Leed als attractie

In Herinneringscentrum Kamp Westerbork staan drie meisjes bij een reconstructie van een driehoog stapelbed. Het ene meisje lijkt iets ouder dan de andere twee. Ik schat zo in dat het brugklassers zijn. Het oudere meisje geeft blijk van een groot voorstellingsvermogen. Ze zegt: ‘En als je dan ziek was, in dat bovenste bed, en je liet alles lopen, je weet wel, dan kwam dat dus op de anderen in de bedden daaronder. Een van de twee andere meisjes wendt haar blik af, kijkt naar het trapje, naar de potkachel met erop een emaillen theepot. Het andere meisje kijkt even omhoog, naar het bovenste bed, en dan weer, als gebiologeerd, naar het sprekende meisje, dat haar verhaal met plastische handbewegingen illustreert.
Even later staan twee jochies, kleiner nog, basisschool, over hun blaadje met vragen gebogen. Ze snappen het niet: welk symbool voor een gedeporteerde Roma of Sinti staat op de stenen van het monument voor de weggevoerden? Ze kijken verbaasd rond. Welk monument, zie je ze denken. ‘Een vlam’, zeg ik. ‘Wel even checken hoor, of het klopt, straks buiten. Midden in het stenenmonument kom ik ze weer tegen. ‘Dank u wel, mevrouw, we hebben het gevonden hoor.’ 
Deze herinnering komt in me op vanwege de discussie over de noodzaak van  Holocaustonderwijs, en maakt de weg vrij voor andere herinneringen: 
Vlak voor het uitbreken van de eerste Intifada sta ik voor de ingang van Yad Vashem in Jerusalem. Ik ben aan het overwegen of ik naar binnen zal gaan. Er dromt een groep mensen samen bij de ingang. Een vrouw maakt een handgebaar in de richting van het museum. Ze zegt, in schel Amerikaans: ‘I’m hungry. I sure hope they do a decent sandwich in there.’ Ik ga toch maar niet naar binnen.
In Cambodja, een land met een eigen geschiedenis van gruwelijkheden, bezoek ik Tuol Sleng, het genocidemuseum in een voormalige school in Phnom Penh die tijdens het regime van de Rode Khmer onder de naam S21 in gebruik was als gevangenis en martelcentrum. In elke reisgids wordt het museum aangeprezen als een must see. Net als de killing fields in Choeung Ek, op ongeveer tien kilometer van de stad, waar gevangenen naar toegebracht werden om te worden vermoord. Op het terrein staat een grote, dikke boom. Tegen die boom werden baby’s en kleine kinderen doodgeslagen. Als ik het terrein bezoek zie ik westerse jongeren selfies maken voor die boom. Sommigen wijzen naar de boom terwijl hun reisgenoot een foto maakt. Anderen nemen een zodanige pose aan, zodat zowel zij zelf als de boom goed op de foto komen.

In Cambodja zijn de plekken waar onuitsprekelijke gruweldaden plaatsvonden onderdeel geworden van een toeristische agenda. Het zijn attracties geworden, die je gezien moet hebben, en waar je je laat fotograferen om te kunnen laten zien dat je er was.
Een echo hiervan hoor ik bij de Amerikaanse die bij Yad Vashem vooral denkt aan een decent sandwich. En, veel zachter, ook bij het verhaal van het meisje in Westerbork, die haar klasgenoten iets gruwelijks verteld alsof het om een griezelverhaal gaat.
Wat je moet zien te voorkomen is dat herinneringsplekken uit de Tweede Wereldoorlog langzaam een soort ‘Amsterdam Dungeon’ worden. Waar je ‘de duistere kant van de geschiedenis’ kunt ontdekken door ‘te duiken in de wereld van heksenvervolgingen, martelingen en executies’.
Dat kan door onderwijs over de Jodenvervolging. En door die geschiedenis te duiden met voorbeelden waartoe de kinderen of jongvolwassenen die je onderwijst zich kunnen verhouden, zodat ze zich een betere voorstelling kunnen maken van wat uitsluiting en vervolging betekent. Door er bijvoorbeeld bij te betrekken wat vrouwen en meisjes meemaken onder de Taliban, wat er gebeurde in Cambodja, in Srebrenica, in Zuid-Afrika, Rwanda, en wat er nu gebeurt in Gaza. Ook dan kan je duidelijk maken dat het systematisch vermoorden van miljoenen mensen een historisch unicum is, dat antisemitisme een gif is dat moet worden uitgebannen, en dat joden geen homogene groep zijn die je niet collectief verantwoordelijk mag stellen voor de gedragingen van de staat Israël. Moslimjongeren zullen dat vast begrijpen, gezien de ervaringen van hun eigen groep die collectief afstand moet nemen van ‘islamitische terreur’, ook al hebben ze er niets mee te maken.

Het boek Ester, Bijbelexegese met Mirjam Bikker

Mirjam Bikker stapt naar het spreekgestoelte van de Tweede kamer zoals een dominee naar de kansel. Ik heb bij haar überhaupt het gevoel dat ze beter op haar plaats zou zijn als predikant dan als politica, omdat ze zo graag de morele wet voorschrijft, hoe we met elkaar moeten omgaan, en hoe we moeten herdenken. ‘Wij zijn op 4 mei twee minuten stil’. Alsof het twee minuten stil zijn de bokken van de schapen scheidt, de kwaden van de goeden, en in het huidige tijdsgewricht: de antisemieten van de filosemieten.

Haar bijdrage aan het debat over antisemitisme dat op 25 april werd gehouden in de Tweede Kamer begint Bikker met een verwijzing naar de Bijbelse Ester, vanwege Poerim, of het Lotenfeest, dat de joodse gemeenschap op 22 en 23 april vierde. Ester voert ze op als sterke vrouw die met gevaar voor eigen leven de eerste pogrom tegen de joden wist te voorkomen.
Daar wilde ik meer van weten. Ik las het boek Ester in de Statenvertaling met de EO-vertaling ernaast. Dat was verhelderend.
Hier volgt een samenvatting, een beetje lang wellicht, maar de moeite waard.

Het gebeurde in die dagen [in de vijfde eeuw voor Christus] dat koning Ahasveros van Perzië een groots feest gaf in Susa, zijn vesting. Na zeven dagen feesten ontbiedt hij zijn vrouw Vasti, omdat hij haar schoonheid aan zijn gasten wil tonen. Vasti weigert te verschijnen. Dat zint de vorst niet en op advies van zijn raadsheren verstoot hij haar. Want als de ongehoorzaamheid van de koningin ongestraft zou blijven, zouden vrouwen geen achting meer hebben voor hun mannen.

Na enige tijd gaat de koning zijn vrouw missen. Om dat te verhelpen stellen zijn adviseurs voor om de mooiste maagden uit zijn koninkrijk voor hem te verzamelen, zodat hij een nieuwe vrouw kan kiezen. Ester, een weesmeisje dat onder bescherming staat van haar neef Mordechai, een jood in ballingschap die in het paleis werkt, wordt de uitverkorene. Wanneer zij na een uitgebreide schoonheidsbehandeling voor de nacht naar de koning wordt gebracht, raakt hij onder haar bekoring en kiest haar als zijn koningin. Ze gaat wonen in de harem en verzwijgt, op advies van Mordechai, dat ze joods is.

Mordechai hoort op een zekere dag twee mannen een plan beramen om de koning te vermoorden. Hij vertelt dit aan Ester, die de koning van dit snode plan op de hoogte brengt. De verdenking blijkt gegrond, de twee mannen worden opgepakt en ophangen. Dit voorval en de rol van Mordechai in het verijdelen van de aanslag worden opgenomen in de kronieken.

De Amalekiet Haman is door de koning aangesteld op de hoogste positie aan het hof. Iedereen moet voor hem een knieval maken. Mordechai weigert dat als enige, en dat wekt de woede van Haman op. Hij besluit dat Mordechai moet sterven, en met hem alle joden in het koninkrijk. Haman zegt tegen de koning dat de joden overal in zijn rijk wonen maar dat ze zich niet aan zijn wetten houden en dus uitgeroeid moeten worden. Haman belooft 10.000 zilveren talenten voor de schatkist, en krijgt toestemming van de koning om met de joden te doen wat hem goeddunkt. Naar alle uithoeken van het rijk stuurt Haman een bevel om de joden uit te moorden, met een precieze datum waarop dat moet gebeuren. Haman realiseert zich niet dat ook Ester joods is.

Wanneer Mordechai van het decreet hoort is hij ten einde raad. Hij scheurt zijn kleren en bedekt zijn hoofd met as. Ester, verborgen in de harem, vraagt zich af wat er met Mordechai aan de hand is. Hij stuurt haar een bericht: ga naar de koning en smeek hem om genade voor het joodse volk.
Ester twijfelt, want zonder uitnodiging naar de koning gaan wordt met de dood bestraft. Dat lot kan alleen afgewend worden als de koning zijn gouden staf naar je uitsteekt.
Maar Mordechai is streng. Hij laat haar weten: misschien denk je dat je gered zal worden omdat je in het paleis woont, maar als je niks doet, worden jij en je vaders familie [Mordechai zelf dus] gedood. En hij zegt: misschien is deze situatie wel waarom je koningin bent geworden.
Ester geeft toe. Na drie dagen vasten, gaat ze in haar mooiste gewaad naar de koning. Die geeft met zijn gouden staf aan dat ze tot hem toegelaten mag worden. Ze nodigt de koning en Haman uit om bij haar te komen eten. Tijdens dat etentje mag ze van de koning vragen wat ze wil. Ze zegt: ik weet nog niet wat ik wens, maar als jij en Haman morgen weer komen eten, zal ik zeggen wat ik wil.

Haman kan niet genieten van de eer twee keer koninklijk te mogen eten, vanwege Mordechai, die hem een doorn in het oog is. Zijn vrienden raden hem aan vast een galg te bouwen, en de volgende ochtend vroeg naar de koning te gaan en te zeggen dat Mordechai daaraan moet worden opgehangen. Dat doet Haman.

Die nacht kan de koning de slaap niet vatten. Hij laat zich voorlezen uit de kronieken en wordt er zo aan herinnerd dat Mordechai een aanslag op zijn leven heeft verijdeld. En dat Mordechai daarvoor nog niet is geëerd.

De volgende ochtend komt Haman vroeg naar het paleis om de koning het doodvonnis van Mordechai te laten bekrachtigen. Voordat hij dat kan vragen, stelt de koning hem zelf een vraag: wat is de beste manier om een man te eren? Haman denkt dat hij geëerd gaat worden en schetst wat hij zelf graag wil: een zegetocht op een koninklijk paard in een koninklijk gewaad. Mooi, zegt de koning. Ga dat maar uitvoeren voor Mordechai. Haman verbijt zich, maar heeft geen keus, hij moet doen wat de koning hem opdraagt.
En die avond moet hij ook nog naar het paleis om met Ester en de koning te eten.

De koning vraagt de lieftallige Ester tijdens die maaltijd opnieuw wat zij wenst. Zij zegt dat ze wil dat haar volk gespaard wordt, want ze zijn verkocht voor 10.000 talenten en zullen worden vermoord. Wat? roept de koning verschrikt, wie wil nou zoiets? Die daar, zegt Ester, wijzend op Haman, die zich nu realiseert dat Ester joods is.
De koning loopt woedend weg, en een bibberende Haman smeekt Ester om zijn leven te sparen. Als de koning terugkomt, heeft Haman zich juist in wanhoop op de rustbank van de koningin laten vallen. Nu rand je ook nog mijn koningin aan! schreeuwt de koning.
En zo komt het dat Haman wordt opgehangen aan de galg die hij voor Mordechai heeft opgezet.

Omdat met de dood van Haman het gevaar nog niet is afgewend, smeekt Ester de koning om het bevel dat oproept tot het doden van alle joden in het hele rijk te herroepen. Samen met Mordechai mag Ester van de koning een tegenverordening opstellen en die zegelen met zijn ring, waarmee de verordening wet wordt.

Mordechai en Ester verordenen dat de koning in alle steden joden het recht geeft om zich te verenigen en te verdedigen, en iedereen die hen wil aanvallen tot de laatste man mag doden en hun bezittingen buitmaken. Voor één bepaalde dag is dat de wet, en wel de dag die Haman door het lot liet bepalen als de dag om de joden te vermoorden. Zo krijgen de joden de kans zich op hun vijanden wreken.

Wanneer de gevreesde dag aanbreekt, hakken de joden in op hun vijanden; zij zaaien overal dood en verderf en doden in Susa alleen al 500 man, en alle tien zonen van Haman.
De koning, onder de indruk, zegt tegen Ester dat ze nog iets mag wensen.
Ester vraagt of de wet die maar één dag van kracht was, nóg een dag mag gelden. En de lijken van de tien zonen van Haman worden opgehangen. Dat mag.
De volgende dag worden nog eens 300 mensen in Susa gedood en worden de lijken van Hamans zonen aan palen opgehangen. Mordechai neemt de plaats van Haman in aan het hof en wordt een gevierd en gevreesd man. Ester verordonneert dat de redding van de joden elk jaar herdacht wordt met een groot feest, Poerim.

Je mag verwachten dat Mirjam Bikker haar Bijbel kent. Dat ze Ester aanhaalt als ‘sterke vrouw’ die de eerste pogrom op de joden weet te voorkomen is op zichzelf al oneigenlijk. Dat ze een verhaal aanhaalt waarin die ‘sterke vrouw’ na het gevaar voor de joden te hebben afgewend samen met haar neef een decreet uitvaardigt dat oproept tot het doden van de ‘vijanden van de joden’ tot de laatste man, is ronduit abject. Dat Ester aan de koning vraagt of haar decreet nóg een dag mag gelden, zodat er nóg meer gedood kan worden, en het niet genoeg vindt dat de tien zonen van Haman vermoord zijn, maar dat hun lijken tentoongesteld moeten worden, maakt het aanhalen van dit verhaal in deze tijd verwerpelijk.

(Klein extraatje: Op de website Bijbel in 1000 seconden wordt ervoor gewaarschuwd het verhaal van Ester niet te historiseren of te romantiseren)

Cellen in de bunker van Kamp Vught

Het Nationaal Monument Kamp Vught ligt pal naast de EBI Vught, de Extra Beveiligde Instelling waar topcriminelen als Ridouan Taghi en Willem Holleeder hun straf uitzitten.
Een deel van het voormalige Konzentrationslager Herzogenbusch ligt binnen de muren van de EBI, te weten de Bunker, ofwel Unit 1, de door de SS gebouwde strafgevangenis, waar in de Tweede Wereldoorlog vele verzetsstrijders hun laatste dagen doorbrachten voor ze werden gefusilleerd. De Bunker is een Rijksmonument en valt onder het oorlogserfgoed, vanwege de belangrijke en beladen geschiedenis van het gebouw.

Op 8 februari jl. dienen Ulysse Ellian (VVD) en Geert Wilders (PVV) tijdens de behandeling van de begroting voor Justitie en Veiligheid een amendement in waarin ze voorstellen om in de Bunker acht cellen te realiseren voor echte zware jongens. Er zijn te weinig cellen voor die groep, en de EBI Vught is volgens die twee een uitgelezen plek om er een paar bij te bouwen. Een meerderheid in de Tweede Kamer stemt voor. In de motie wordt met geen woord gerept over de historie van de Bunker. Sterker nog, er wordt naar de Bunker verwezen als TEBI, de Tijdelijke Extra Beveiligde Inrichting uit de jaren negentig.
Een half jaar voor de motie wordt ingediend is een expertteam opgericht om na te denken over de toekomst van de Bunker, nu in gebruik als kantoor en opslagplaats. De Rijksbouwmeester komt in september 2023 met een advies aan de minister van Justitie en Veiligheid, waarin hij stelt dat het verbouwen van de SS gevangenis tot nieuw cellenblok ‘ongewenst is vanuit moreel, emotioneel en historisch oogpunt’.
Dat advies heeft de Kamer niet bereikt.

Wat er in Kamp Vught gebeurd is, is relatief onbekend, en dat is opmerkelijk in een tijd van bijna hyper herdenken van slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.
In 1942 wordt door de Duitse bezetter opdracht gegeven tot de bouw van Kamp Vught, want Amersfoort en Westerbork kampen met ruimtegebrek. De constructie wordt bekostigd met geroofd joods kapitaal. Begin 1943 arriveren de eerste gevangenen. In september 1944 wordt het kamp ontruimd. Gevangenen gaan op transport naar andere kampen. In oktober 1944 treffen de geallieerden een leeg kamp aan.
Nu is op het terrein dus die EBI, en Nationaal Monument Kamp Vught, bestaande uit een tentoonstellingsruimte, een gerestaureerde barak, het originele crematorium en een monument voor ‘de verloren kinderen’: de 1269 joodse kinderen die op 6 en 7 juni 1943 met een of beide ouders via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd werden, waar ze bijna allemaal zijn vermoord.

In Kamp Vught zaten tijdens de anderhalf jaar dat het in gebruik was meer dan 31.000 mensen gevangen, waaronder 12.000 joden en veel verzetsstrijders. Vanuit het hele land – en vanuit België – werden verzetsmensen naar Vught gebracht en in de Bunker ‘bewaard’ tot ze werden vermoord. Meer dan 400 verzetsmensen werden in Vught ter dood gebracht. De meeste executies vonden plaats tussen juli en september 1944, op de fusilladeplaats buiten het Kamp. Hitler had, als reactie op de mislukte aanslag op zijn leven – of omdat het niet echt lekker ging met zijn oorlog – bepaald dat verzetsstrijders (‘terroristen, saboteurs’) na hun arrestatie direct en zonder proces gefusilleerd konden worden. Dat lot trof meer dan 329 mensen in kamp Vught, waaronder 23 medewerkers van het illegale blad Trouw (die nog wel waren berecht); de top van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en vele andere verzetsstrijders en politieke tegenstanders. Op zich al genoeg reden om de Bunker te willen behouden als herinneringsplaats, zou je denken.

In de Bunker vond nog een andere herdenkingswaardige gebeurtenis plaats, bekend als het ‘Bunkerdrama’. Omdat een medegevangene vertrouwelijke informatie doorgaf aan de kampleiding, besloten vrouwen die met haar een barak deelden haar vlecht af te knippen, zodat iedereen kon zien dat ze niet te vertrouwen was. De kampleiding zette daarop een van de vrouwen gevangen in de Bunker. Negentig vrouwen verklaarden zich solidair met haar. Dat protest beviel kampcommandant Grünewald niet, en hij besloot tot een nieuwe strafmaatregel. In cel 115 van de Bunker werden 74 vrouwen een hele nacht op elkaar geperst opgesloten op een oppervlakte van ongeveer 9 vierkante meter. Toen de cel de volgende morgen open ging, waren 10 vrouwen gestorven. Het drama werd bekend buiten het kamp en leidde tot protesten. Grünewald werd verantwoordelijk gehouden voor de buitenissige straf, werd gedegradeerd en naar het Oostfront gestuurd. Dat overleefde hij niet.
In het voormalige crematorium van Kamp Vught is cel 115 nagebouwd. De originele tegels liggen op de vloer. Ook de celdeur en het raambeslag zijn uit de Bunker. Elke 5 jaar wordt het Bunkerdrama herdacht op de plaats waar het echt plaatsvond: in de Bunker.

Die Bunker moet nu dus volgens een Kamermeerderheid worden verbouwd tot ultraveilige cellen voor de ergste criminelen. Oorlogserfgoed of niet. De Kamer heeft voor het aannemen van het amendement geen kennis kunnen nemen van het beschikbare advies van de Rijksbouwmeester.
Zo zien we opnieuw, dat het ministerie van Justitie en Veiligheid onder Yesilgöz niet zuiver op de graat is als het gaat om informatievoorziening. En we zien ook dat niet alle plaatsen waar slachtoffers van het naziregime zijn gevallen gelijkwaardig voor herdenking in aanmerking komen. Ook niet als het gaat om de laatste verblijfplaats van mensen die zich daadwerkelijk hebben verzet tegen bezetting, nazisme en antisemitisme.

 

‘Hoe kan een vrouw lachen als een tarweveld in het Midden-Oosten’ – de dichter Ghayath Almadhoun

‘Met deze hand geef ik je mijn pijn’, schreef de Syrische-Palestijnse-Zweedse dichter Ghayath Almadhoun in mijn exemplaar van zijn meest recente bundel Ik heb een afgehakte hand voor je meegenomen.

De bundel biedt een verzameling heftige, ontregelende, gepassioneerde, aangrijpende teksten en kanttekeningen. Tijdens de presentatie in de Amsterdamse Tolhuistuin droeg Ghayath zijn teksten voor. In het Arabisch, een taal die ik niet versta. Daarom kon ik opgaan in de klanken, in de melodie van verdriet en woede, van hartstocht met een grondtoon van melancholie. Djûke Poppinga, die opnieuw prachtig werk leverde, las ons haar vertaling voor en vulde de klankzang met betekenis.

‘Vergetelheid is dat je het je niet herinnert, hoop is dat je je dingen herinnert die niet zijn gebeurd’

Volgens Ghayath is elk gedicht politiek. Als een gedicht niet politiek is, is het opgeschoond, gecensureerd. Israël heeft de Palestijnse literatuur beschadigd, heeft het laten krimpen tot verzetsliteratuur. Zoals de in 1972 vermoorde Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani zei: ‘Als je een raam opent en je ziet een bloem en een lijk, dan kan je niet over de bloem schrijven.’

‘Ondanks de zinloosheid van de wereld waarin we leven, hou ik van je alsof je de laatste vrouw in dit zonnestelsel bent. Zoals Adorno dacht dat het barbaars was om poëzie te schrijven na Auschwitz, zo geloof ik dat het barbaars is om na jou verliefd te worden op een andere vrouw.’

Ghayath blijkt het wonderlijke talent te hebben zowel de bloem als het lijk in zijn verzen te kunnen vatten. Zelf zegt hij dat zijn poëzie zijn leven reflecteert, zijn leven als Palestijn geboren in Damascus, als Zweed woonachtig in Berlijn.

‘Toen ik de Zweedse nationaliteit kreeg, werd ik een Palestijn en kon ik naar Palestina reizen.’

In navolging van Hannah Arendt zegt Ghayath dat het hebben van een nationaliteit de enige garantie is om basale mensenrechten te kunnen claimen. Pas toen hij Zweed was geworden, werd hij tot Palestina, zijn land van herkomst, toegelaten. Als stateloze Palestijn was dat een onmogelijkheid.
Ghayath woont deels in Berlijn. Het is, zegt hij, als getrokken worden naar de plaats waar de misdaad plaatsvond. ‘Berlijn is de reden waarom ik geen land heb.’ Want zonder Hitler geen Holocaust en zonder Holocaust geen Israël. Daarom vindt hij het zo rampzalig dat elk pro-Palestina geluid in Duitsland in overtreffende trap gesmoord wordt in verboden, verdachtmakingen en beschuldigingen van antisemitisme.

‘Hoe kan ik je uitleggen hoezeer deze wereld lijkt op het klappen van magere handen op de dikke muren van de gaskamers in de vernietigingskampen, zonder dat je er een posttraumatische stressstoornis aan overhoudt? Hoe kan ik je het verschil uitleggen tussen huisslaven en landslaven, zonder dat je Syrië verwart met surrealisme? Hoe kan ik in één gedicht zeggen dat ‘mijn vrienden zijn doodgemarteld’ en dat ‘jij mooier bent dan New York’, zonder dat Lorca lacht in zijn graf, of zonder dat de poëzie losraakt van de werkelijkheid?’

‘Hou je nazisme en geef ons Immanuel Kant
Hou je zwarte hemden bij je en geef ons Italiaanse wijn
Hou je Algerijnse genocide bij je en geef ons Baudelaire
Hou Leopold II bij je en geef ons René Magritte
Hou Adolf Hitler bij je en geef ons Hannah Arendt
Hou Franco bij je en geef ons Cervantes
Hou je eigen dingen bij je en laat onze dingen aan ons’

Het liefst zou ik elke regel uit deze bundel citeren, maar beter is als iedereen de bundel koopt, leest, cadeau doet. Verspreidt. Zodat deze teksten en kanttekeningen letterlijk gaan rondzingen. Misschien dat dat helpt.

Er is iets vloekwaardig mis

Als Annabel Nanninga – die van onder andere ‘Mein Kampf, je leest 6 bladzijden en je hebt gelijk zin om joden te vergassen’1 – vol op het orgel gaat over een leus tegen genocide op een bankfiliaal in de Beethovenstraat, een straat ‘die nota bene vol ligt met Stolpersteine’; als een incidentje bij een optreden de laatste druppel is die leidt tot een verklaring van bijna de voltallige Tweede Kamer, waarin kritiek op Israël, antizionisme en pleiten voor een eind aan de genocide in Gaza op één hoop geveegd worden als ‘Jodenhaat’; als je Caroline van der Plas zonder enige gêne op de nationale tv hoort verkondigen dat Syriërs, Jemenieten en Eritreeërs Jodenhaat diep in hun ziel hebben, dan weet je dat er iets vloekwaardig mis is in Nederland.

De heilige verontwaardiging die vanuit ‘Den Haag’ en ‘de media’ over de samenleving wordt uitgestort over het toenemend antisemitisme is vooral verbijsterend in het licht van de aanhoudende steun voor Israël en het gedogen van de voortschrijdende genocide in Gaza.
Het begint er angstig veel op te lijken dat de beschuldiging van antisemitisme gebruikt wordt om je te kunnen profileren als moreel politicus. Denk: Mirjam Bikker. Dat het tekeergaan tegen al die ‘nare antisemieten’ een slimme afleidingsmanoeuvre is voor het feit dat je met droge ogen een extreemrechts kabinet aan het mogelijk maken bent. Denk: Dilan Yesilgöz.
Dat antisemitisme wordt gebruikt als een islamofobische antimigratie-stok om moslims en Arabieren mee te slaan. Denk: Caroline van der Plas.

Aan de talkshowtafel van OP1 liet deze volksvertegenwoordiger en partner in de formatie haar verontwaardiging de vrije loop: ‘We zien vooral na 7 oktober, het is natuurlijk al een hele tijd, maar vooral na 7 oktober, wat er gebeurde in Israël na de verschrikkelijke beestachtige terroristische moordpartij door Hamas dat het [antisemitisme] gewoon heel lelijk aan de oppervlakte is gekomen en dat mensen het vrij normaal vinden om Joden te bespugen, uit te schelden, te bedreigen, noem maar op …’
Nou zou ik, als ik mezelf serieus wilde blijven nemen als journalist of zelfs als talkshow host, toch even vragen waar Caroline het vandaan haalt dat mensen het vrij normaal vinden om Joden te bespugen en … noem maar op. Maar dat gebeurde niet. Het mocht passeren.
Wel stelde Jort Kelder, de OP1-er van dienst, dat demonstreren, zoals bij de opening van het Holocaust museum, gewoon mag. Waarop van der Plas terugsloeg met ‘Onder het mom van antizionisme wordt gewoon Jodenhaat geuit. Demonstreren mag, maar Jodenhaat verspreiden, dat mag dus niet.’ ‘Nee, nee’, bevestigt duo-presentator Welmoed Sijtsma.
Ook weet van der Plas dat als de openbare orde in het geding is, je mag ingrijpen bij een demonstratie. ‘We hebben inmiddels al zoveel van dit soort demonstraties gezien in Nederland waarbij de openbare orde in het geding is, en we weten allemaal dat er een groep mensen is, zijnde de Joden, we weten allemaal wat de geschiedenis is van wat er in de jaren dertig gebeurd is en wat tot de Holocaust heeft geleid, mag je nu toch wel eens van burgemeesters verwachten dat ze zeggen, ja maar jongens, we gaan niet onder het mom van oh, het is zo erg wat er in Gaza gebeurt, wat iedereen erg vindt, gaan we dit toestaan en je weet dat er ook groepen op afkomen die gewoon antisemitisch zijn.’ Dixit Caroline, volksvertegenwoordiger.

Verbieden vindt van der Plas een goed idee. ‘Net als in Duitsland, waar From te river to the sea ook gewoon verboden is. Hier nog niet, maar er ligt een aangenomen motie in de Tweede Kamer om dat te verbieden. En mensen die die leuzen roepen moeten we keihard aanpakken.’
Ze vindt het idee uit Duitsland, om de Holocaust onderdeel te maken van de inburgering, een prima idee. ‘Je moet de Holocaust dan ook echt onderschrijven, je moet ervoor tekenen2, en je krijgt de plicht om Joden te beschermen.’
Moeten wij ook doen, vindt ze. Omdat ‘we zien dat de groepen die hier het meest asiel aanvragen, Syriërs, Eritrea, Jemen, dat zijn wel landen die een Jodenhaat hebben die tot diep in hun ziel zit. Ik zeg niet alle mensen, want dan krijgen we dát weer, maar dat is wel bekend. … En als die mensen hier dan uiteindelijk mogen blijven lijkt het mij vrij normaal dat je dit [het onderschrijven van de holocaust dus volgens Caroline] erin opneemt.’
Geen Kelder, geen Sijtsma, geen andere tafelgast die zegt: Pardon? Jodenhaat tot diep in hun ziel? Kunt u dat wellicht nader toelichten? Nee hoor, niets daarvan, al kijkt Sijtsma licht vertwijfeld opzij, maar dat kan ook zijn omdat ze het niet meer kan volgen.
Wouter de Winther van Telegraafhuize mag vervolgens gewoon even wat liegen over de demonstratie bij de opening van het Holocaustmuseum, een sneer uitdelen naar burgemeester Halsema en de tip geven dat de formerende partijen over integratie ideologisch op één lijn zitten en dus afspraken kunnen maken. Kan er nog voor de zomer paal en perk aan gesteld worden. Aan dat woekerende antisemitisme.
‘Nou kijk’, zegt van der Plas, ‘ik kan je vertellen, dat de vier partijen die aan tafel zitten zich er keihard over uitspreken. Er moeten nu gewoon acties komen. Daden.’

Ik houd mijn hart vast. Het kan snel gaan. Ter vergelijking: tussen de machtsovername van Hitler in 1933 en de Neurenberger rassenwetten zat twee jaar. Tussen de Neurenberger rassenwetten en de Kristalnacht drie jaar…

1 Schijnt een citaat te zijn van Hans Teeuwen, dat La Nanninga met instemming citeert.
2 Haar letterlijke woorden. Ze heeft niet door hoe bizar dat klinkt: tekenen voor de holocaust. 

Rode vlekken

Rode vlekken

Toen ik geboren werd waren mijn ouders nog katholiek, dus werd ik gedoopt en kreeg ik een petemoei, tante Pieta. Zij was de oudste zus van mijn moeder, ik het tweede kind, dus ik moest het doen met tante Pieta. Mijn oudere zus had de oudste zus van mijn vader gekregen. Zo hoorde dat toen.
Mijn petemoei nam haar taak serieus en kwam elk jaar naar mijn verjaardag, ook toen mijn ouders al lang van hun geloof waren gevallen, en tante Pieta niet. Een van de laatste keren dat ze mijn verjaardag opluisterde, waren we net verhuisd. Het huis zat vol familie, waarvan de meesten – godlof – aanmerkelijk vrijgevochtener waren dan tante Pieta. Wij kinderen waren aan het badmintonnen toen de pastoor ons als nieuwe parochianen welkom kwam heten. Zo hoorde dat toen. Ik, een overmoedige en bovendien jarige pre-puber, zei tegen meneer pastoor: ‘Wat leuk. Gaat u maar naar binnen. Er is taart, en gaat u maar naast tante Pieta zitten, dan voelt u zich een beetje thuis.’ Zo geschiedde. De pastoor nam vrij snel weer de benen, maar tante Pieta had nog de hele middag rode vlekken in haar nek, van de spanning vanwege die pastoor naast haar op de bank, en van schaamte over haar losgeslagen petekind.
Aan dit voorval moest ik denken toen ik Naomi Mestrum, directeur van het CIDI – Centrum voor Informatie en Documentatie Israël – zag in gesprek met presentator Rick Nieman in een uitzending van WNL Op Zondag.
Hoewel ook zij zich heus rottig voelt bij de humanitaire situatie in Gaza, moeten we ons wel realiseren dat er uit Gaza geen onafhankelijk nieuws komt. En dat we dus heel veel niet weten. Wat we wel weten, zegt ze, is dat er voedselkonvooien worden geplunderd, voedsel op de zwarte markt voor grof geld wordt verkocht, en ook dat voedsel in de tunnels van Hamas verdwijnt.
Oorlogsverslaggever Hans Jaap Melissen, ook te gast, zegt dat hij dolgraag naar Gaza wil, maar dat hij van Israël niet naar binnen mag. Rick Nieman neemt Naomi in bescherming: ‘Melissen heeft toch zeker zelf ook wel gezien dat er woekerprijzen worden gevraagd op de zwarte markt.’ Melissen mompelt nog iets over dat zwarte markt en oorlog samengaan, maar dat krijgt verder geen aandacht.
Nieman richt zich weer tot Mestrum. Wat een proportionele respons is, vindt zij lastig in te schatten. Van de 30.000 doden zijn er 14.000 Hamasstijders, zegt ze, dus dat is anderhalve burgerdode op 1 dode strijder. Valt mee, moeten we nu waarschijnlijk denken. Verschrikkelijk leed, constateert ze, echt wel, maar het is wél oorlog.
Wat deze oorlog anders maakt, vindt Mestrum, is dat iedereen Israël met argusogen in de gaten houdt, en dat alle accountability bij Israël wordt gelegd. Maar heus, als Israël het karwei niet afmaakt, keert het geweld terug, keer op keer op keer. Dat heeft Hamas zelf beloofd. Zegt ze.
En dan zie ik het: in de hals van Naomi Mestrum verschijnen rode vlekken. Rode vlekken die samen met haar lichaamshouding een zeker ongemak verraden. En bijna heb ik met haar te doen. Het is ook geen sinecure om en plein public een land te moeten verdedigen dat volgens zo’n beetje alle internationale normen verantwoordelijk is voor oorlogsmisdaden, uithongering en genocide in Gaza.
Melissen wil haar nog wat aan de tand voelen. Nieman vindt dat maar zo-zo, maar stemt toch toe. De vlekken in Naomi’s hals kleuren dieper rood, maar toch gaat ze er vol in: ‘Wat pas echt een gamechanger zou zijn, is als Hamas de gijzelaars zou vrijlaten.’ En nee, natuurlijk vindt ze niet dat Israël in Gaza moet blijven. Als de gijzelaars worden vrijgelaten, zal het draagvlak voor het offensief afnemen in Israël. En dan is het ook gedaan met de politieke loopbaan van Netanyahu. Maar om het vechten te stoppen, moeten ‘ze’ de wapens neerleggen. ‘Ze’ als in alle Palestijnen, anders kan alles zich weer herhalen, weer raketaanvallen op Israël, weer altijd terreurdreiging. Dus dat is wel een vereiste, dat ‘zij’ ontwapenen.
De vlekken tekenen zich nu duidelijk af in de hals van Naomi.
Dilan Yesilgöz is ook te gast in het programma. Bij haar geen spoor van rode vlekken, noch rode konen. Nieman omschrijft haar als ‘iemand die al lang opkomt voor Joden in Nederland en voor de Joodse staat’. Hij vraagt haar wat haar Joodse vrienden denken. Yesilgöz zegt, en ik citeer: ‘dat die [haar joodse vrienden] meevoelen met de afschuwelijke situatie, en ook met de Palestijnen in Gaza die al zo lang onder de terreur van Hamas moeten leven. Ze beseffen hoe precair het is tot hoever Israël kan gaan, maar zien ook dat Israël en ook de rest van de wereld niet de luxe heeft om te zeggen: nou dan stoppen we hier. Want van alle kanten is er dreiging van terroristische organisaties.’
Wat haar ‘altijd stoort’, gaat Yesilgöz verder, ‘is dat we net doen alsof een democratisch gekozen regering gelijk staat aan een terreurbeweging; er wás al een staakt het vuren, Israël deed zijn best met Arabische landen een bepaalde overeenstemming op te bouwen en dat is verstoord door een brute aanslag. Het is logisch dat je zo’n staat steunt in zelfverdediging, maar ook logisch dat je daar heel erg kritisch op bent. Mark Rutte reist daar constant naar toe en zegt dan: joh, wees er alert op dat je het proportioneel blijft doen, want de steun moet wel door kunnen gaan. Het is niet zo dat het ene mensenleven meer waard is dan het andere, dat is echt niet zo, maar dat we doen alsof die mensen die daar gegijzeld zitten, dat dat er gewoon maar bij hoort, en dat we maar doen alsof Hamas een soort leiderschap is als ieder ander. Het zijn terroristen waarvan ook hier mensen buiten – ze maakt een beweging met haar hand richting raam – zeggen “Hamas, dat zijn mijn broeders”. Zeer zeer, zorgelijk.’

Aldus onze demissionair minister van Veiligheid en Justitie; leider van de partij die aan het onderhandelen is om een kabinet tot stand te brengen met de PVV.
Geen vlekje te zien in haar nek. Geen rood hoofd ook. Geen dansende oranje en blauwe sterretjes als een aureool rond haar coiffure. Niks eigenlijk. Geen min of meer oprechte emotie. Niks. Helemaal niks.

De moed van Rudolph Cleveringa

Toen Duitsland in 1940 Nederland onder de voet liep en onderdeel maakte van het Derde Rijk1 van de Führer, bleven de meeste Nederlandse ambtenaren op hun post. Onder leiding van rijkscommissaris Seyss-Inquart, een vazal van Hitler, voerden zij de taken waartoe ze geroepen waren uit. De regering en de koningin namen de benen naar Londen.
Begin oktober, toen er al allerhande valse maatregelen tegen de Joodse bevolking waren genomen, werd het tijd het ambtenarenapparaat aan een inspectie te onderwerpen: elke ambtenaar moest aangeven of hij of zij Joods was, en hoe het zat met hun echtgenoten. Dat strookte niet met de Nederlandse grondwet, maar ja, hoe geldig was die nog?
De zogeheten ‘Ariërverklaring’ werd massaal getekend. Iedereen deed het immers, en bovendien: je weet wat je hebt, en niet wat je krijgt.
Twee weken later werden alle Joodse ambtenaren geschorst. Ook Eduard Meijers, de Joodse leermeester en collega van de Leidse professor in de rechtsgeleerdheid Rudolph Cleveringa.
In een rede die beroemd is geworden als een verzetsdaad, reageerde Cleveringa op 21 november 1940 op het ontslag van zijn Joodse collega’s, in het bijzonder op het ontslag van Meijers. Bijna iedereen heeft wel eens iets over die rede gehoord, en over de moed die nodig was zich zo openlijk uit te spreken. Maar wat zei Cleveringa nou eigenlijk?

(Lees verder onder de afbeelding)

‘Ik treed hier vandaag voor U op een uur, waarop gij gewoon waart een ander voor U te zien: Uw en mijn leermeester Meijers. De oorzaak daarvan is een door hem hedenochtend rechtstreeks van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ontvangen brief van de volgende inhoud: “Ingevolge opdracht van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied terzake van niet-Arisch overheidspersoneel en met dat personeel gelijkgestelden, breng ik te Uwer kennis, dat U met ingang van heden van de waarneming van Uw functie van hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden is ontheven. De Rijkscommissaris heeft bepaald, dat de betrokkenen voorlopig in het genot blijven van hunne wedden (toelagen enz.)”.
Ik geef U dit bericht in zijn naakte kaalheid en zal niet pogen het nader te kwalificeren. Ik vrees, dat de woorden, die ik zou kunnen vinden, hoe ik ze ook koos, te ver achter zouden blijven bij de smartelijke en wrange gevoelens, die het bij mij en bij mijn ambtgenoten heeft opgeroepen; en, ik ben ervan overtuigd, ook bij U en bij talloze binnen en – waar zij het zullen vernemen – buiten onze grenzen. […] Niet om zulk een vertolking is het, dat ik nog enige woorden tot U verzoek te mogen richten; had ik geen ander doel dan de accentuering onzer stemming, ik zou, denk ik, geen beter middel te baat hebben kunnen nemen dan hier te eindigen en U over te laten aan de ijzige beklemming van de huiveringwekkende stilte, die dan terstond om ons heen zou hangen. Evenmin zal ik met mijn woorden Uw gedachten pogen te leiden naar hen, van wie het schrijven […] is uitgegaan. Hun daad kwalificeert zichzelf afdoende. Het enige wat ik thans begeer, is: hen uit het gezicht en beneden ons te laten en Uw blik te richten naar de hoogte, waarop de lichtende figuur staat van hem, wien onze aanwezigheid hier geldt.’

Daarna geeft hij een opsomming van de verdiensten van Eduard Meijers, die hij ‘één der grootste rechtsgeleerden van zijn tijd en zijn land; ja, men mag zeggen: van vele landen en vele tijden’ noemt. Uitvoerig roemt hij Meijers’ veelomvattende studies en het belang daarvan, zijn wijsheid, zijn vermogen tot heldere taal: ‘steekt soms daarin mede Meijers’ grootheid, dat hij op gevaarlijk uitziende vragen daardoor het antwoord brengen kan, doordat hij ze in een simpele vorm kan gieten?’
Hij memoreert Meijers’ gaven als docent en begeleider: ‘een leermeester ook van ongewoon doceertalent; een hoogleraar, die niet alleen de hoofden tot denken en werken heeft gebracht van de duizenden, die hij is voorgegaan, maar die tevens, zonder dat ooit de minste uiting van populariteitsgewin bij hem waargenomen is, de harten van zijn studenten heeft veroverd. […] Velen ook heeft hij, buiten enig academisch verband, stoffelijke en geestelijke bijstand geboden. Voor de stad zijner inwoning was hij steeds een verdienstelijk burger, die, wanneer hij zou willen (maar zoiets wil hij nooit), op veel stille arbeid en onbaatzuchtige toewijding zou kunnen wijzen ten dienste van de gemeenschap. Van zijn volk was hij een goed en trouw en eerlijk zoon.’

Cleveringa eindigt met: ‘Het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze studentenvader, deze geleerde die de vreemdeling, welke ons thans vijandig overheerst, ‘ontheft van zijn functie’! Ik zei U niet over mijn gevoelens te zullen spreken; ik zal mij eraan houden, al dreigen zij als kokende lava te barsten door al de spleten, welke ik bij momenten de indruk heb, dat zich, onder de aandrang ervan, in mijn hoofd en hart zouden kunnen openen.
Maar in de faculteit, die blijkens haar doelstelling gewijd is aan de betrachting van de rechtvaardigheid, mag toch déze opmerking niet achterwege blijven: In overeenstemming met Nederlandsche tradities verklaart de Grondwet iedere Nederlander tot elke landsbediening en tot de bekleding van elke waardigheid en elk ambt benoembaar, en stelt zij hem, onafhankelijk van zijn godsdienst, in het genot van dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten. Volgens art. 43 van het Landoorlogsreglement is de bezetter gehouden de landswetten te eerbiedigen […] Wij kunnen het niet anders zien dan dat er niet de minste verhindering voor onze bezetter bestaat Meijers te laten waar hij was. Dit impliceert, dat de wegdringing van zijn plaats op de wijze, waarvan ik U mededeling heb gedaan, en de soortgelijke maatregelen, die anderen hebben getroffen, door ons slechts als onrecht kunnen worden gevoeld.’

Een dag na de redevoering werd Cleveringa gearresteerd. Hij zat vast tot de zomer van 1941 in het Scheveningse Oranjehotel. Later werd hij nog een half jaar vastgezet als gijzelaar in Vught. Daarna dook hij onder en werkte samen met de regering in Londen aan plannen voor herstel. Na de oorlog werd hij opnieuw hoogleraar in Leiden.
Eduard Meijers werd in augustus 1942 naar Westerbork gedeporteerd, van waaruit hij naar Barneveld werd gebracht. In september 1944 werd hij op transport gezet naar Theresienstadt. Hij overleefde de oorlog.

Omwille van de leesbaarheid heb ik wat archaïsche elementen weggelaten. Lees de hele originele redevoering via Redevoering Cleveringa

1 Hoe zat dat ook weer met die Duitse Rijken? Het Eerste Rijk duurde ongeveer 1000 jaar: het Heilige Rooms Rijk der Duitse Natie, gesticht door de in 800 door de paus gekroonde Karolinger keizer Karel de Grote, een oorlogszuchtig type dat grote gebieden aan zich onderwierp, ook het toenmalige Nederland. In het volgende millennium kromp en groeide dat Rijk, tot het in 1871 definitief kromp tot het Tweede Rijk onder keizer Wilhelm I. Dat hield stand tot 1918, toen Wilhelm II verkaste naar huis Doorn bij Utrecht en Duitsland een republiek werd – de Weimar republiek, ook geen lang leven beschoren.
Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam wilde hij met zijn Derde Rijk de Karolingers en opvolgers naar de kroon steken: 1000 jaar zou het duren, en het zou zeker zo groot zijn als het gebied onder Karel de Grote. Quod non.

‘Het voelde als een stomp in mijn maag’

De Jodenvervolging begon ‘met een bordje in het Vondelpark, met daarop “Voor Joden verboden”’, zei Koning Willem-Alexander tijdens de opening van het Nationale Holocaust Museum in Amsterdam. Dat is een duidelijke uitspraak, maar het is niet helemaal waar.
De Jodenvervolging begon met een verre van ruimhartig toelatingsbeleid voor vluchtende Duitse Joden, die ‘migranten’ werden genoemd. Vanaf 1938 waren ze helemaal niet meer welkom, omdat, volgens de toenmalige minister van Justitie Carel Goseling, nog meer Joden toelaten het antisemitisme in Nederland alleen maar zou voeden1 In dat jaar sloot Nederland  de grens met Duitsland en begon de bouw van een groot vluchtelingenkamp voor vluchtelingen die niet naar Duitsland teruggestuurd konden worden. Dat werd Westerbork. In Hooghalen, en niet in Elspeet, want dat vond koningin Wilhelmina te dichtbij haar buitenverblijf. En ook de lokale bevolking van Elspeet had weinig zin in de ‘ongewenste vreemdelingen’.
De volgende stap werd gezet in oktober 1940, toen ambtenaren massaal de Ariërverklaring ondertekenden. Bedrijven volgden. Stap voor stap werd isolement en uitsluiting genormaliseerd, werden bevelen van hogerhand gehoorzaam opgevolgd. Voordat de eerste bordjes met ‘Voor Joden verboden’ in de zomer van 1941 werden opgehangen.

De Duits-Amerikaans Joodse filosofe en politiek denker Hannah Arendt noemde gedachtenloosheid – het domweg niet stilstaan bij de gevolgen van je daden – de banaliteit van het kwaad. Je kan het ook onverschilligheid noemen. Of wegkijken, de tegenhanger van het populaire ‘je verantwoordelijkheid nemen’. Dat gebeurde in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. En de enkeling die terugkwam uit de kampen werd niet bepaald met open armen ontvangen. Dat er nu eindelijk een Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam is om de Jodenvervolging in Nederland te herdenken is belangrijk. Onderdeel van de langdurige en volkomen terechte excuses van Nederland voor het in de steek laten van een grote bevolkingsgroep. Een waardige markering van ‘nooit meer’.

Op 10 maart werd het museum geopend. Tijdens die opening hield de Israëlische president Yitzhak Herzog een toespraak in de Portugese Synagoge. Buiten protesteerde een grote, gemêleerde groep mensen tegen zijn aanwezigheid. Een van de Joodse organisatoren van de demonstratie vertelde2 dat het voelde alsof hij een stomp in zijn maag kreeg, toen hij hoorde dat Herzog zou komen. Hij refereerde aan het Joodse Chanoeka feest, dat de ontheiliging van de tempel door het plaatsen van een afgodsbeeld herdenkt. De aanwezigheid van Herzog bij de opening, zei hij, was voor hem een ontheiliging van het museum.
Tijdens de openingsplechtigheid waren de demonstranten hoorbaar. Bij het verlaten van de Portugese synagoge en de openingshandeling van het museum was een kleine groep demonstranten voor de genodigden ook zichtbaar.

Ik was erbij, op het Waterlooplein, midden in de voormalige Joodse Buurt. Er werden leuzen gescandeerd, er was woede, verbijstering. Mensen droegen watermeloenkeppeltjes. Op het podium vervoegden zich Joodse en Palestijnse sprekers. Er werd Kaddisj gezegd. Er waren ouders met kinderen. Er hing een sfeer van solidariteit en saamhorigheid. Nooit meer was nu.
Er werd af en toe tegen een politiebusje geduwd. De eigen ordedienst was steeds direct ter plaatse om de overenthousiaste jonge mannen tot kalmte te manen. Een enkeling lukte het op een van de busjes te klimmen, met de Palestijnse vlag te zwaaien en direct weer van het busje af te klauteren zodra van de andere kant een ME’er zijn best deed om de onverlaat met de wapenstok te raken. Er werd een kleine hoeveelheid siervuurwerk afgestoken waarvan een enkel stuk achter de busjes bij het kordon ME’ers terecht kwam, en een rookfakkel. Er vlogen een paar eieren door de lucht. Er werden wat pakjes pamfletten in de lucht gegooid en door de wind verspreid.
De politie gebruikte een van de busjes als corridor om in vol ornaat tevoorschijn te komen – helm op, schild voor de borst – om met geheven wapenstok de mensen terug te drijven. De politie gedroeg zich intimiderend, een sloeg zelfs een enkele keer onnodig tegen de benen of knieën van demonstranten.
Het was niet meer gezellig, maar het liep toch ook niet uit de hand.

Op basis van selectieve beelden van protesterende ‘moslims’; van een klein Joods meisje dat wordt ‘belaagd’; jonge mannen met Palestijnse vlaggen op een politiebus en een jongen die Hamas is my brother roept, wordt de demonstratie door politici en in sommige media in een kwaad daglicht geplaatst, en wordt de waarheid mijns inziens flink verdraaid.
Een aantal politici buitelden na 10 maart over elkaar heen om de demonstranten op het Waterlooplein weg te zetten als antisemieten die geen respect hebben voor de Joodse doden. We zagen eerder al een voorproefje van deze giftige framing toen een groepje betogers op 5 maart een sit-in voor Palestina hielden in de hal van de Tweede Kamer, en tijdens de dinsdagmiddagvergadering van de Tweede Kamer, het ‘vragenuurtje’ op 12 maart, was verontwaardiging troef.
Er was volgens staatssecretaris Van der Burg ‘geen aanleiding voor de regering geweest om Herzog te vragen om niet te komen, want de regering heeft dit nadrukkelijk losgekoppeld van datgene wat op dit moment plaatsvindt in de oorlog tussen Hamas en Israël. Want er is hier gewoon sprake geweest van een zaak die gaat over de vervolging en genocide en het vermoorden – vastgesteld, niet op basis van beschuldigingen van een willekeurig Kamerlid, maar door rechters vastgesteld – vermoorden van 6 miljoen mensen en dat moet je los zien van wat er op dit moment waar ook ter wereld gebeurt.’ Dat willekeurige Kamerlid is uiteraard Stephan van Baarle van Denk, die als enige tot de orde geroepen wordt door voorzitter Bosma, die vindt dat een bevriend staatshoofd geen oorlogsmisdadiger mag worden genoemd.
Dat de regering het bezoek van Herzog zo nadrukkelijk loskoppelt van de genocide in Gaza was nou precies een van de redenen voor mensen om naar het Waterlooplein te komen, omdat ze die scheiding als hypocriet en onverdraaglijk ervaarden.

Van der Burg zegt nog meer: ‘juist ook de demonstranten, of zij die zeggen daarvoor door te gaan, hebben bewezen dat we veel moeten investeren in onderwijs over de Holocaust, want er wordt met woorden gesmeten die je nooit zou zeggen als je maar een greintje verstand had van wat er is gebeurd in de Tweede Wereldoorlog.’ 
Derk Boswijk van het CDA vindt het onverteerbaar dat er mensen zijn die er alles aan doen om te zeggen dat de slogan ‘kankerjood’ niet antisemitisch zou kunnen zijn.
CU voorvrouw Mirjam Bikker zegt op zalvende toon dat zondag een tijd was om te rouwen en samen stil durven zijn. Daarna kunnen we dan wel weer eens gaan kijken naar de actualiteit van wat er gebeurt in de wereld. Daarna vraagt ze zich af wat er ondernomen kan worden om het antisemitisme in de wereld en in Nederland de kop in te drukken. Kamerlid Ulysse Ellian, VVD, doet nog een militante duit in het zakje: ‘Je zal maar Jood zijn in Nederland en geloven en denken dat tachtig jaar na de Shoa dezelfde soort haat weer gebezigd wordt in Nederland’.

Wie mensen die de geschiedenis niet uit de weg gaan, mensen die net zo goed vinden dat de Joodse slachtoffers toen en nu herdacht moeten worden, maar die ook solidair zijn met Palestijnen, wie die wegzet als antisemieten, komt op mij over als onoprecht, ja zelfs hypocriet.
Wie de Holocaust als blinddoek gebruikt om de huidige genocide in Gaza niet te hoeven zien, ondanks de uitspraak van het Internationaal Strafhof, meet met twee maten.
Er is een verband tussen de Jodenvervolging, het zionisme, het ontstaan van de staat Israël, de Nakba, de bezetting van de Palestijnse gebieden, de door Israël geïnstitutionaliseerde ongelijkheid tussen Palestijnen en Joden, de ondermijnende illegale nederzettingenpolitiek en de aanslag op 7 oktober. Wie dat niet beseft, en antisemitisme misbruikt voor zijn politieke agenda, en verzet tegen onderdrukking van en solidariteit met Palestijnen welbewust criminaliseert, kan honderd keer naar het Holocaust Museum gaan, maar zal er weinig van leren.
Dit is geen tijd om stil te zijn, dit is een tijd om luid en duidelijk te zeggen: ‘Nooit meer is nú’.

PS: De volgens Wilders ‘extreem-linkse burgemeester van Amsterdam’ heeft in een brief van 14 maart aan de gemeenteraad geschreven dat er op 10 maart en daarna niet geconstateerd is dat er Juden raus en kankerjoden is geroepen. Er zijn, volgens de burgemeester kwetsende, maar geen strafbare dingen geroepen.
In haar brief van 7 pagina’s schrijft Halsema: ‘Tijdens de opening kwamen gruwelijke herinneringen en hedendaags verdriet samen. Dat schuurde en deed pijn maar het hoort ook onvermijdelijk bij een vrije democratie’.

Het is angstaanjagend dat op basis van suggestieve beeldvorming en een vervalste voorstelling van zaken nu gepleit wordt voor een ‘fundamentele dialoog’ over het demonstratierecht, zodat ongewenste meningen en uitingen die niet strafbaar zijn, toch kunnen worden verboden.

1 Linda Polman, Niemand wil ze hebben, Europa en zijn vluchtelingen, Uitgeverij Jurgen Maas 2019 – pag. 17-18
2 Hij vertelt dit tijdens een bijeenkomst op 15 maart, na de demonstratie

Wie of wat definieert antisemitisme

Wat ik niet begrijp is waarom iemand ‘pro-Palestijns’ genoemd wordt, als diegene protesteert tegen het onverdraaglijke geweld dat Israël als vergelding voor de bloedige aanslag van Hamas na 7 oktober 2023 over Gaza uitstort. Pro iets zijn suggereert dat je ook anti iets bent. Dan zou in dit geval dus anti-Israël zijn. En als je anti-Israël bent, dan ben je in een vloek en een zucht ook een antisemiet.
Dat je de al decennia voortdurende vernedering en onderdrukking van de Palestijnen veroordeelt, dat je de bezetting en kolonisatie van de Palestijnse gebieden verafschuwt, de apartheid verschrikkelijk vindt, en je hart breekt vanwege de mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt in Gaza, wordt daarmee dubieus. Want, wordt er dan gezegd, iemand kan wel beweren dat mensenrechten universeel zijn en voor iedereen geldend, maar waarom wordt juist Israël aan die hoge standaard gehouden, en zoveel andere landen niet?
Volgens de SGP is dat vanwege antisemitisme, Voor de SGP zijn ‘de Joden Gods verbondsvolk en hebben [ze] in 1948 een legitieme staat opgericht’. Ze ‘worden van meet af aan bedreigd door (islamitische) vijanden.’ Natuurlijk maakt Israël ook fouten, geeft de partij toe, dat doet elk land, maar er is te weinig oog voor de reële bedreiging waar Israël mee te maken heeft, zoals weer blijkt uit de aanval van Hamas op 7 oktober vorig jaar.
Volgens de SGP gaat het in Palestina om een Islamitisch-Joods conflict, en moet Nederland opkomen voor de belangen van de Joodse Staat Israël, als enige democratie in het Midden-Oosten. 

Als een partij met zulke standpunten zich sterk maakt voor een definitie van antisemitisme, moet je goed opletten. In 2018 diende de onlangs afgezwaaide partijleider Kees van der Staaij een motie in voor het hanteren en toepassen van de definitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance – de zogeheten IHRA-definitie. De motie werd aangenomen, met enthousiaste steun van (extreem)rechts, en -later- ook schoorvoetend door links. Met de IHRA-definitie ontstaat, vooral door de voorbeelden van antisemitisme die gegeven worden, verwarring over het verschil tussen antisemitisme en kritiek op het beleid van de staat Israël. Van der Staaij zag die vervaging van de scheidslijn niet, want, zo zei hij: kritiek op Israël is niet zelden verkapt antisemitisme. De definitie is niet bindend, maar wordt wel gehanteerd bij het signaleren van antisemitisme.

Nu de situatie sinds 7 oktober zo dramatisch is geëscaleerd in Israël en de Palestijnse gebieden, zouden we er goed aan doen de definitie van antisemitisme te ontdoen van een politieke agenda.
Er moet kritiek op de staat Israël mogelijk zijn. Er moet openlijk gesproken kunnen worden over schendingen van internationaal recht door de staat Israël, het massaal schenden van mensenrechten, het oorlogsrecht en de menselijkheid in Gaza. En over de willekeur en de straffeloosheid waarmee kolonisten op de West Bank Palestijnen terroriseren. Zonder dat het over ‘het Joodse volk’ gaat. Zonder dat er automatisch een stempel van antisemitisme op wordt geplakt. Er moeten geweldloze boycotacties mogelijk zijn voor producten en producenten met banden met illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied, zonder dat er abjecte vergelijkingen gemaakt worden met het ‘koop niet bij Joden’ van de nazi’s – tot in de Tweede Kamer aan toe. Sancties voor het overtreden van bijvoorbeeld de Verklaring voor de Rechten van het Kind, of het opleggen van gezamenlijke straffen voor de misdaad van enkelen moeten ook aan Israël opgelegd kunnen worden zonder dat er verband wordt gelegd met antisemitisme. En de leuze from the river to the sea, Palestine will be free kan ook gewoon begrepen worden als uiting van de diepe wens dat álle bewoners van Palestina – Palestijnen, Joden en Israeli’s – in vrede en veiligheid samen kunnen leven. Je kunt altijd de kant van de lelijkheid opkijken, altijd kiezen voor verdachtmakingen, zeker als het je politieke agenda uitkomt, maar het hóeft niet.

Gelukkig is er een alternatief voor de IHRA-definitie: de definitie in de Jerusalem Declaration on Antisemitisme. De definitie is in 2020 opgesteld als reactie op de omstreden IHRA-definitie, door internationale wetenschappers op het gebied van antisemitisme studies en verwante onderzoeksgebieden. Juist naar aanleiding van het vervagen van de grens tussen antisemitisme en kritiek op Israël of het zionisme. In de uitwerking is er meer balans en minder vooringenomenheid. Een beter bruikbare richtlijn om antisemitisme mee aan te pakken, want dat is en blijft nodig als je een beschaafd land wilt zijn.
Ook ontstaat er dan wellicht ruimte om aandachtig te onderzoeken in hoeverre de verklaarde liefde voor Israël van bepaalde politieke partijen voortkomt uit islamofobie. En hoe we op die vorm van discriminatie een werkbare definitie kunnen plakken. Al zie ik dat in de huidige politieke constellatie, waarin Wilders met zijn PVV domineert, niet gebeuren. Want in de ijskast of niet, de PVV stelt dat wat hem betreft ‘De banden met Israël onder meer zullen worden versterkt door onze ambassade te verhuizen naar Jerusalem. De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah bij de corrupte Palestijnse Autoriteit wordt onmiddellijk gesloten. Nederland heeft immers al een ambassade in Amman, de hoofdstad van de enige echte Palestijnse staat: Jordanië.’ Of, zoals PVV buitenland woordvoerder Raymond de Roon het formuleert: ‘De PVV-fractie staat niet aan de kant van de Hamas-oorlogsmisdadigers, maar aan de kant van het enige baken van licht in een gitzwart Midden-Oosten, de democratische-rechtsstaat Israël. Wij hopen dat Hamastan binnenkort weer gewoon de Gazastrook is en wensen al die dappere Israëlische jonge mensen die nu, op dit moment, ook voor onze vrijheid vechten, alle sterkte en succes toe.’

Pray the devil back to hell

Tegen beter weten in keek ik naar een aflevering van WNL op zondag en zag daar Annabel Nanninga, Eerste Kamerlid voor JA21, de splinterfractie die ze samen met Joost Eerdmans oprichtte, een gezicht trekken alsof ze poep ruikt als alleen al de naam van Timmermans valt. Onderuitgezakt in haar zetel schoffeerde ze vervolgens ook verbaal haar medepolitici: zij zou het zootje wel ‘door mekaar willen schudden’; de BBB weet ‘schijnbaar van toeten nog blazen als het om financiën gaat en Omtzigt moet een grotejongensbroek vinden en die heel snel aantrekken.’ Als het aan haar lag zaten de formerende partijen bij haar aan de keukentafel, rammelde ze hen eens flink door elkaar en zou ze hen vertellen dat ze effe normaal moesten doen. Daarna zou ze die coalitie die voor het oprapen lag zo geregeld hebben. Van presentator Rick Nieman kreeg ze later in de uitzending alle ruimte tijdens het ‘debat’ over of de rechter op de stoel van de politiek gaat zitten. Ze mocht van hem door de heldere argumenten van hoogleraar staatsrecht Wim Voermans heen tetteren, en domineerde op hoge, verongelijkte toon het grootste deel van dat gesprek.

Terwijl ik met groeiende ergernis naar die laatdunkende pocherij en het oneigenlijke betoog van de diva van extreemrechts zat te kijken, verschoven mijn gedachten naar een vrouw die wel indrukwekkend is. Een vrouw die het heft in handen heeft genomen, en de wereld werkelijk een beetje beter heeft gemaakt. Een vrouw van een heel ander kaliber: Leymah Gbowee, een Liberiaanse die helemaal klaar was met het afschuwelijke geweld tijdens de burgeroorlog in haar land en samen met andere vrouwen ging eisen dat er vrede zou worden gesticht. Een vrouw die echt wat voor elkaar kreeg.

(lees verder onder de afbeelding)

In de documentaire Pray the Devil Back to Hell uit 2008 volgen we Leymah Gbowee en haar zusters bij hun verzet tegen de oorlog. Gekleed in het wit komen steeds meer gewone vrouwen – moslims en christenen uit alle rangen en standen van de samenleving – samen om op een vreedzame manier voor vrede te pleiten. Liberia wordt dan al jaren geteisterd door zeer gewelddadige warlords en gangs die onder het corrupte regime van Charles Taylor hun wrede gang gaan in het land.
De Women of Liberia Mass Action for Peace groeit van een groepje vrouwen in het wit op de markt in Monrovia uit tot een krachtige, geweldloze protestbeweging waaraan duizenden vrouwen deelnemen.

Onder druk van de beweging worden uiteindelijk onderhandelingen tussen de strijdende partijen gehouden in een conferentieoord in Ghana. De vertegenwoordigers van die strijdende partijen genieten van wat ze zien als een welverdiende vakantie na al het vechten. Maar serieus onderhandelen, ho maar.
Een delegatie van vrouwen onder leiding van Leymah Gbowee reist naar Ghana om de onderhandelaars te dwingen daadwerkelijk met elkaar te praten over de voorwaarden voor vrede. Ze besluiten de toegang tot het conferentieoord te blokkeren. De mannen mogen er pas uit als er een akkoord is. Dat bevalt de heren uiteraard niet en ze proberen de blokkade te doorbreken. En zoals ze eerder hun mannen seks weigerden tot er vrede gesticht was, zo zetten de vrouwen opnieuw hun lichaam in: ze dreigen zich uit te kleden. Een naakte vrouw is ook voor de geharde strijders zo taboe, dat ze toegeven. Er wordt een akkoord gesloten. Uiteindelijk ruimt Charles Taylor het veld en krijgt Liberia na 14 jaar burgeroorlog een nieuwe, gekozen president: Ellen Johnson Sirleaf, een vrouw.

De vrouwen van Liberia ‘regelden’ een vredesproces in een land verscheurd door een burgeroorlog, losgeslagen rebellengroepen, kindsoldaten en algehele rechteloosheid onder een corrupte dictator.
Het begon, zegt Leymah Gbowee met een droom. Een droom van vrede.
En vervolgens ging ze aan het werk om, samen met al die andere vrouwen, die droom waar te maken. Wat de Liberiaanse vrouwen deden vereist grote moed, bereidheid om je leven op het spel te zetten en samen te werken voor een hoger doel.
Ik zie het Annabel Nanninga niet nadoen.