ervan, van die constante stroom van berichten en dat voortdurende nieuws. Hij voelt zich nu veel beter. Ik hoef niet alles te weten, zegt hij. Het liefst weet ik eigenlijk niets, want wat heb je aan al die vluchtige kennis over een gedoetje hier en een opstootje daar. Ik wil het met mijn vrienden hebben over dingen die ertoe doen, en dat we elkaar opzoeken in plaats van gemakzuchtig naar elkaar appen.
Hamid werkt op dagloon in het café. Dat is zijn eigen keuze, een maandcontract kan ook, maar door persoonlijke omstandigheden die hij verder niet opheldert kiest hij ervoor dagelijks zijn 50 BAM te ontvangen voor de acht uur dat hij werkt. Dat is omgerekend 25 euro. Als hij geluk heeft, komt daar aan fooien nog eens 25 euro bij. Niet veel, maar voor nu, zegt Hamid, is het goed. Voor nu past dit bij mij.
Zijn Engels is erg goed. Gewoon op school geleerd, zegt hij, en dan, met een zekere trots: wij hebben heel goed onderwijs. Bij ons moet je alle vakken volgen tot je naar college gaat, daarom zijn wij breder geschoold dan in de landen om ons heen of in Duitsland, waar je eerder een keuze in je vakken moet maken.
Hij is lang – twee meter, twee meter twee met schoenen, zegt hij, slank en wonderbaarlijk open. Als ik later het café binnen ga om naar het toilet te gaan, zie ik hem naast de bar danspassen maken.

Je kunt je eigenlijk best voorstellen dat er een zekere nostalgie naar de Titotijd bestaat, naar de tijd dat Joegoslavië nog bestond en er geen openlijke verdeeldheid was. Het communistische regime zorgde voor werk, eten en een dak boven je hoofd, en je had weinig te vrezen als je je niet met politiek bemoeide en op de gebaande paden in het gareel bleef lopen. Zeker voor jongeren die opgegroeid zijn met de afschuwelijke oorlogsverhalen van hun ouders en dagelijks de frictie tussen de verschillende groepen ervaren, lijkt dat een mooie tijd. Met de alom aanwezige Tito als rechtvaardige leider van een eensgezinde natie.

Tito – voluit Josip Broz – werd in 1892 in Kroatië geboren bij Sloveens-Kroatische ouders.
Als jongeman nam hij dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij werd krijgsgevangene, maakte in Rusland de revolutie mee, werd communist en diende in het Rode Leger. Na de Eerste Wereldoorlog werd het koninkrijk Joegoslavië gevormd uit de resten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. (Het Ottomaanse rijk was al eerder in scherven uiteengevallen). Daar werd Tito in 1928 secretaris van de toen verboden Communistische Partij in Zagreb. Dat kwam hem op vijf jaar gevangenis te staan, waar hij geluk mee had, want terwijl hij in de gevangenis zat, verharde de repressie en werden zijn mede-communisten zonder pardon tegen de muur gezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar de Sovjet-Unie. Toen de Asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, vormde Tito een verzetsgroep, de partizanen. Die werd de grootste en machtigste van het land. Nog tijdens de oorlog begonnen Tito en zijn kompanen de contouren voor de nieuwe staat te schetsen.

Toen de oorlog voorbij was, werd Tito premier. Zijn geheime dienst maakte overuren bij het opsporen en afrekenen met fascisten, collaborateurs, Ustase (Kroatische fascisten) en Cetniks (Servische nationalisten die tegen de nazi’s en tegen de communistisch partizanen vochten), verstokte royalisten en andere echte of vermeende tegenstanders. Velen werden vermoord of verpieterden in werkkampen.
In 1946 schafte hij de monarchie af en stichtte de Federale Volksrepubliek Joegoslavië, een communistische staat naar Sovjetmodel. Een paar jaar later raakte de band tussen Tito en Stalin verstoord: Tito hield vol dat Joegoslavië door zijn partizanen was bevrijd, terwijl Stalin beweerde dat het de Russen waren geweest die de nazi’s verjaagd hadden. Ook had Tito er geen trek in om Joegoslavië te ontwikkelen als vazalstaat en leverancier van halffabricaten aan de Sovjet-Unie. De breuk met Stalin werd niet meer geheeld, en ook na diens dood bleef Tito een eigen koers varen. Dat maakte hem geliefd in Europa en de VS als buffer tegen het Rode gevaar.
De nieuwe grondwet van 1963 bepaalde dat Tito’s presidentschap alleen kon eindigen met zijn dood. Zijn beleid was gericht op het onderdrukken van regionale, etnische en religieuze verschillen en de volken binnen de grenzen van zijn rijk samen te smelten tot een nieuwe mens: de Joegoslaaf, zonder religie, vol gemeenschapszin en trouw aan de leider.
Ondanks de afgedwongen gelijkheid bleef Servië dominant. Dat zinde de andere groepen niet, en om onrust te voorkomen bepaalde de vernieuwde, federale grondwet van 1974 dat Kosovo (door Servië als Servisch geclaimd) een autonome provincie werd, met eigen stemrecht in de Federale Raad. Net als Vojvodina, een gebied in Noord-Servië met een grote Hongaarse minderheid. Die twee toegevoegde stemmen zouden de Servische dominantie moeten inperken.
Slobodan Milosevic, de extreem nationalistische president van Servië, draaide die maatregel in 1990 terug, en eigende zich de stemmen van de twee regio’s weer toe als stap op de weg naar een Groot-Servië. Vojvodina werd tijdens de Kosovo oorlog in 1999 door de NAVO zwaar gebombardeerd. Pas in 2009 ging het Servische parlement akkoord met het herstel van de autonome status van voor 1990. Vojvodina is een mengelmoes van verschillende etnische groepen; er worden zes talen gesproken. Rechtse partijen in Hongarije vinden dat het stuk land geen onderdeel van Servië moet zijn, maar toebehoort aan Hongarije.

De strijd om Kosovo is ons bekender. In Kosovo wonen vooral (zeker 90%) etnische Albanezen, die niet bij Servië willen horen. Oorspronkelijk werd het gebied bewoond door Illyriërs en Thraciërs. Die oeroude stammen bestierden voor het begin van onze jaartelling een omvangrijk gebied, samengesteld uit kleine rijkjes. Ik herinner me een tentoonstelling ‘Het goud van de Thraciërs’, in Museum Booijmans van Beuningen in 1984, toen Joegoslavië nog niet uiteengevallen was, de tentoongestelde schatten uit Oostblokmusea kwamen en ik nog nooit van Kosovo gehoord had. Ragfijn goudwerk, filigraan, dierenfiguurtjes.
Aan de Thraciërs hebben we, via de oude Grieken, de god Dionysus, de mythische prinses Europa en Orpheus te danken. Spartacus, de leider van de grote slavenopstand in het oude Rome, was een Thraciër.
Kosovo maakte deel uit van het deelrijk Dardanië, dat na een Romeinse, een Byantijnse en een Bulgaarse periode, in de dertiende eeuw geannexeerd door het koninkrijk Servië. In 1389 vond bij Kosovo Polje de Slag op het Merelveld plaats, tussen de legers van vorst Lazar en de Ottomanen. De laatsten wonnen en bleven vijf eeuwen heersen over het gebied. Albanezen en Bosniakken bekeerden zich tot de islam. De Serven bleven oosters-orthodox.
Na de val van het Ottomaanse rijk en de eerste Balkanoorlogen, nog voor de Eerste Wereldoorlog, kreeg Servië de heerschappij over Kosovo. Voor Servische nationalisten is Kosovo de bakermat van de Servische beschaving, een idee dat innig verbonden is met die veertiende-eeuwse slag op het Merelveld, die de overheersing van de orthodoxe Serviërs door de islamitische Ottomanen en in hun verlengde de bekeerde Albanezen en Bosniakken inluidde.
Het doet me denken aan de Vlaamse Guldensporenslag, bij Kortrijk, die ook in de veertiende eeuw plaatsvond, die voor Vlaamse nationalisten een van de belangrijke bouwstenen is van hun Vlaamse identiteit. Een bij elkaar geraapt leger van Vlaamse boeren, ridders en stedelingen versloeg toen het Franse leger. ‘Ik begin de slachting, volg mij’, zou Robert van Bethune, de leider van de Vlamingen, met de bijnaam ‘de Leeuw van Vlaanderen’ geroepen hebben. Mooier kan het niet voor nationalisten.
De Serven verloren de Slag op het Merelveld dan wel, maar door hun onbaatzuchtige inzet hebben ze de wereld wel mooi behoed voor een verdere Turkse opmars, vinden ze zelf.

In Kosovo riep Ibrahim Rugova, de pacifistische leider van de Albanese Kosovaren, in 1991 eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Hij richtte een ondergrondse schaduwregering op, die alleen door Albanië werd erkend, en zette een ondergrondse maatschappijstructuur op met een parlement, gezondheidszorg en onderwijs.
Omdat het vreedzame verzet van Rugova niet echt zoden aan de dijk zette, werd vijf jaar later het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) gevormd. Zij begonnen een guerrillaoorlog tegen Serviërs en vermeende collaborateurs. Het Joegoslavische Volksleger – dat Servië zich tijdens het uiteenvallen van Joegoslavië steeds meer toe-eigende – viel Kosovo binnen. Dat liep uit de hand, grote groepen vluchtelingen raakten op drift, de NAVO greep in, er werd een akkoord gesloten dat werd geschonden, er werd opnieuw vergeefs onderhandeld en uiteindelijk ging de NAVO over tot het wekenlang bombarderen van Servië, waarop de Servische troepen zich volledig uit Kosovo terugtrokken.
Kosovo kwam onder bestuur van de VN. In 2008 stemde het Kosovaarse parlement unaniem voor onafhankelijkheid. Een onafhankelijkheid die niet unaniem erkend wordt.

Tito was toen alweer een tijdje dood. Na zijn dood in 1980 ging het rap bergafwaarts met Joegoslavië als eenheidsstaat. Servië, altijd al dominant, claimde de stemmen van Vojvodina en Kosovo en versterkte zo zijn positie, met de extreme nationalist Milosevic aan het roer. De Sovjet-Unie viel uiteen, de Berlijnse Muur ging neer, met dictators uit het communistische blok werd genadeloos afgerekend. Denk aan de Roemeense Ceausescu, die na een kortstondig volkstribunaal samen met zijn vrouw werd geëxecuteerd.
In Joegoslavië leefden ook in de andere deelstaten het nationalisme op. In 1991 riepen Slovenië en Kroatië hun onafhankelijkheid uit. In april 1992 volgde Bosnië-Herzegovina. Servië, onder Milosevic en generaal Mladic, met de slagkracht van het Joegoslavische volksleger, was hoofdrolspeler in een bloedige en wrede strijd die duurde tot 1996.
Onder het vredesakkoord van Dayton is Bosnië-Herzegovina verdeeld in een Servisch en een Moslimdeel, met grillige grenzen, elk een eigen hoofdstad (Banja Luka en Sarajevo), een eigen vlag, een eigen parlement, eigen regels, onderverdeeld in kantons en regio’s met zo min mogelijk etnische diversiteit, en blijvende spanningen tussen de bevolkingsgroepen. De federale overheid staat onder leiding van een driemanschap aan presidenten: één Kraotisch, één Servisch en één Bosniak. In het federale parlement zijn de zetels verdeeld over de drie dominante etnische groepen in het land. Daarboven staat de Hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina, een ongekozen, door de internationale gemeenschap aangewezen persoon die de politieke verdeeldheid in toom moet houden en de bevoegdheid heeft wetten door te voeren en functionarissen te ontslaan.
Bosnië-Herzegovina is sinds een paar jaar kandidaat-lid van de EU, maar voor er toegetreden kan worden is er nog enig werk te doen.

Het lijkt me dat de verdeling die in Dayton gemaakt is destijds als verstandig gold. Er moest een oplossing gevonden worden, de oorlog en het moorden moesten worden gestopt. Analoog aan wat de Engelsen destijds met India deden, is gekozen voor een soort ‘partition’. Niet in twee aparte staten – dat was moeilijk aan Servië te verkopen geweest, want waarom dan niet gewoon de Republika Srpska bij Servië voegen? En onverteerbaar voor de Bosniakken, die niet de helft van hun land zouden willen afstaan aan hun genocidale buren. Toch is het geen ideale oplossing, de bevolking is en blijft gemengd, al is er wel over en weer ‘ethisch gezuiverd’. Het is een noodoplossing, zeker ook omdat de hoogste baas van het land nog altijd, na dertig jaar, door de internationale gemeenschap wordt aangewezen.

Logisch dat jongeren zoals Hamid van café Tito, opgegroeid in de nasleep van de laatste oorlog in een nog altijd verdeeld land vol spanningen, terugverlangen naar een geromantiseerde tijd onder de Maarschalk. Toen was het misschien dan wel een communistische dictatuur, maar wat heb je aan democratie als die alleen maar leidt tot corruptie, machtsmisbruik en het onbeschaamd nastreven van je eigenbelang.

Brief uit Srebrenica – deel twee

Tussen Bratunac, waar we verblijven, en Srebrenica ligt Potocari, waar Dutchbat op het terrein van een oude accufabriek zijn compound had. Zo’n 400 mannen en vrouwen van de Luchtmobiele brigade vormden in de laatste dagen van de enclave de Nederlandse bijdrage aan UNPROFOR, de VN-vredesmissie in Bosnië tijdens de oorlog van 1992-1995.
Al bij het betreden van het gebied had duidelijk kunnen zijn dat Mladic en zijn troepen de beste kaarten hadden: Dutchbat mocht de enclave in, maar zonder al te zware wapens. Die werden prompt ingeruild voor lichtere, want UNPROFOR was geen vechtmissie, maar een vredesmissie die de Bosniakken, samengedreven in het stadje omringd door heuvels en bergen, kwam beschermen. Ik ben geen militair expert, maar dat Srebrenica moeilijk te verdedigen is, geloof ik gelijk. Later is wel gezegd dat de hele onderneming van meet af aan onverantwoordelijk was, maar dat was pas nadat de mensen die beschermd hadden moeten worden vermoord waren, en de uitgezonden militairen weer thuis waren, met PTSS, en alle klachten die daar het gevolg van zijn.

Direct na hun vertrek uit Potocari, op de basis in Zagreb, verklaarden de Dutchbatters dat het een moeilijke tijd was geweest: ze zaten tussen twee vuren: aan de ene kant de moslims die – volgens enkele Dutchbatters – eropuit waren de Serviërs te provoceren om zo de slechtheid van de vijand te laten zien en hun eigen slachtofferschap aan te dikken; aan de andere kant de Servische troepen, paraat op de heuvels rondom de stad.
Toen de Serviërs eenmaal dicht genoeg genaderd waren, volgden een aantal gesprekken tussen commandant Karremans en Mladic. Mladic, die de troefkaart van een aantal gegijzelde Dutchbatters in handen had, beloofde de vluchtelingen goed te behandelen. Er zijn beelden van een vriendelijk lachende Mladic die snoepjes uitdeelt en kinderen over de bol aait. Karremans, die niet werkelijk een andere keuze had, leek met Mladic te socialiseren, hij hief immers het glas met hem, een tafereel dat in ons nationale geheugen gegrift staat. Het is Karremans zodanig blijven achtervolgen dat hij zich na zijn pensionering in Spanje heeft gevestigd.
Aangekomen in Zagreb verklaarden de Dutchbatters niet gecharmeerd te zijn van de moslims: onbetrouwbaar waren ze. Met de Serviërs kon je tenminste zakendoen. Het is verhelderend de krantenberichten van net na de val van de enclave nog eens na te lezen. Wat er toen is gezegd is naderhand geduid als mogelijke symptomen van het Stockholmsyndroom, waarbij je je eigen angst bezweert door sympathie te koesteren voor degene die je bedreigt.
Op de muren van de compound is de meest aanstootgevende graffiti van de Nederlanders inmiddels verwijderd, zoals: “No teeth? A mustache? Smell like shit? Bosnian girl! [Geen tanden? Een snor? Stinkt naar stront? Bosnisch meisje!]
Ik lees ze van een foto in de kleine expositieruimte bij de gedenkplaats die is ingericht tegenover de oude fabriek. Hier zijn (een groot deel van) van de ruim 8000 mannen die na de val van de enclave zijn vermoord begraven. Rij na rij witte zuiltjes met een naam, een geboortedatum en steeds dezelfde sterfdatum. Op lange, schuinstaande witte platen worden hun namen genoemd. Her en der ligt een door de zon gedroogde bloem. Nog altijd worden er slachtoffers, eenmaal gevonden en geïdentificeerd, bijgezet.

De compound zelf is onderdeel geworden van de gedenkplaats, waar behalve een documentatiecentrum een aantal tentoonstellingen over de genocide zijn ingericht.
Dat het een genocide betrof lijdt weinig twijfel – de Servische intentie de Bosniakken als bevolkingsgroep uit te wissen is goed gedocumenteerd – al wordt dit ontkend door de Bosnische Serviërs, die alle aandacht die uitgaat naar de moslimslachtoffers, met die begraafplaats zo zichtbaar langs de weg en dat grote museum, oneerlijk vinden. Alsof er niet ook Servische slachtoffers zijn gevallen door moslimagressie. Die zijn er: bij het zoeken naar voedsel voor de mensen in de enclave werden dorpen in de omgeving aangevallen door Bosnische moslimstrijders, wat gepaard ging met brandstichten en moorden. Dat vertroebelt de discussie. Dat Servische slachtoffers niet ook erkend worden zet kwaad bloed. Het was oorlog, er is gevochten, er zijn aan beide kanten doden gevallen, is de Servische opinie. De stap naar ontkenning van de genocide is snel gezet.
Waarom zouden Servische slachtoffers geen plek in het herinneringscentrum kunnen hebben? Maar, zegt overlevende in een interview, je kunt je toch ook niet voorstellen dat er in Auschwitz een hoekje wordt ingericht voor de slachtoffers van het bombardement op Dresden?

In de fabriekshallen van de voormalige compound bekijk ik de exposities: veel foto’s, video’s van uitgeputte en vermagerde mannen die de dodenmarsen overleefden, voorwerpen die gevonden zijn in de bossen, rijen schoenen. De aanloop naar de val van de enclave, het leven van de Blauwhelmen – een nagebouwd slaapvertrek met twee veldbedden en een kast waarin uniformen hangen. Verhalen over slachtoffers, van familieleden, overlevenden. Graffiti op de muren, handafdrukken met ‘Handklap’ erboven geschreven; een geschilderd vignet van een lachend spookje dat een raket vasthoudt met eromheen: Royal Dutch Army, UNPROFOR: het woord kikkervisje naast de open plek waar de eerdergenoemde sneer naar Bosnische meisjes gekalkt was.
Het kantoor van Karremans, met een telefoon en een asbak op tafel en Beatrix en Claus aan de muur.
Aan het eind van de lange hal wordt de val van de enclave in beeld gebracht, met geluidseffecten; ik hoor schreeuwen, geweerschoten. De massa vluchtelingen, de bussen, de gescheiden mannen en vrouwen, hier en daar een machteloze Dutchbatter met een blauwe helm.
Een groep jonge studenten wordt rondgeleid en zitten in een zaaltje te luisteren naar een voordracht. Het zijn jongeren uit heel Bosnië die in het herinneringscentrum over hun geschiedenis leren. Ze worden vergezeld van een cameraploeg. Volgens de website organiseert het centrum sinds drie jaar een internationale zomerschool, over genocide.

Bij de ingang van het museumcomplex staat een beeld van twee vrouwen en een kind. Op de sokkel staat een tekst in het Bosnisch, met eronder Truus Menger, Westerbork. Na wat speuren kom ik erachter dat het beeld speciaal voor de gedenkplaats gemaakt is, voor de moeders, vrouwen en kinderen van Srebrenica, en in 2006 is onthuld in het bijzijn van maakster Truus Menger, en de directeur van Kamp Westerbork. Het museum wordt financieel en met advies ondersteund door zowel het Nederlandse ministerie van Defensie als Kamp Westerbork.
Truus Menger was een verzetsstrijdster uit de groep van Hannie Schaft. Na de oorlog maakte ze als beeldhouwer verschillende herdenkingsmonumenten. Het herinneringscentrum kamp Westerbork is, samen met PAX nauw betrokken bij het inrichten van de tentoonstellingen in wat voluit Srebrenica-Potocari Genocide Memorial and Cemetery heet. De manier waarop de schoenen en de voorwerpen zijn opgesteld lijkt op de manier waarop de Holocaust herdenkingsplaatsen zijn ingericht. Niet alleen in Nederland, maar ook in Polen.
‘Srebrenica’ is bijgezet in de herdenkingscultuur.

We eten ’s avonds in een restaurantje aan de Drina, het water kabbelt rustig door de brede bedding, aan de overkant is het groen zo ver als je kijken kan. De regen heeft alles opgefrist, ook het weer. We trekken een jasje aan. De eigenaar van het restaurantje is bezig met het lakken van houten tafeldelen. ‘Even wachten’, grapt hij, ‘ik ben nu timmerman, maar als ik mijn handen heb gewassen en een ander shirt aanheb, ben ik restauranthouder’. Hij spreekt Duits. Vroeger, vertelt hij, was hij kunst-onderwijzer. Maar dat kan nu niet meer, hij is moslim, en dat ligt hier, letterlijk aan de grens met Servië, nog steeds gevoelig.
De grens loopt middendoor de rivier. Zwemmen mag, ook naar de overkant, maar het is verboden om de andere oever op te gaan.
Al 16 jaar runt hij zijn restaurant. In de onmiddellijke omgeving ervan wonen mensen zoals hij, vaak teruggekeerde vluchtelingen. Sommigen spreken Nederlands.
We kijken toe hoe zijn vriendin verse pita maakt: met kaas gevulde broodjes van heel dun uitgerold deeg. De maaltijd is overvloedig – salade, visjes uit de rivier, geroosterde groenten, polenta, kaas en pita, wijn uit Montenegro, ‘want’, zegt hij ‘daar houden Nederlanders van’. Dat weet hij, omdat hij elke week een groep ex-Dutchbatters en hun familieleden ontvangt. Die zijn op ‘terugkeerreis’. Die terugkeerreizen zijn onderdeel van de nazorg voor Dutchbat III. Na een onderzoek uit 2022 bleek dat de leden van het bataljon die in Srebrenica-Potocari waren tijdens de val, kampen met trauma’s, schuldgevoel, schaamte, depressies en een schrijnend gebrek aan nazorg. Ze kregen een financiële vergoeding van 5.000 euro als blijk van waardering, om de negatieve beeldvorming rond het bataljon een beetje goed te maken.
De terugkeerreizen worden georganiseerd onder auspiciën van het Veteranen Instituut, worden door deskundigen begeleid en zijn bedoeld om de Dutchbatters de kans te geven in het reine te komen met hun verleden in Bosnië. De stichting Moeders van Srebrenica is een van de partners. Er worden, naast het bezoek aan de compound en de begraafplaats, gesprekken en samenkomsten georganiseerd met nabestaanden.
Het zijn emotioneel zware reizen, niet alleen voor de voormalige Dutchbatters, maar ook voor de mensen hier, vertelt hij, die hun trauma’s steeds weer opnieuw beleven. Toch vindt hij de reizen belangrijk. Hij laat me een boek zien, in het Bosnisch. Maar zegt hij, er is ook een Nederlandse versie. Ik zoek het later op: ‘Bruggen Bouwen. Ontmoetingen van Dutchbat III veteranen met Overlevenden van de Genocide in Srebrenica” van Eric Vermetten, Anna Gebert e.a. De EO maakte een documentaire over die reizen.

De zon zakt langzaam weg achter de bomen. We ronden de maaltijd af met Bosnische koffie. Wat we niet opgegeten hebben, gooit hij met een zwaai de rivier in: voor de vissen. Sommigen zijn enorm, zo groot als een dolfijn. Die lusten wel een hap polenta.
Bij het afscheid loopt hij de keuken in en komt terug met een fles wijn: hier, een geschenk, voor jullie. Het spijt me dat ik niet naar zijn naam heb gevraagd.

(Afbeelding: foto in de expositieruimte bij de begraafplaats – Potocari)

Brief uit Srebrenica

We doorkruisten Montenegro en Servië onderweg naar Bosnië-Herzegovina, of eigenlijk Republica Srpska, want Bosnië is opgedeeld in de Federatie van Bosnië-Herzegovina en de Servische republiek, wat niet hetzelfde is als Servië. De grens tussen de twee delen van het land is grillig, De Servische republiek beslaat een groot deel van het Noorden en het Zuid-Oosten, en is bewoond door vooral Bosnische Serviërs. De Federatie ligt ertussen en is vooral bewoond door Bosniakken – Bosnische moslims.
Republika Srpska is in 1992, aan het begin van de oorlog gevormd, waarna de Bosniakken en Kroaten uit het door Servië geclaimde territorium werden verdreven. In 1995 werd het gebied in de Dayton akkoorden onderdeel van de zelfstandige staat Bosnië-Herzegovina, maar tot een gedeelde Bosnische identiteit heeft dat ook 30 jaar na de genocide in Srebrenica en andere delen van Bosnië, nog niet geleid.

In Montenegro sliepen we één nachtje in een dorpje met een klein haventje, aan de Montenegrijnse kant van het Skhöder meer, naast een snelweg en een spoorlijn. Aan de snelweg bij het dorp zaten een paar vrouwen vissen te verkopen, karperachtigen, dood, en enkelen nog levend, uitgestald in platte bakken. De volgende ochtend zaten ze er weer, met wellicht dezelfde vissen.
We bezochten Podgorice, de hoofdstad, waar ze een splinternieuwe Oosters-Orthodoxe kathedraal – de kathedraal van de wederopstanding van Christus – hebben gebouwd naar oud voorbeeld. Pas gewijd in 2013 is het een fonkelend eerbetoon aan niet te onderdrukken vroomheid, religieus machtsvertoon en de wederopstanding van Montenegro. Muren, plafonds, pilaren, werkelijk alles is beschilderd met heiligen en kerkelijke ambtsdragers, met taferelen uit het leven van Christus en met heel veel goud. Het is overweldigend, en eerlijk gezegd best mooi.

Voor we de grens met Montenegro over staken zagen we wat overblijfselen van de gekte van Hoxha. Overal in het land had hij bunkertjes laten bouwen, bang als hij was voor een invasie of een atoomoorlog. Er zijn grote, maar ook kleintjes, die lijken op paddenstoelen zonder steel die boven de grond uitsteken, of op iglo’s van beton. In een van die iglo’s had een excentrieke figuur zijn tattooshop gevestigd. Hij begint, in redelijk Engels, te praten en houdt niet meer op. Hij wijst naar de antifascisme sticker die ik achter op mijn telefoon hebt, denkt dat het een hakenkruis is en begint een heel verhaal over hoe dat symbool verkeerd wordt begrepen, om via een aantal zijsprongetjes terecht te komen bij dat Albanië eigenlijk veel groter zou moeten zijn, dat veel land van de Albaniërs is afgepakt, dat de Albaniërs de oorspronkelijk bewoners van de Balkan zijn en dat de EU Albanië nooit zal toelaten omdat ze dan veel te veel aan herstelbetalingen moeten betalen voor al het onrecht het land en het volk aangedaan. Dat had een echte historicus hem uit de doeken gedaan. Uiteindelijk staan we maar gewoon op om weg te lopen, want anders zaten we er nu nog. Om herhaling te voorkomen krab ik de sticker van mijn telefoon.

Vlak voor de grens drinken we koffie tegenover nog een paar van die bunkertjes, in een café waar een tafel precies voor de airco wordt geschoven om ons het best te verkoelen. Een man in een politieuniform – de plaatselijke commandant? – krijgt een lunch geserveerd die van buiten wordt gebracht door een ondergeschikte. Op een groot televisiescherm beelden van Sazar, het eiland dat in de klauwen van de Trumpjes is gevallen, en de aanhoudende protesten daartegen in Tirana. ‘Protest?’ Vraag ik. ‘No problem, no, no, no problem’, roept de geüniformeerde bijna verschrikt uit.

De grens tussen Montenegro en Servië is een echte grens. Eerst wachten in een rij voor de Montenegrijnse douane, dan serieuze controle van de papieren, dan een stuk niemandsland en dan hetzelfde ritueel aan de Servische kant.
(Toen we van de boot afgingen in Albanië werden we vluchtig gecontroleerd door een lokale politieman, bijgestaan door een man met Frontex op zijn shirt. Ik stel me zo voor dat de andere kant op – van Albanië Italië in, de Frontexman meer te doen heeft dan alleen maar toekijken).

In Servië komen we langs een kloostertje bij het dorp Grobnice, in een zijvallei bij de rivier de Lim. Gesticht in 1281 door een monnik met de naam David, en gebouwd op de resten van een Byzantijnse basiliek uit de 6de eeuw. Het complex werd herhaaldelijk geschonden, maar het kerkje overleefde de Ottomaanse periode. In 1997 is het gerestaureerd, en dat gebouwtje is nu te bezoeken. Een paar deels uit hout opgetrokken bijgebouwen doen dienst als klooster. Als wij er zijn is er maar één man, misschien een monnik, in burgerkleren maar met een lage baard. Hij biedt koffie aan, althans, dat geloof ik, die we beleefd afslaan.
De restauratie is zorgvuldig gedaan, de schilderingen zijn fraai, de setting in de groene vallei aan een stroompje is geweldig, maar ik mis de magie die uitgaat van het oude, het origineel, van het weerstaan van de tand des tijds, en de sporen daarvan. Het raadsel van wat vroomheid vermag.
Dat was er wel in de kathedraal van Podgorice. Waarschijnlijk omdat die met opzet nieuw is gemaakt. De kathedraal bouwt niet op wat al vergaan is, het is een eigen gebouw, met eigen architectuur – de buitenkant opgebouwd uit ruwe stenen en beton, met reliëfs waarop bijvoorbeeld de ark van Noah en de stad Jeruzalem staan afgebeeld. Het lijkt erop dat het einde van het Tito regime radicaal een einde maakte aan het gedwongen atheïsme en de Balkanstaten hun religieuze identiteit in ere wensen te herstellen.

Tussen Servië en Bosnië-Herzegovina uiteraard ook een grens; waar wij passeren loopt die middendoor de rivier de Drina, waardoor er een flink stuk niemandsland is langs de rivier tussen de Servische en de Bosnische grensovergang (waar ze voor het eerst ook het kentekenbewijs van de auto willen zien en controleren). We volgen de rivier de Drina tot we bij Bratunac aankomen, waar we een huisje huren van een aardige jonge man, die zijn frambozenplantage heeft opgegeven om op die grond het huisje te kunnen zetten. Hij is er trots op ons te verwelkomen.
Rondom het huisje is een enorm grasveld, met daarachter bijenkasten en een boomgaard met kersen- appel en perzikbomen. De kersen zijn rijp, en van de buurman krijgen we over het hekje heen twee volle zakken met de rode vruchten.
De avond van aankomst regende het dat het goot, met donder en bliksem. Nu is het mild zonnig, niet meer zo warm. Kraaiende hanen, mekkerende schaapjes en een grappig klein katje dat af en toe langskomt voor een aai. De heuvels zijn begroeid met bossen, de mensen zijn aardig en behulpzaam. Het is vredig.
En dat geeft een ongemakkelijke tegenstelling met waarom we hier eigenlijk zijn, in Bratunac, vlak bij Potocari en Srebrenica.

Bij Srebrenica denk ik: Karremans, de commandant van de Nederlandse brigade, die het glas heft met Mladic (die nu in Scheveningen levenslang uitzit), veel te jonge Dutchbatters, blauwhelmen uitstekend boven een zee van vluchtelingen, bussen die mensen afvoeren, een fotorolletje, een hossende kroonprins. Een veilige have die dat helemaal niet was. Duizenden doden die voorkomen hadden kunnen worden als er meer daadkracht en vooral meer menselijkheid was getoond. De sorry’s en de mea culpas die na de moordpartijen zijn uitgesproken. Milosevic die in een cel in Den Haag het loodje legt.
Een gerechtshof dat, decennia later, de Nederlandse staat voor eerst 30%, maar in hoger beroep nog voor slechts 10% verantwoordelijk acht voor de dood van de mensen die in de compound van Dutchbat hun heil hadden gezocht, en die er niet welkom waren. Het falen van de ‘internationale gemeenschap’. Net als in Rwanda, waar Romeo Dellaire, de commandant van de vredesmacht daar, in 1994 smeekte om aanpassing van het mandaat zodat ze de mensen daadwerkelijk tegen de machete zwaaiende bendes konden beschermen; smeekte om meer troepen, maar dat allemaal niet kreeg. ‘Srebrenica’ gebeurde een jaar later, in 1995. De luchtsteun waarop gerekend was kwam niet. Een van de redenen daarvoor was dat de levens van de blauwhelmen die in Servische handen waren gevallen beschermd moesten worden.
Het is dus allemaal niet nieuw, het ‘falen’ van de internationale gemeenschap. Als het gaat om het beschermen van mensen is het hemd ook bij de verantwoordelijke leiders of bewindslieden nader dan de rok.

Toen in juli 1995 de Servische troepen de ‘veilige enclave’ Srebrenica innamen, had het handjevol Dutchbatters geen weerwoord, en verdedigde noch de stad, noch de compound. In het stadje zaten zo’n 40.000 mensen in de val. De toenmalige directeur van Artsen zonder Grenzen verzuchtte dat het getto van Warschau er zo moet hebben uitgezien. Toen de Serviërs naderden sloegen mensen, vooral mannen op de vlucht, de heuvels in, naar gebieden in handen van de Bosniakken of Tuzla, een andere ‘veilige enclave’. Velen van hen werden opgejaagd, in hinderlagen gelokt en vermoord.
De vrouwen, kinderen en oude mannen vluchtten naar de compound van Dutchbat, in Potocari. Onder leiding van Mladic, en onder het oog van de Nederlandse blauwhelmen, werden de mannen en de jongens van de vrouwen gescheiden, de vrouwen werden afgevoerd, de mannen werden eerst voor verhoor meegenomen, en daarna voor het overgrote deel vermoord.
In eerste instantie deden Karremans en zijn manschappen, een paar dagen later geëvacueerd naar Zagreb (waar dat gehos met Wim-Alex plaatsvond) alsof er niet veel aan de hand was geweest, de vluchtelingen waren geëvacueerd en dat was best goed verlopen, de omstandigheden in aanmerking genomen. Een fotorolletje waarop foto’s van executies ging verloren in een ontwikkelbad met een verkeerde oplossing. Een video met gewelddadigheden werd gewist.
Pas later drong de omvang van de moordpartij door, nadat er satellietbeelden waren vrijgegeven waarop vrij duidelijk massagraven te zien waren. Toen hadden de Serviërs echter de tijd gehad om de doden in de massagraven op te graven – wat ze deden met bulldozers – en de brokstukken mens willekeurig over verschillende andere massagraven te verdelen. Massagraven werden meerdere keren omgewoeld en de resten verder verdeeld. Daarom duurt het zo lang voordat de slachtoffers geïdentificeerd kunnen worden; hun resten zijn verspreid over een groot gebied, en dat maakt identificatie moeilijker. Nu, 30 jaar later, zijn nog steeds niet alle vermisten gevonden en wordt nog altijd gewerkt aan het reconstrueren van lichamen zodat ze een fatsoenlijke begrafenis kunnen krijgen.

Srebrenica zelf is weer een klein, rustig stadje, waar niet veel te doen is. Op een rotonde staat een wereldbol met erbovenop vier goudkleurige kinderen die een dansje maken. Er zijn een paar sportvelden die gedoneerd zijn door een Bosnische voetballer die in Engeland speelt. Er is een supermarkt, er zijn wat barretjes en restaurantjes, een moskee, een kerk. Er wapperen aan het gemeentehuis drie vlaggen: die van de Republika Srpska, die van Bosnië-Herzegovina en die van het stadje zelf. Een oude vrouw die ik al eerder tegenkwam groet me hartelijk. Ze maakt een zwaaiend gebaar met haar arm en zegt in het Bosnisch: ‘Kijk, ik loop nog elke dag een rondje.’ ‘Geweldig’, zeg ik terug. Ze loopt op sokken in slippers, met een stok, heeft een gezicht als een gerimpeld appeltje en om haar hoofd een sjaaltje dat onder haar kin is vastgeknoopt. De mannen in het café aan de overkant groeten haar luidruchtig, waarop ze, ondeugend ineens, iets terugroept.
Als S. de auto niet zo makkelijk van de parkeerplaats op de weg lijkt te krijgen, schiet een van de mannen op het terras overeind om te helpen. Hij gaat achter het stuur zitten, draait ‘Muis’ de weg op, stapt uit en zegt: zo oke? We zwaaien naar elkaar bij het wegrijden.

(Afbeelding: foto van een muur in de voormalige Dutchbat compound in Potocari)

De wereld op z’n kop

Ik moet een jaar of dertien geweest zijn, toen twee Iraanse jonge mannen, vluchtelingen, mij op straat aanspraken over de situatie in hun land van herkomst. Een ervan had een multomap met foto’s in plastic hoesjes in zijn handen. Op de foto die bovenop lag, stond een man met een zware metalen kap over zijn hoofd. De kap was een martelwerktuig dat de SAVAK, de geheime politie van sjah Reza Pahlavi, gebruikte. Het loodzware ding bedekte het hele hoofd en leunde op de schouders. Er werd met hamers tegenaan geslagen. Aan het oorverdovende lawaai was geen ontsnappen mogelijk. Van de trillingen raakte je volledig gedesoriënteerd. Geluid kan krankzinnig maken. Ik kon het me al te levendig voorstellen en ben het nooit vergeten.

Zoals er gedaan wordt alsof de genocide in Gaza begonnen in als reactie op ‘7 oktober’,
wordt er nu gedaan alsof er niets voorafging aan het ayatollah-regime in Iran. Geen Mohammad Mossadeq, die na WOII hervormingen doorvoerde en de door de Britten overheerste olie-industrie wilde nationaliseren, opdat Iran zelf de vruchten van haar rijkdommen zou plukken. De CIA en MI6 namen tegenmaatregelen en organiseerden een staatsgreep. Zo kwam de Pahlavi dynastie weer terug in het centrum van de macht. De heerschappij van de sjah was niet vredelievend, wat de oude beelden van blije vrouwen zonder hoofddoek ook proberen voor te spiegelen. Het was een dictatuur.
Die dictatuur van sjah en SAVAK riep verzet op, en leidde tot een revolutie, waarbij de in ballingschap levende Khomeini zich ontpopte tot leider. In 1979 keerde hij terug naar Iran en vestigde een religieus regime dat ook uitgroeide tot een dictatuur. Alweer. En weer is er verzet, komen Iraniërs in opstand tegen ondraaglijke leefregels van een machtswellustig regime.
Amerika, onder een zwakzinnige en kwaadaardige president, wordt bevangen door een geestdriftig verlangen de Iraniërs te bevrijden, op instigatie van Israël, dat als een duiveltje op de schouder van het monster onophoudelijk oproept tot geweld, machtsvertoon, bloedvergieten.
De bommen vallen, de mensen sterven.
Dat opnieuw het internationaal recht geschonden wordt, is al bijna gewoon geworden. Het heeft immers geen consequenties. NAVObaas Rutte put zich uit in onderdanigheid, want de NAVO kan niet zonder Amerika. In Nederland toeteren types als Ulysse Ellian hun steun voor de kleinzoon van de sjah, die in de VS in de startblokken staat om van Iran een ‘democratie’ te maken. Premier Jetten vindt de vijandigheden tegenover Iran niet zo leuk, maar wel begrijpelijk; het is weliswaar een schending van het internationaal recht en dat mag dus eigenlijk niet, maar Iran is natuurlijk wel een schurkenstaat! En Yesilgöz, onverstoorbaar werkend aan haar eigen zichtbaarheid, gaat voor een slordige ton op bezoek bij ‘ons’ marineschip, dat dapper paraat is in het gebied om onze veiligheid te garanderen.

Iran reageert uiteraard op de standrechtelijke executie van Khamenei en de bommenregens. (Hoe durven ze!) De Straat van Hormuz wordt afgesloten. Dat is slecht voor de wereldeconomie. De brandstofprijzen schieten omhoog. Bij de pomp wordt harder gehuild om de onrust in de portemonnee dan om de door de bommen getroffenen.
Nu de wereldeconomie onder vuur ligt, is er van regime change geen sprake meer. De Straat van Hormuz moet open, koste wat het kost. De Iraniërs hebben het nakijken: die zijn én door de bommen geschonden én het vervloekte regime zit nog stevig (en verjongd) in het zadel. Vrouwenrechten zijn gewoon weer ondergeschikt aan de benzineprijs. De kleinzoon van de sjah kan, voorlopig, terug in zijn hok. Trump wisselt tussen barbaarse dreigementen en een soort appeasement met het Iraanse regime, met Pakistan als bemiddelaar.
En Israël? Bibi en de losgeslagen horde rondom hem blijven gewoon hun gang gaan, in Gaza, op de Westoever, in Libanon, en, zodra dat weer kan, voluit weer in Iran, want dat land en volk mag vernietigd worden om Israëls bestaansrecht te verzekeren.
En onze regering? Die kijkt hoofdschuddend en handenwrijvend toe. Wil meedoen aan het beveiligen van de Straat van Hormuz, ook als we op die manier toch een illegale oorlog ingerommeld worden, maar sancties tegen Israël? Dat gaat te ver. En Amerika op het matje roepen? Nee, joh, we sturen onze koning en koningin op een logeerpartijtje.

Brieven uit Polen

Brieven uit Polen - Saskia Kunst- 2025

Deze ‘Brieven uit Polen’ zijn geschreven in de zomer van 2025 tijdens een tocht door Polen.
Ik bezocht daar de plaatsen waar de Holocaust zich heeft voltrokken, om meer inzicht te krijgen in de omstandigheden waardoor we zo snel verrechtsen en waaronder de huidige genocide in Palestina plaatsvindt.

Of dat gelukt is, durf ik (nog) niet te zeggen, maar door me te verdiepen in de geschiedenis zijn de parallellen tussen toen en nu helderder geworden.
De verbanden tussen het nazisme van toen, het opkomend
fascisme van nu; gecultiveerd slachtofferschap, nationalisme,
superioriteitsgevoel, de haat tegen anderen die – als je even niet
oplet – ontaarden kan in uitsluiting, deportatie, massamoord.
Dat wegkijken de meest gangbare attitude is, medeplichtigheid altijd op de loer ligt, en dat bijna niemand in staat is om ‘de ander’ te behandelen als hij zelf behandeld wil worden, zeker niet als er gebrek is en er gevaar dreigt. En dat, ondanks al dat, de hoop op betere tijden en verlangen naar rechtvaardigheid altijd de motor is voor verzet, hoe klein ook.

Lees de brieven via de link: Saskia Kunst – Brieven uit Polen – 2025

Overbodige eters

Volksgenosse, das ist auch Dein Geld - Neues Volk

De eerste gaskamer die ik zag was witgepleisterd. In de ruimte stonden portretten op ijzeren staven, wat me deed denken aan hoe sommige mensen ansichtkaarten als decoratie neerzetten. De portretten waren van mensen die in de gaskamer waren vermoord; mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking.
Het was in Pirne, in Sonnenstein, een van de oudste psychiatrische inrichtingen in Duitsland, in de duistere jaren een van de centra waar Aktion T4, een eugenetische operatie om het Duitse ras gezond te houden, in 1940 en 1941 werd uitgevoerd. De naam T4 verwijst naar het hoofdkwartier van de Aktion aan de Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, want er waren meer van dit soort centra. Zeker 70.000 mensen werden in die twee jaren in tot gaskamers omgebouwde kelders, vrachtwagens of door dodelijke injecties vermoord omwille van het idee van raszuiverheid.
De Gedenkstätte is nieuw, in de DDR-tijd was er weinig aandacht voor slachtoffers die niet als antifascistisch konden worden gekwalificeerd, en wat herdenken betreft had men zowel in Oost als in West sowieso de handen vol aan de Holocaust.
Het instituut is nog steeds een ziekenhuis. Op het plein voor de herdenkingskelder zitten bewoners op een bank in de zon. Een van hen graait met zijn handen in de lucht en vertelt met verve een verhaal in een klankenpalet waarvan ik de betekenis niet ken. Zijn publiek luistert met open mond.

Eugenetica – het manipuleren van menselijk leven – is geen uitvinding van de nazi’s, en is ook niet in 1945 ter ziele gegaan. Het idee dat mensen maakbaar zijn, en ‘vlekjes’ kunnen of moeten worden weggepoetst is wijdverbreid.
In Amerika bedachten schedelmetende onderzoekers en veeboeren met een voorliefde voor raszuiverheid dat je, als je het perfecte rund kon creëren door natuurlijke selectie een handje te helpen, je die kennis ook op mensen moest kunnen toepassen.
De Brit Galton, antropoloog en neef van Darwin, zag eind negentiende eeuw wel wat in het toepassen van de survival of the fittest theory op zijn medemens.
In Australië probeerde de blanke indringers nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Aboriginal bloed uit de oorspronkelijke bewoners te fokken. Er was ontdekt dat sommige Aboriginal kindjes blond haar hadden. Dat was genoeg voor de raszuiverheidspioniers om ervan uit te gaan dat er dus toch iets van waarde in het genetisch materiaal van de oorspronkelijke bewoners moest zitten, dat verdund was geraakt in de loop der tijd. Het onterende experiment was erop gericht die verdunning terug te draaien.
In India werden tijdens de Emergency onder leiding van Sanjay, zoon van toenmalige minister president Indira Gandhi, op grote schaal gedwongen sterilisaties verricht, niet toevallig vooral bij lage kaste-hindoes en moslims; een praktijk die ook nu in verschillende landen nog populair is om groei van bepaalde minder gewenste bevolkingsgroepen te beperken.
Ook in Nederland zijn mensen gedwongen onvruchtbaar gemaakt om te voorkomen dat ze in staat zouden zijn zich voort te planten. Het was tot 2014 standaardpraktijk bij mensen die een geslachtsverandering ondergingen. Bij tijd en wijle laait de discussie over eugenetica weer op, bijvoorbeeld rondom abortus bij erfelijke ziekten of vastgestelde afwijkingen aan de foetus.

Al is de moeite die de nazi’s hadden met mensen die niet voldeden aan de door hen verbeelde ‘gezonde geest in een gezond lichaam’ dus niet uniek, hun oplossing was karakteristiek meedogenloos.
Aktion T4 begon in 1939. Bij iedereen die afweek van de nazinorm en het Germaanse ras door voortplanting kon verzwakken, moest voorkomen worden dat het ondeugdelijke genetisch materiaal kon worden doorgegeven. Elk leven dat in de ogen van de nazi’s niet volwaardig was, kon maar beter worden beëindigd. De genade dood noemde men dat, ter voorkoming van onnodig lijden. En passant werd zo ook afgerekend met ‘nutteloze eters’, mensen die onderhouden moesten worden zonder dat ze er iets voor terug gaven.
Het programma stond onder leiding van artsen die de patiënten beoordeelden op aandoening, eventuele bruikbaarheid en mate van lijden, met een scherp oog voor de kosten die bespaard konden worden als er niet behandeld werd. Verpleegkundigen hielpen gedwee mee om de mensen die met bussen vanuit hun instellingen werden aangevoerd na de keuring de gaskamer in te leiden.
Af en toe werden er zieken uit concentratiekampen opgebracht, dat waren immers als ze niet meer konden werken ook nutteloze eters.
In 1941 werd vanuit de katholieke kerk bezwaar gemaakt tegen het doden van onschuldige Duitse burgers, en omwonenden klaagden in toenemende mate over de stank van het crematorium en andere overlast. De commotie had enig effect, maar Aktion T4 werd niet opgeheven; het ging op een lager pitje door, waarbij uithongering de plaats van vergassing innam. De patiënten stierven in hun eigen instellingen, verspreid over het land, zodat het minder in het oog liep.

Ondertussen prepareerden de centra van T4 personeel dat gewend raakte aan het transporteren, selecteren en ombrengen van onschuldige, weerloze mensen. Mensen die experimenteerden met vergassing; die de voors- en tegens van koolmonoxide overwogen en zich afvroegen wat nou efficiënter was: een vaste  gaskamer of rijdende gasbussen. Die uitvonden hoeveel van het bestrijdingsmiddel Zyklon B nodig was om mensen dood te maken, en hoe lang dat dan duurde.
Elke handeling werd uitgevoerd door in de praktijk geschoold personeel, dat zijn nut en dienstbaarheid bewezen had en na de ervaring opgedaan bij T4 rijp was  voor verdere arbeid in Polen. Daar pasten ze de kennis toe en perfectioneerden de moordmethoden in de vernietgingskampen van Aktion Reinhard: Belzec, Treblinka en Sobibor, waar in 1942 en 1943 anderhalf tot twee miljoen mensen werden omgebracht. Poolse burgers, joods en niet-joods, uit het directe zicht van de Heimat.

Een onrecht herstellen

Eitan Oster

In de Tweede Wereldoorlog heette de Poolse stad Łódź Litzmannstadt, naar een Duitse generaal. De nazi’s vonden dat de Warthegau, het deel van Polen waarin Łódź ligt, integraal onderdeel van het Reich was, en daarom Judenfrei moest zijn.
De joden van Łódź, onteigend, verarmd en gemerkt met de ster, werden vanaf 1939 samengedreven in een getto, weggevoerd naar kampen of naar het General Gouvernement van Hans Frank om van daaruit verder verwerkt te worden.
Hans Frank zat niet te wachten op al die joden in zijn General Gouvernement. Siberië werd voorgesteld als hervestigingsoptie, maar ja, de Sovjets zaten in de weg. Bij gebrek aan andere alternatieven kreeg het idee van de Endlösung voet aan de grond. De nazi’s konden zich een Polen zonder joden (en liefst ook met substantieel minder Polen) net zo goed voorstellen als Daniella Weiss een Gazastrook zonder Gazanen. Het kost enige inspanning, maar dan heb je ook wat.

Łódź getto werd een overbevolkt werkkamp, geleid door Chaim Rumkowski, leider van de lokale Joodse Raad. Rumkowski meende dat als het getto maar productief genoeg was, de nazi’s de joden met rust zouden laten. De gettobewoners werden dagelijks afgebeuld in de lokale industrie ten bate van de Duitse oorlogsmachinerie.
Omdat er steeds nieuwe transporten aankwamen, raakte het getto onleefbaar overbevolkt. De Joodse Raad van Rumkowski werd verantwoordelijk voor het selecteren van de personen die moesten vertrekken. Richting Chelmno nad Neren – Kulmhof, een kamp waar met vergassing werd geëxperimenteerd als opmaat voor Aktion Reinhard – de massavernietiging in de Poolse kampen.
In Chelmno gebruikte men nog geen Zyklon B, maar uitlaatgassen van dieselmotoren, eerst in tot mobiele gaskamers omgebouwde vrachtwagens, later in vaste gaskamers waar de uitlaatgassen ingepompt werden. Gewoon, omdat het kon.
Rumkowski geloofde er zo heilig in dat hun arbeidspotentieel de joden zou redden van de vernietiging, dat hij in 1942 de gettobewoners overhaalde kinderen en ouderen uit te leveren: het quotum van 20.000 af te transporteren personen werd gevuld met onproductieve koters en oudjes. Uiteindelijk waren zulke pogingen tot overleven slechts uitstel ten bate van de Duitse oorlogvoering: het getto werd in 1944 geliquideerd en de mensen vermoord.

Bij Radegast, het stationnetje van waar de treinen naar de kampen vertrokken, is een herinneringsplaats gemaakt. In het houten gebouwtje bij het perron staat een grote maquette van het getto. Aan het perron staan een paar veewagons op de rails. Een lange betonnen gang leidt naar een halletje met gedenkplaten; een holle zuil reikt naar de hemel, lijkt op een schoorsteen. In de gang hangen de transportlijsten uit het getto, duizenden namen, netjes uitgetypt, vel na vel na vel.

Terwijl we de herdenkingsplaats bekijken rijden er vier bussen aan. Jonge Israeli – ze lijken de leeftijd te hebben van jongeren die van de middelbare school komen en straks het leger ingaan – komen kijken. Er zijn een paar bewakers bij, die zich strategisch posteren. Een ervan zegt dat we de groep niet mogen fotograferen.
De jongeren lopen rond, kijken naar de wagons, lopen door de tunnel. En gaan weer richting de bussen. Drie meiden lopen eerst nog naar een halve lantaarnpaal tegenover het monument met het opschrift ‘Gij zult niet doden’. Een van hen hurkt bij de paal, plakt er iets op en loopt met haar twee vriendinnen terug naar de bussen.
Nadat die zijn weggereden, ga ik kijken. Op de paal zijn stickers geplakt van soldaten die in de strijd in Gaza zijn omgekomen. Jonge mannen, ferme gezichten. Dode helden.
Automatisch begin ik aan de stickers te pulken, ze laten makkelijk los. Een voor een trek ik ze weg, plak ze tegen elkaar aan zodat het geen klont wordt. Er rijden twee fietsers voorbij, Poolse jonge mannen in fietsoutfit, met helmpjes op. Ze stoppen.
‘Waarom maak je dat kapot?’
‘Ik maak niets kapot, ik herstel iets.’
‘Maar mensen hebben dat opgeplakt ter herinnering.’
‘Ja, dat begrijp ik, maar ik verwijder het uit respect.’
‘Haal je dan ook lampjes weg die mensen bij een graf neerzetten?’
‘Nee, natuurlijk niet, maar dit is echt iets anders. Ik maak niets kapot, ik maak iets weer heel.’
De fietsers kijken wat bevreemd maar groeten me vriendelijk voor ze verder gaan.

De stickers zijn geen spontane uiting van het herdenken van doden. Het moet voorbereid zijn, de stickers geprint en meegenomen. Er is van tevoren over nagedacht.
Ik vind dat onverdraaglijk, het verbinden van de nazislachtoffers met de uitvoerders van de genocide in Gaza. Alsof de Holocaust een vrijbrief is voor de moordpartij; de ‘veiligheid’ van joden ten koste van alles moet worden gewaarborgd. Alsof joden geen mensen zijn zoals wij allemaal. Dat claimen van het ultieme slachtofferschap, generaties na de oorlog, als bouwsteen voor een uitverkoren volk-identiteit vind ik misselijkmakend.
Dat jonge, beïnvloedbare Israëli op deze manier worden misleid is verschrikkelijk. Natuurlijk zijn vrienden, familie en dierbaren verdrietig als er een soldaat omkomt. Dat spreekt vanzelf. Maar deze doden per met voorbedachten rade geproduceerde stickers verknopen aan de holocaustslachtoffers is een wandaad. Die wilde ik ongedaan maken.

Van de geschiedenis leren…

dagboekje Mittelbau Dora

Altijd wordt maar beweerd dat ‘we niks leren van de geschiedenis’, terwijl dat toch aantoonbaar niet waar is. We leren ons rot van het verleden. Kijk maar naar uithongering, landjepik en volkenmoord. Voorbeelden van praktijken van vroeger waar we ook vandaag de dag nog van leren. Een paar voorbeelden:

Hitler – om maar te beginnen met iemand die we allemaal wel kennen – beschouwde uithongering als een legitiem middel waarbij het Herrenvolk-van-dienst het volste recht had om inferieure volken alle voedsel te ontzeggen. Hij vond het gewoon een plicht van de sterken om de zwakken uit te hongeren.

Inferieure rassen moesten volgens Hitler niet alleen worden uitgehongerd, ook hun land moest worden afgepakt. (zie: Zwarte aarde van Timothy Snyder, vanaf p.20).
Het Herrenvolk had Lebensraum nodig. En volgens de wet van het recht van de sterkste bedien je je dan van het land van de zwakken. Landjepik, heel normaal, puur natuur. En alles wat niet crepeert, of uit eigen beweging vertrekt, verdrijf je.

Hitler had dat volgens eigen zeggen afgekeken van de Amerikanen, die het succesvol toepasten bij het koloniseren van Amerika, waarbij de blanken dat gesorteerde roodhuidenvolkje mooi in het zand liet bijten. Vrouwen en kinderen werden niet gespaard, want ‘neten worden ook luizen’, zoals de Amerikaanse kolonel John Chivington zijn manschappen toebrulde bij de slachting bij Sand Creek in 1864.
I have come to kill Indians, and believe it is right and honorable to use any means under God’s heaven to kill Indians. … Kill and scalp all, big and little; nits make lice, aldus de voormalige methodistische predikant.

Nou zou Hitler het zelf nooit hebben toegegeven, want Russen waren in zijn ogen een minderwaardig slavenvolk waar de superieure Duitsers niks van konden leren, maar stiekem heeft hij zijn tactiek ook afgekeken van Stalin, die in 1932 en 1933 Oekraïne onderwierp door moedwillige uithongering.
Hitler had, net als Stalin, zijn zinnen gezet op ‘de graanschuur van Europa’, waar de lokale bevolking dan als slaven op plantages zou werken om het Herrenvolk te dienen.
Dat slavenmodel kende hij dan weer van bijvoorbeeld de Nederlanders, die het geperfectioneerd hadden in hun koloniale plantages. Germanen naar Hitler’s hart, die Nederlanders, die wisten wat heersen was.

Dus zeg nooit meer dat ‘we’ niks van de geschiedenis leren. Want kijk naar Israel, dat zich de lessen uit de geschiedenis ter harte heeft genomen: uithongering werkt, Lebensraum is een rotwoord met een akelige bijklank, maar Eretz Yisrael of Judea en Samaria kan, is minder besmet en nog mythisch ook.
Kinderen moeten niet gespaard worden, want die groeien uit tot bijvoorbeeld Hamasstrijders die het op vernietiging van de joodse staat hebben voorzien. En zolang we maar blijven benadrukken dat het ‘mindere mensen’ of zelfs ‘onmensen’ zijn die we uithongeren, verdrijven en afmaken, is er bij onze sympathisanten, wegkijkers en meelopers nauwelijks animo om ons te stoppen. Er is her en der wel wat gekrakeel, er worden wat maatregelen voor de bühne genomen, maar die kan je – veel later – met een ‘sorry’ weer ongedaan maken. Ook dat leert ons de geschiedenis.

(Afbeelding: Dagboekje van Leopold Claessens – bijgehouden van 1 tot 25 april 1945, waarin hij optekende (In Bergen Belsen) wat hij in Mittelbau-Dora te eten had gekregen. Museum bij voormalig concentratiekamp Mittelbau-Dora, bij Nordhausen)

4 mei: ‘wij’ zijn twee minuten stil

4 mei 2025

Waarom wordt er zo ingewikkeld gedaan over 4 mei? Waarom wordt er zo’n nadruk gelegd op ‘wij zijn twee minuten stil’, zoals de nationale dominee Mirjam Bikker verordonneert alsof dat het elfde gebod is: ‘Gij zult twee minuten zwijgen op 4 mei en wel om 20.00 uur precies’.
Wie zijn die ‘wij’? Waarom breekt er paniek uit als ‘wij’ niet alleen gesanctioneerde slachtoffers van toen wensen te herdenken, maar ook slachtoffers van nu, de dood ingedreven vanwege vergelijkbare waandenkbeelden, uitsluiting en ontkenning?
Waarom vindt Frits Barend dat hem ‘iets wordt afgepakt’ als er 4 mei ook aandacht wordt gevraagd voor de slachtoffers van het mensonterende geweld dat de Israëlische regering en haar handlangers over Gaza en steeds meer ook over de Westbank uitstorten?

Waarom doet Wilders alsof hij tot op zijn atheïstische botten gekrenkt is als er op eerste paasdag voor Palestijnse rechten wordt gedemonstreerd, nota bene door moslims? Waarom is dat een ‘pure provocatie’, maar is het wel acceptabel als er in het Hebreeuws wordt gezongen en/of gespeecht op een steunbetuiging aan Israël?
Omdat ‘wij’ Israël steunen, ‘wij’ Israëls recht op zelfverdediging benadrukken, ook al leidt dat tot massamoord en Israël geen moeite heeft met het doden van kinderen, journalisten, artsen, hulpverleners.
‘Wij’ herdenken de joodse slachtoffers van de Holocaust, ‘wij’ gunnen de joden hun moment, ‘wij’ stellen onder geen enkele voorwaarde het bestaansrecht van Israël ter discussie.

Wij, als in wat Benedict Anderson1 de verbeelde gemeenschap noemt, de ‘wij’ in ‘wij Nederlanders’. Een geconstrueerd groepsgevoel, dat in stand gehouden moet worden, met een eenduidig gedeeld verleden, rituelen en – deels verzonnen2 – tradities als bindmiddel.
Om die ‘wij’ te definiëren is vanzelfsprekend ook een ‘zij’ nodig: in de context van deze 4 mei zijn dat de mensen die slachtofferschap wat breder zien dan ’wij’ toelaatbaar vinden: moslims, Palestijnenvrienden en Hamas-knuffelaars. Ook bekend als ‘tuig’.

Op 4 mei herdenken ‘wij’ onze doden. En volgens de verzonnen traditie van onze joods-christelijke waarden is daarin geen ruimte voor andere slachtoffers dan die van ons.
Omdat ‘we’ ons collectief tijdens de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, tijdens de oorlog en erna niet bepaald ondersteunend, beschermend en verwelkomend tegenover onze joodse medemensen hebben gedragen, moeten deze smetten op ons blazoen gecompenseerd worden door alle kritiek op de staat Israël de kop in te drukken.
Dat er Nederlandse politici zijn die openlijk beweren dat antisemitisme met de moslims ons land is binnengekomen, geeft vooral aan hoe ver ‘we’ willen gaan om onze verbeelde gemeenschap in stand te houden.

Daarin zijn we niet alleen. Ook in Israël werd een verbeelde gemeenschap tot stand gebracht. ‘Wij’ mogen denken dat Israël aan de joden gegeven is als veilige haven voor de slachtoffers van de Holocaust, maar net na de Tweede Wereldoorlog vond Ben Goerion dat zijn jonge land meer had aan zionistische strijders dan aan getraumatiseerde Holocaust overlevenden.
Door het Eichmannproces in 19613 , waarbij een van de hoofdverantwoordelijken voor de deportatie en massamoord op de Europese joden terechtstond in Jeruzalem, ging de Holocaust een prominentere plaats innemen als bouwsteen van de identiteit van Israëli’s. Na de Zesdaagse oorlog in 1967, die Israël op overtuigende wijze won, werd afgerekend met het ‘als makke schapen ter slachtbank-syndroom’; werd Israël tot een baken van westerse democratie in een zee van vijandigheid en kon de Holocaust, op aangeven van Amerikaanse joden4, zijn allesbepalende plaats innemen in de lijdensgeschiedenis van het joodse volk.

Het idee dat het zo vervolgde joodse volk als een krachtige, strijdbare Phoenix uit de as herrees in het heilige, beloofde land, gaf Israël ook in Nederland een mythische glans. Israël steunen werd een teken van westerse beschaving: we hadden onze les geleerd.
Het ‘nooit meer’ in relatie tot de Holocaust werd toegevoegd aan de ingrediënten van onze verbeelde gemeenschap. We vonden tradities uit als de Nationale Dodenherdenking op de Dam, waarbij de joodse slachtoffers van het naziregime een centrale plaats kregen5. Een jaarlijks ritueel dat ‘wij’ als natie, als volk, als verbeelde gemeenschap beleven.
‘Wij’ zijn twee minuten stil.

Maar nu, onder de loden last van een andere genocide, mede uitgevoerd door nazaten van de slachtoffers van de Holocaust en gretig ondersteund door onze regering, brokkelt dat ‘wij’ af. Er klinken andere stemmen. Stemmen die de hypocrisie niet accepteren. Die het een gotspe vinden dat omvolkingstheorie-aanhanger Martin Bosma namens ‘ons’ een krans legt op 4 mei. Die het onverteerbaar vinden dat ‘nooit meer’ alle betekenis verloren heeft als het niet ook over Palestijnen gaat, en niet willen herdenken in het gezelschap van medeplichtigen of willen luisteren naar een premier die ongeloofwaardigheid een nieuwe dimensie geeft.

De scheuren in de dominante, veilige, witte ‘zo doen wij dat in Nederland’ verbeelde gemeenschap die steeds zichtbaarder worden, veroorzaken ook het rumoer rond 4 mei.
‘Onze’ nationale identiteit, opgebouwd uit geschiedenis en brokjes mythe zoals een glorieus koloniaal- en verzetsverleden, dat ‘we’ toch niet wisten wat er met de joden in het Oosten gebeurde6, dat ‘we’ tolerant en vrijzinnig zijn, dat ‘we’ beschermend om ‘onze joden’ gaan staan en het antisemitisme van de nieuwkomers komt, wordt bevraagd, betwist en ontmaskerd.
Het dwangmatig vasthouden aan de valse illusie van een nationale identiteit (‘we zijn twee minuten stil’) roept weerstand op. Weerstand die wordt aangejaagd door de schandelijke houding van de Nederlandse regering ten opzichte van de genocide in Gaza.
Weerstand, omdat het lijkt alsof ‘we’ op 4 mei op de Dam niet zozeer de doden herdenken, maar kransen leggen bij de gekoesterde Nederlandse verbeelde gemeenschap ‘van vreemde smetten vrij’.

1. Benedict Anderson, Imagined Communities. Refections on the origine and spread of nationalism, 1983
2. Eric Hobsbawn, The invention of tradition, 1983 
3. Lees er Eichmann in Jeruzalem van Hannah Arendt op na.
4. Of, heftiger, De Holocaust-industrie. Bespiegelingen over de exploitatie van het joodse lijden van Norman Finkelstein (editie 2000).
5. Dat gebeurde echter pas in de jaren zestig. Daarvoor was er weinig aandacht voor de slachtoffers van de Holocaust, en werden vooral militairen en verzetsstrijders herdacht.
6. Bart van den Boom, Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust, 2012