Waarom ik bij het bezoek van Reza Pahlavi aan Ulrike Meinhof moest denken

 Door het bezoek van de Iraanse oud-kroonprins Reza Pahlavi moest ik denken aan Ulrike Meinhof. Hoe dat zit komt later. Eerst een beetje achtergrond en context.

Ulysse Ellian, geboren in 1988 in Kabul, Afghanistan is sinds 2021 lid van de Tweede Kamer voor de VVD. Hij kwam in 1989 met zijn Iraanse vader Afshin naar Nederland, waar het gezin politiek asiel kreeg. Vader Afshin, nu hoogleraar aan de rechtenfaculteit in Leiden en columnist voor Elsevier, is door de oud-kroonprins in maart 2026 benoemd tot lid van het Iraanse overgangscomité voor justitie, voorsorterend op een glorieuze terugkeer van de dynastie met, net als in 1953, hulp van de Amerikanen. Zoon Ulysse nodigde vanuit zijn positie als Tweede Kamerlid Reza Pahlavi uit voor een bezoek aan het parlement. Omdat niet iedereen zo enthousiast is over het bezoek van de wannabe sjah, werd hij ingebed in een breder programma, waar hij in een besloten commissie mocht spreken.

Reza Pahlavi is de zoon van Mohammed Reza Pahlavi, formeel de laatste sjah van Perzië, nu Iran. Mohammed volgde zijn vader op, een gewone man die groot geworden was in het leger, en zich na een coup door het parlement tot sjah liet uitroepen (1925). Opa moest in 1941 het veld ruimen omdat hij iets te vriendschappelijk omging met nazi-Duitsland. Zijn zoon mocht de pauwentroon overnemen, maar moest de absolute macht delen met het parlement.
Mohammed Mossadegh, sinds 1923 parlementslid, werd in 1951 gekozen tot premier. Omdat hij de olie-industrie van Iran wilde nationaliseren en de corruptie wilde aanpakken, werd hij afgezet in een door de CIA gesteunde coup.
Na die coup bleef Mohammed Reza het hoofd van een militaire regering. De olie bleef in handen van de grote oliemaatschappijen. De geheime politie hield mogelijke tegenstanders in het gareel.
In 1967 liet Mohammed Reza, die steeds meer macht naar zich had toegetrokken, zich kronen tot sjah. Op een staatsieportret bij die gelegenheid gemaakt zie je kroonprins Reza, toen 7 jaar oud, in militair uniform voor zijn vader en moeder staan. De gouden epauletten op zijn schouders bijna net zo groot als zijn hoofd.
De islamitische revolutie maakte een eind aan de heersersdroom van de Pahlavi’s. In 1977 vertrok Reza naar de VS. Twee jaar later volgden zijn vader, en zijn moeder, die Farah Diba heette en zich keizerin liet noemen.

Farah Diba, die de plaats van de kinderloze Soraya, de eerste vrouw van Mohammed Reza, had ingenomen, was populair zoals mooie vrouwen getrouwd met machtige mannen en met een tot de verbeelding sprekende titel populair zijn. In 1967 bracht het echtpaar Pahlavi een bezoek aan Berlijn. Ter gelegenheid van dat bezoek, omstreden vanwege de zelfverrijking van de sjah en de martelpraktijken van zijn geheime politie, verscheen er een verhaal in het boulevardblad Neue Revue waarin Farah Diba vertelt over het leven in Iran in Marie Antoinette-stijl: hoe druk haar man het heeft, hoe de Iraniërs verpozen aan het strand, hoe goed het gaat in Iran onder de bezielende leiding van haar man en haar verdere sprookjesleven.
Ulrike Meinhof, de gevierde journaliste van het linkse blad Konkret, schreef als reactie op die artikelen een open brief aan Farah Diba, waarin zij op vriendelijk superieure wijze de vloer aanveegt met Farahs geprivilegieerde oneigenlijke weergave van de verdiensten van haar man en het leven in Iran onder zijn dictatuur.

Tegen het dictatoriale bewind van de sjah en de mensenrechtenschendingen onder zijn bewind werd tijdens zijn bezoek massaal gedemonstreerd. In West-Berlijn liep dat finaal uit de hand. De politie sloeg er genadeloos op los. De student Benno Ohnesorg werd door een politieagent doodgeschoten. Het optreden van de politie joeg de woede van de antifascisten in Duitsland aan. De gevierde vriendschap met een dictator bevestigde voor radicaal links dat de macht in Duitsland nog altijd in handen was van nazi’s.

Na de dood van Ohnesorg (2 juni 1967) radicaliseert de Duitse APO – de buitenparlementaire oppositie.
Ook Ulrike Meinhof radicaliseert. Na de scheiding van Klaus Rohl, die als hoofredacteur van Konkret een Ulrike onwelgevallige kant op wil, verruilt ze in 1969 het tijdschrift voor de TV, en Hamburg voor West-Berlijn. Een jaar later neemt ze deel aan de bevrijding van Andreas Baader en wordt mede-oprichter van de Rote Armee Fraktion.
Zo is er een lijn te trekken van het bezoek van de sjah in 1967, via de dood van Ohnesorg naar de oprichting van de RAF tot de Duitse Herfst van terreur, stadsguerrilla en staatsterreur. En zo kwam het dat ik dacht aan Ulrike, toen ik de oud-kroonprins zo vriendelijk ontvangen zag worden door Ulysse Ellian en zijn vrienden.

Brief uit Zagreb

Half Zagreb staat in de steigers. De twee torens van de kathedraal zijn ingepakt in een vlechtwerk van ijzer. Binnen is ongeveer alles wat er te zien is ombouwd met spaanplaat. De Sint Markus kerk, met op het dak de twee wapens van stad en land in kleurig mozaïek, krijgt een fikse opknapbeurt, en is daarom niet toegankelijk. We verkennen het centrum van de stad in slow motion vanwege de hitte. We bezoeken een museum waar we door de geschiedenis van Zagreb geloodst worden.
In de elfde eeuw sticht een bisschop het bisdom Kaptol, op een heuvel aan de rivier de Sana, met de kathedraal als middelpunt. Op een tweede heuvel, voor het werkvolk en de gilden, wordt een wereldlijke tegenhanger gesticht: Gradec, dat in 1242 een fiefdom wordt van koning Bela de Vierde, getuige de zogenaamde Golden Bull, het document dat deze overeenkomst vastlegt. De inwoners van het feodale leengoed mogen wel hun eigen ‘overheid’ kiezen. Gradic wordt ommuurd. De Stone gate, in het centrum van de oude stad, is de poort die van die ommuring is overgebleven, is nu het spirituele centrum van de stad. Het verhaal gaat dat er in de zeventiende eeuw een grote brand is geweest die de poortgebouwen verwoestte, behalve een icoon met een afbeelding van de Madonna met kind. Het wonder wordt herdacht in de Stenen Poort, met een kapel met de icoon achter een smeedijzeren hek, en houten banken waarop de gelovigen kunnen bidden. Enkele nonnen zorgen voor het heiligdom. De muren van het poortgebouw zijn bekleed met votifplaatjes. Op een ervan staat in blokletters Maria hat geholfen. Op veel andere plaatjes staat Hvala (dank je). Lokale mensen die langslopen slaan een kruis bij het kapelletje. Er zitten op de banken mensen te bidden en er worden kaarsjes aangestoken. De gewelven van de poort boven de kaarsenstandaard zijn zwartgeblakerd.
Het bisdom en Gradic versmelten tot het huidige Zagreb en deel gaan uitmaken van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Novi Zagreb, de nieuwe stad, wordt erbij gebouwd. Er wonen nu een kleine miljoen mensen in het gebied, waaronder veel boeren die van het platteland naar de stad getrokken zijn, op zoek naar een beter leven.

De nieuwe stad is groots opgezet, brede straten, veel parken, grote gebouwen, zoals het nationaal theater, een parel van Habsburgse neobouwkunst in licht oker. Het oude centrum is prettig klein met gezellige straatjes en zoveel terrasjes als ik nog nooit bij elkaar gezien heb. Wij hebben inmiddels een favoriet: onder bomen, bij een klein speeltuintje en tegenover een miniparkje. Daar is het onder de parasols net uit te houden, want ook in Kroatië is het warm en tikt het kwik de 40 graden bijna aan.

Het stikt in de stad van de musea. Er is een stropdasmuseum, want we danken ‘de belangrijkste modeaccessoire voor mannen’ aan Kroatische soldaten uit de zestiende eeuw. De eenvoudige voetsoldaat droeg toen een linnen lap om zijn nek, de hogeren in rang sierden zich met bontere halsdoeken, soms versierd met kant. Daar is de cravatte uit ontstaan, de das ‘op de wijze van de Kroaten’.
Er is een chocolade museum, waar je bij de aanschaf van een toegangsticket een verwenpakket chocolade krijgt en tijdens je bezoek mag snoepen aan chocoladefonteinen. Een martelinstrumenten museum waar ik verder geen woorden aan vuil maak. Er is het gehypete museum van verbroken relaties, waar je een verzameling objecten kunt zien en de bijbehorende verhalen kunt lezen van gewone mensen van over de hele wereld en hun stukgelopen relaties. Je mag er zelf een object doneren en je verhaal achterlaten. Ik kom in de verleiding om het relaas van hoe we aan onze Muis, de auto waarmee we reizen, gekomen zijn te doneren aan het museum: een autosleutel als object en een verhaal over een dertig jaar oude vriendschap die om een misverstand over een al dan niet afgevulde benzinetank werd verbroken. Ik weersta de aandrang zonder veel moeite. Er is een selfie museum, ik neem aan dat je daar jezelf kunt tentoonstellen. Er is een museum voor vergeten verhalen, eentje voor katers – niet de katten, maar wat je hebt als je teveel gedronken hebt. Er is een museum waar je je kunt verplaatsen in de wereld van de visueel gehandicapten, een new wave museum, een treintjes museum, een cannabis museum en een jaren tachtig museum.
Die bezoeken we allemaal niet.

We willen naar het kunstnijverheidsmuseum. Dat is dicht vanwege herschikking van de objecten. Dan maar het etnografisch museum. Daar is de vaste collectie niet toegankelijk, er is alleen een tentoonstelling te zien over de relatie van de mens met de grond waarop hij leeft. De derde optie, het kunstpaviljoen, is zonder opgaaf van reden gesloten tot nader order. Het museum voor moderne kunst? Dicht vanwege renovatie.
Na deze treurige tocht in de verzengende hitte belanden we in het museum voor naïeve kunst. Daar leven we op bij een fijne verzameling kunst gemaakt door mensen die geen kunstopleiding hebben gevolgd, de peasant painters, uit de Hlebine School. De Kroatische schilder Krsto Hegedusic, oprichter van het Zemlja collectief van kunstenaar die op zoek waren naar een eigen Kroatische uitdrukkingsvorm, woonde in Parijs, maar bracht zijn zomervakanties door in Hlebine, het geboortedorp van zijn vader. Daar ontmoette hij in 1930 twee boerenjongens, Ivan Generalic en Franjo Mraz, die religieuze plaatjes en ansichten naschilderden met uitzonderlijk talent. Hij moedigde ze aan om vrij te schilderen, wat ze zagen, wat ze meemaakten, wat ze voelden. De dieren, het dorp, het boerenleven, het onrecht, want Hegedusic was zich bewust van de sociale achterstelling en armoede op het Kroatische platteland. Hij trainde de twee jonge mannen in techniek en thematiek, zonder ze te knevelen in het keurslijf van een formele opleiding. De twee kregen navolging van anderen. Een tweede generatie groeide op onder mentorschap van Generalic. Het werd een stroming. Het levert geweldige schilderijen op.

Novi Zagreb is een stad gemaakt om te flaneren, met veel parken, brede lanen met groene middenstroken, een botanische tuin en, volgens een reisblog, een van de mooiste begraafplaatsen van Europa. Maar bij deze hitte is de lol er snel af, van flaneren: binnen de kortste keren druip je van het zweet, je wangen zien eruit als twee overrijpe tomaten, je enkels zwellen alsof je elefantiasis hebt en je haar kleeft op je hoofd als nat spinrag.
Dus pakken we de tram naar het museum voor contemporaine kunst, dat wonder boven wonder wel open is. Een kunstpaleis met airconditioning waar wij de enige bezoekers zijn. We kunnen dus ongehinderd praten, becommentariëren, nog eens teruglopen, eindeloos plaatjes schieten, beetje voor ons uit murmelen of zacht zingen zonder anderen te hinderen. Beter wordt het niet. Na de eerste drie verdiepingen drinken we een Americano, een met heet water aangelengde espresso, in het naastgelegen restaurant, waarna we de resterende twee verdiepingen bezichtigen. Zoals in elk museum voor kunst van nu hangt er een bonte verzameling werk, soms aandoenlijk (werk van een Finse die op foto’s tandenborstels, barbiepopjurkjes en haarspeldjes met klodders lijm vastplakt en over achterkanten van lijstjes kapotte netkousen en dito hemdjes trekt); soms would be (een in glimmend zwart uitgevoerde nar met een opgezet vogeltje op zijn puntige schoen); soms gewoon goed (linosnedes van gestileerde soldaten); soms gewoon lelijk (een soort aan de muur opgehangen scrotums in wit plastic met rode druppels eraan); soms leuk en herkenbaar (bladeren uit een herbarium). We zijn er uren zoet.

Terug rijdt de tram ons in een keer naar vlak bij de Sparsuper en het huis waar we verblijven. Op de heenweg was er halverwege een stroomstoring en stonden we onder een fly-over te bedenken wat we zouden gaan doen: een klein halfuurtje lopen in de zon of wachten op een terugkeer van de stroom, toen er aan de overkant van de weg een bus verscheen die ons tot vlak bij het museum bracht.

Gisteren was er opnieuw een stroomstoring. We liepen het kwartier naar het archeologisch museum hoppend van schaduwzijde naar schaduwzijde. In het museum voerde een ouderwetse kooilift, de kooi versierd met paardmotieven en krullen ons naar de derde verdieping. Via neolithische vondsten, Egyptische mummies, Griekse vazen, Romeins glaswerk, middeleeuws aardewerk en krijgstenues kwamen we terug op de begane grond. (De tweede verdieping, die van de Etrusken, was dicht vanwege herinrichting.) In de jaren tachtig heeft de aarde hier gebeefd. Het archeologisch museum is daarbij zwaar getroffen. Ik zag foto’s van vitrines vol Griekse vazen aan gruzelementen. Ze hebben het fraai gerestaureerd.
We drinken meer Americano’s. Je krijgt er een glas koud water bij, met ijsklontjes erin. Dat water drinken we op, en gieten er de koffie uit het kopje in om het nog meer te kunnen aanlengen met heet water uit de meegesleepte thermosfles. Die warme slappe bak werkt dorstlessend en koelt ook af – je gaat er extra van zweten, en door het windje onder de bomen op ons favoriete terras verdampt dat zweet, wat warmte aan je lichaam onttrekt. Het schijnt dat het beter werkt als je erin gelooft.
De burgemeester van Zagreb heeft verordonneerd dat alle stadsmusea dit weekend gratis toegankelijk zijn voor iedereen, vanwege de hitte. De tram rijdt weer niet, en we komen oververhit aan bij het museum voor natuurlijke historie. De koffiebar is dicht, maar de toegangsdeur niet. Wij trekken twee stoelen aan een tafel en drinken ons meegebrachte koude water om af te koelen. Daarna beleven we een uur of wat plezier aan de tentoongestelde mineralen, stenen en fossielen. Er zijn met spelden opgeprikte insecten; slangen, wormen en kikkers op sterk water en grotere opgezette dieren. Van dat laatste houd ik niet zo, maar die dieren op sterk water zijn mijn guilty pleasure. Geen idee waarom, maar het fascineert me. Net als fossielen van vissen en bladeren. Daar kan ik geen genoeg van krijgen.
De pronkstukken van de verzameling zijn Neanderthaler resten. Niet ver van hier zijn in een grot een grote hoeveelheid overblijfselen van onze verre voorouders gevonden, met vuistbijlen en andere gebruiksvoorwerpen. De beenderen en resten van schedels zijn geassembleerd tot complete skeletten met behulp van rood koperdraad en klei. Er staat een nagemaakte Neanderthalervrouw met een dierenvel om in een vitrine, met klein meisje en een kind dat op de grond zit als een dier. Het geheel wordt omlijst met filmpjes en animaties.
Via een Turkse koffie voor het lekker op een terras met een grote ventilator, en later een Americano tegen de dorst bij een alleraardigst meisje bij een cafeetje onder een boom – zij bracht ons de koffie direct in een groot glas, met een extra groot glas water erbij – lopen we langzaam terug naar huis, zoveel mogelijk aan de schaduwkant van de straat.

Afbeelding: Gypsy and Gypsy woman, geschilderd door Martin Mehkek, olie op glas, 1967, Museum voor Naïeve Kunst, Zagreb, Kroatie, 2026

Tito nostalgie

We zijn neergestreken in café Tito, in Sarajevo, een café achter het historisch museum, waar ik een expositie bezocht die ‘Who is Walter’ heet, en gaat over verzet tegen fascisten. Er hangt een verzameling anti-fascistische posters uit verschillende landen, het partizanenverzet wordt gevierd als het omvangrijkste verzet tegen de nazi’s. Een verdieping hoger een expo over de jarenlange belegering van Sarajevo die erg veel wegheeft van expo’s over ‘onze bezettiningstijd’: olielampen, houtkacheltjes, vaak opgelapte kleren en andere overlevingsinventiviteit.
Sarajevo had een tunnel om het hongerende volk in de stad te verbinden met de buitenwereld. De tunnel liep onder het vliegveld door, wat gedoogd werd door de VN vredesmacht, en was de aanvoerroute van eten, wapens en andere zaken die van belang zijn in een belegerde stad, zoals informatie. De tunnel is voor een deel bewaard gebleven en wordt nu getoond als een teken van het standvastige verzet van de stad en de stedelingen tegen de belegering door de Serviërs.

Vlak bij café Tito staat het ‘Ingeblikte vlees monument’, een manshoog beeld van de Sarajevaanse kunstenaar Nebojsa Serić Soba in de vorm van een conservenblik, dat in bescheidener formaat door de Amerikanen vanuit de lucht aan de hongerende bevolking van Sarajevo werd gegeven tijdens het beleg van de stad. Er zou niet al te enthousiast gereageerd zijn om die gave: de blikken waren ver over de datum; de inhoud was niet te vreten, zelfs de honden bliefden het niet. Het waren restanten nog uit de tijd van de Vietnamoorlog, en bovendien zat er varkensvlees in, wat niet getuigt van culturele gevoeligheid. Men vond de mensen in Sarajevo ondankbaar, maar honger maakt niet alle rauwe bonen zoet.
Het beeld staat er sinds 2007. In 2022 heeft het een nieuwe verflaag gekregen: op een bleekgouden achtergrond staat behalve de sterrencirkel van de EU nu ook in grote letters: “canned beef”. Als het lijkt op de korrelige cornedbeef of gladde spam die ik als kind wel gegeten heb, kan ik me het non-enthousiasme van de Sarajevanen levendig voorstellen.
Op de sokkel wordt de internationale gemeenschap op ingehouden cynische wijze bedankt voor hun hulp aan de belegerde stad.

Voor het Tito café staat een assortiment roestige relicten uit WOII. Op een jeep met half ingegraven banden zit een klein meisje met een stralende glimlach.
Het café zelf is volgehangen met portretten van De Maarschalk, van de fascisten bestrijdende partizaan tot de oude, gelauwerde leider. Er zijn krantenknipsels over Tito, een ingelijste cover van Time magazine met zijn portret, gebruiksvoorwerpen uit de late Tito-tijd die me heel vertrouwd voorkomen (zoals een platenspeler). Er is een theeservies met Tito’s beeltenis erop en meer van dat soort parafernalia.
We worden bediend door een jonge man, in een rood t-shirt met als opdruk een gestileerde Tito in zwart. Hij, laten we hem Hamid noemen, is dertig en geeft volmondig toe dat hij lijdt aan Tito nostalgie. Alles was beter in die tijd, meent hij. Er was niet zo veel gedoe over religie. Zelf identificeert hij zich als moslim, uit respect voor zijn gelovige zus en zijn familie, maar eigenlijk is hij een ongelovige. Geloof en geld, beiden brengen niets dan ellende. Hij noemt Tito een ‘gentle dictator’, die wist op te treden als dat nodig was. Wij mensen in de Balkan hebben dat nodig, zegt Hamid, een harde hand die ons leidt, anders gaat het al snel mis. Als het aan hem zou liggen, zouden alle kerken, moskeeën, kathedralen en wat dan ook voor godshuizen allemaal met de grond gelijk gemaakt worden. Afschaffen, die verdeeldheid zaaiende ideeën. Zonder dat geloof zijn we allemaal gewoon mensen.
Onder Tito, neemt Hamid, had iedereen werk, was er genoeg van alles en keek men naar elkaar om. Nu, onder die zogenaamde democratie, is het ieder voor zich en denken mensen alleen nog aan zichzelf. De leiders zijn allemaal corrupt en mensen zijn alleen nog maar bezig met hoe ze zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld kunnen vergaren.
Hij heeft onlangs zijn mobiele telefoon weggedaan. Gek werd hij ervan, van die constante stroom van berichten en dat voortdurende nieuws. Hij voelt zich nu veel beter. Ik hoef niet alles te weten, zegt hij. Het liefst weet ik eigenlijk niets, want wat heb je aan al die vluchtige kennis over een gedoetje hier en een opstootje daar. Ik wil het met mijn vrienden hebben over dingen die ertoe doen, en dat we elkaar opzoeken in plaats van gemakzuchtig naar elkaar appen.
Hamid werkt op dagloon in het café. Dat is zijn eigen keuze, een maandcontract kan ook, maar door persoonlijke omstandigheden die hij verder niet opheldert kiest hij ervoor dagelijks zijn 50 BAM te ontvangen voor de acht uur dat hij werkt. Dat is omgerekend 25 euro. Als hij geluk heeft, komt daar aan fooien nog eens 25 euro bij. Niet veel, maar voor nu, zegt Hamid, is het goed. Voor nu past dit bij mij.
Zijn Engels is erg goed. Gewoon op school geleerd, zegt hij, en dan, met een zekere trots: wij hebben heel goed onderwijs. Bij ons moet je alle vakken volgen tot je naar college gaat, daarom zijn wij breder geschoold dan in de landen om ons heen of in Duitsland, waar je eerder een keuze in je vakken moet maken.
Hij is lang – twee meter, twee meter twee met schoenen, zegt hij, slank en wonderbaarlijk open. Als ik later het café binnen ga om naar het toilet te gaan, zie ik hem naast de bar danspassen maken.

Je kunt je eigenlijk best voorstellen dat er een zekere nostalgie naar de Titotijd bestaat, naar de tijd dat Joegoslavië nog bestond en er geen openlijke verdeeldheid was. Het communistische regime zorgde voor werk, eten en een dak boven je hoofd, en je had weinig te vrezen als je je niet met politiek bemoeide en op de gebaande paden in het gareel bleef lopen. Zeker voor jongeren die opgegroeid zijn met de afschuwelijke oorlogsverhalen van hun ouders en dagelijks de frictie tussen de verschillende groepen ervaren, lijkt dat een mooie tijd. Met de alom aanwezige Tito als rechtvaardige leider van een eensgezinde natie.

Tito – voluit Josip Broz – werd in 1892 in Kroatië geboren bij Sloveens-Kroatische ouders.
Als jongeman nam hij dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij werd krijgsgevangene, maakte in Rusland de revolutie mee, werd communist en diende in het Rode Leger. Na de Eerste Wereldoorlog werd het koninkrijk Joegoslavië gevormd uit de resten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. (Het Ottomaanse rijk was al eerder in scherven uiteengevallen). Daar werd Tito in 1928 secretaris van de toen verboden Communistische Partij in Zagreb. Dat kwam hem op vijf jaar gevangenis te staan, waar hij geluk mee had, want terwijl hij in de gevangenis zat, verharde de repressie en werden zijn mede-communisten zonder pardon tegen de muur gezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar de Sovjet-Unie. Toen de Asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, vormde Tito een verzetsgroep, de partizanen. Die werd de grootste en machtigste van het land. Nog tijdens de oorlog begonnen Tito en zijn kompanen de contouren voor de nieuwe staat te schetsen.

Toen de oorlog voorbij was, werd Tito premier. Zijn geheime dienst maakte overuren bij het opsporen en afrekenen met fascisten, collaborateurs, Ustase (Kroatische fascisten) en Cetniks (Servische nationalisten die tegen de nazi’s en tegen de communistisch partizanen vochten), verstokte royalisten en andere echte of vermeende tegenstanders. Velen werden vermoord of verpieterden in werkkampen.
In 1946 schafte hij de monarchie af en stichtte de Federale Volksrepubliek Joegoslavië, een communistische staat naar Sovjetmodel. Een paar jaar later raakte de band tussen Tito en Stalin verstoord: Tito hield vol dat Joegoslavië door zijn partizanen was bevrijd, terwijl Stalin beweerde dat het de Russen waren geweest die de nazi’s verjaagd hadden. Ook had Tito er geen trek in om Joegoslavië te ontwikkelen als vazalstaat en leverancier van halffabricaten aan de Sovjet-Unie. De breuk met Stalin werd niet meer geheeld, en ook na diens dood bleef Tito een eigen koers varen. Dat maakte hem geliefd in Europa en de VS als buffer tegen het Rode gevaar.
De nieuwe grondwet van 1963 bepaalde dat Tito’s presidentschap alleen kon eindigen met zijn dood. Zijn beleid was gericht op het onderdrukken van regionale, etnische en religieuze verschillen en de volken binnen de grenzen van zijn rijk samen te smelten tot een nieuwe mens: de Joegoslaaf, zonder religie, vol gemeenschapszin en trouw aan de leider.
Ondanks de afgedwongen gelijkheid bleef Servië dominant. Dat zinde de andere groepen niet, en om onrust te voorkomen bepaalde de vernieuwde, federale grondwet van 1974 dat Kosovo (door Servië als Servisch geclaimd) een autonome provincie werd, met eigen stemrecht in de Federale Raad. Net als Vojvodina, een gebied in Noord-Servië met een grote Hongaarse minderheid. Die twee toegevoegde stemmen zouden de Servische dominantie moeten inperken.
Slobodan Milosevic, de extreem nationalistische president van Servië, draaide die maatregel in 1990 terug, en eigende zich de stemmen van de twee regio’s weer toe als stap op de weg naar een Groot-Servië. Vojvodina werd tijdens de Kosovo oorlog in 1999 door de NAVO zwaar gebombardeerd. Pas in 2009 ging het Servische parlement akkoord met het herstel van de autonome status van voor 1990. Vojvodina is een mengelmoes van verschillende etnische groepen; er worden zes talen gesproken. Rechtse partijen in Hongarije vinden dat het stuk land geen onderdeel van Servië moet zijn, maar toebehoort aan Hongarije.

De strijd om Kosovo is ons bekender. In Kosovo wonen vooral (zeker 90%) etnische Albanezen, die niet bij Servië willen horen. Oorspronkelijk werd het gebied bewoond door Illyriërs en Thraciërs. Die oeroude stammen bestierden voor het begin van onze jaartelling een omvangrijk gebied, samengesteld uit kleine rijkjes. Ik herinner me een tentoonstelling ‘Het goud van de Thraciërs’, in Museum Booijmans van Beuningen in 1984, toen Joegoslavië nog niet uiteengevallen was, de tentoongestelde schatten uit Oostblokmusea kwamen en ik nog nooit van Kosovo gehoord had. Ragfijn goudwerk, filigraan, dierenfiguurtjes.
Aan de Thraciërs hebben we, via de oude Grieken, de god Dionysus, de mythische prinses Europa en Orpheus te danken. Spartacus, de leider van de grote slavenopstand in het oude Rome, was een Thraciër.
Kosovo maakte deel uit van het deelrijk Dardanië, dat na een Romeinse, een Byantijnse en een Bulgaarse periode, in de dertiende eeuw geannexeerd door het koninkrijk Servië. In 1389 vond bij Kosovo Polje de Slag op het Merelveld plaats, tussen de legers van vorst Lazar en de Ottomanen. De laatsten wonnen en bleven vijf eeuwen heersen over het gebied. Albanezen en Bosniakken bekeerden zich tot de islam. De Serven bleven oosters-orthodox.
Na de val van het Ottomaanse rijk en de eerste Balkanoorlogen, nog voor de Eerste Wereldoorlog, kreeg Servië de heerschappij over Kosovo. Voor Servische nationalisten is Kosovo de bakermat van de Servische beschaving, een idee dat innig verbonden is met die veertiende-eeuwse slag op het Merelveld, die de overheersing van de orthodoxe Serviërs door de islamitische Ottomanen en in hun verlengde de bekeerde Albanezen en Bosniakken inluidde.
Het doet me denken aan de Vlaamse Guldensporenslag, bij Kortrijk, die ook in de veertiende eeuw plaatsvond, die voor Vlaamse nationalisten een van de belangrijke bouwstenen is van hun Vlaamse identiteit. Een bij elkaar geraapt leger van Vlaamse boeren, ridders en stedelingen versloeg toen het Franse leger. ‘Ik begin de slachting, volg mij’, zou Robert van Bethune, de leider van de Vlamingen, met de bijnaam ‘de Leeuw van Vlaanderen’ geroepen hebben. Mooier kan het niet voor nationalisten.
De Serven verloren de Slag op het Merelveld dan wel, maar door hun onbaatzuchtige inzet hebben ze de wereld wel mooi behoed voor een verdere Turkse opmars, vinden ze zelf.

In Kosovo riep Ibrahim Rugova, de pacifistische leider van de Albanese Kosovaren, in 1991 eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Hij richtte een ondergrondse schaduwregering op, die alleen door Albanië werd erkend, en zette een ondergrondse maatschappijstructuur op met een parlement, gezondheidszorg en onderwijs.
Omdat het vreedzame verzet van Rugova niet echt zoden aan de dijk zette, werd vijf jaar later het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) gevormd. Zij begonnen een guerrillaoorlog tegen Serviërs en vermeende collaborateurs. Het Joegoslavische Volksleger – dat Servië zich tijdens het uiteenvallen van Joegoslavië steeds meer toe-eigende – viel Kosovo binnen. Dat liep uit de hand, grote groepen vluchtelingen raakten op drift, de NAVO greep in, er werd een akkoord gesloten dat werd geschonden, er werd opnieuw vergeefs onderhandeld en uiteindelijk ging de NAVO over tot het wekenlang bombarderen van Servië, waarop de Servische troepen zich volledig uit Kosovo terugtrokken.
Kosovo kwam onder bestuur van de VN. In 2008 stemde het Kosovaarse parlement unaniem voor onafhankelijkheid. Een onafhankelijkheid die niet unaniem erkend wordt.

Tito was toen alweer een tijdje dood. Na zijn dood in 1980 ging het rap bergafwaarts met Joegoslavië als eenheidsstaat. Servië, altijd al dominant, claimde de stemmen van Vojvodina en Kosovo en versterkte zo zijn positie, met de extreme nationalist Milosevic aan het roer. De Sovjet-Unie viel uiteen, de Berlijnse Muur ging neer, met dictators uit het communistische blok werd genadeloos afgerekend. Denk aan de Roemeense Ceausescu, die na een kortstondig volkstribunaal samen met zijn vrouw werd geëxecuteerd.
In Joegoslavië leefden ook in de andere deelstaten het nationalisme op. In 1991 riepen Slovenië en Kroatië hun onafhankelijkheid uit. In april 1992 volgde Bosnië-Herzegovina. Servië, onder Milosevic en generaal Mladic, met de slagkracht van het Joegoslavische volksleger, was hoofdrolspeler in een bloedige en wrede strijd die duurde tot 1996.
Onder het vredesakkoord van Dayton is Bosnië-Herzegovina verdeeld in een Servisch en een Moslimdeel, met grillige grenzen, elk een eigen hoofdstad (Banja Luka en Sarajevo), een eigen vlag, een eigen parlement, eigen regels, onderverdeeld in kantons en regio’s met zo min mogelijk etnische diversiteit, en blijvende spanningen tussen de bevolkingsgroepen. De federale overheid staat onder leiding van een driemanschap aan presidenten: één Kraotisch, één Servisch en één Bosniak. In het federale parlement zijn de zetels verdeeld over de drie dominante etnische groepen in het land. Daarboven staat de Hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina, een ongekozen, door de internationale gemeenschap aangewezen persoon die de politieke verdeeldheid in toom moet houden en de bevoegdheid heeft wetten door te voeren en functionarissen te ontslaan.
Bosnië-Herzegovina is sinds een paar jaar kandidaat-lid van de EU, maar voor er toegetreden kan worden is er nog enig werk te doen.

Het lijkt me dat de verdeling die in Dayton gemaakt is destijds als verstandig gold. Er moest een oplossing gevonden worden, de oorlog en het moorden moesten worden gestopt. Analoog aan wat de Engelsen destijds met India deden, is gekozen voor een soort ‘partition’. Niet in twee aparte staten – dat was moeilijk aan Servië te verkopen geweest, want waarom dan niet gewoon de Republika Srpska bij Servië voegen? En onverteerbaar voor de Bosniakken, die niet de helft van hun land zouden willen afstaan aan hun genocidale buren. Toch is het geen ideale oplossing, de bevolking is en blijft gemengd, al is er wel over en weer ‘ethisch gezuiverd’. Het is een noodoplossing, zeker ook omdat de hoogste baas van het land nog altijd, na dertig jaar, door de internationale gemeenschap wordt aangewezen.

Logisch dat jongeren zoals Hamid van café Tito, opgegroeid in de nasleep van de laatste oorlog in een nog altijd verdeeld land vol spanningen, terugverlangen naar een geromantiseerde tijd onder de Maarschalk. Toen was het misschien dan wel een communistische dictatuur, maar wat heb je aan democratie als die alleen maar leidt tot corruptie, machtsmisbruik en het onbeschaamd nastreven van je eigenbelang.

Brief uit Srebrenica – deel twee

Tussen Bratunac, waar we verblijven, en Srebrenica ligt Potocari, waar Dutchbat op het terrein van een oude accufabriek zijn compound had. Zo’n 400 mannen en vrouwen van de Luchtmobiele brigade vormden in de laatste dagen van de enclave de Nederlandse bijdrage aan UNPROFOR, de VN-vredesmissie in Bosnië tijdens de oorlog van 1992-1995.
Al bij het betreden van het gebied had duidelijk kunnen zijn dat Mladic en zijn troepen de beste kaarten hadden: Dutchbat mocht de enclave in, maar zonder al te zware wapens. Die werden prompt ingeruild voor lichtere, want UNPROFOR was geen vechtmissie, maar een vredesmissie die de Bosniakken, samengedreven in het stadje omringd door heuvels en bergen, kwam beschermen. Ik ben geen militair expert, maar dat Srebrenica moeilijk te verdedigen is, geloof ik gelijk. Later is wel gezegd dat de hele onderneming van meet af aan onverantwoordelijk was, maar dat was pas nadat de mensen die beschermd hadden moeten worden vermoord waren, en de uitgezonden militairen weer thuis waren, met PTSS, en alle klachten die daar het gevolg van zijn.

Direct na hun vertrek uit Potocari, op de basis in Zagreb, verklaarden de Dutchbatters dat het een moeilijke tijd was geweest: ze zaten tussen twee vuren: aan de ene kant de moslims die – volgens enkele Dutchbatters – eropuit waren de Serviërs te provoceren om zo de slechtheid van de vijand te laten zien en hun eigen slachtofferschap aan te dikken; aan de andere kant de Servische troepen, paraat op de heuvels rondom de stad.
Toen de Serviërs eenmaal dicht genoeg genaderd waren, volgden een aantal gesprekken tussen commandant Karremans en Mladic. Mladic, die de troefkaart van een aantal gegijzelde Dutchbatters in handen had, beloofde de vluchtelingen goed te behandelen. Er zijn beelden van een vriendelijk lachende Mladic die snoepjes uitdeelt en kinderen over de bol aait. Karremans, die niet werkelijk een andere keuze had, leek met Mladic te socialiseren, hij hief immers het glas met hem, een tafereel dat in ons nationale geheugen gegrift staat. Het is Karremans zodanig blijven achtervolgen dat hij zich na zijn pensionering in Spanje heeft gevestigd.
Aangekomen in Zagreb verklaarden de Dutchbatters niet gecharmeerd te zijn van de moslims: onbetrouwbaar waren ze. Met de Serviërs kon je tenminste zakendoen. Het is verhelderend de krantenberichten van net na de val van de enclave nog eens na te lezen. Wat er toen is gezegd is naderhand geduid als mogelijke symptomen van het Stockholmsyndroom, waarbij je je eigen angst bezweert door sympathie te koesteren voor degene die je bedreigt.
Op de muren van de compound is de meest aanstootgevende graffiti van de Nederlanders inmiddels verwijderd, zoals: “No teeth? A mustache? Smell like shit? Bosnian girl! [Geen tanden? Een snor? Stinkt naar stront? Bosnisch meisje!]
Ik lees ze van een foto in de kleine expositieruimte bij de gedenkplaats die is ingericht tegenover de oude fabriek. Hier zijn (een groot deel van) van de ruim 8000 mannen die na de val van de enclave zijn vermoord begraven. Rij na rij witte zuiltjes met een naam, een geboortedatum en steeds dezelfde sterfdatum. Op lange, schuinstaande witte platen worden hun namen genoemd. Her en der ligt een door de zon gedroogde bloem. Nog altijd worden er slachtoffers, eenmaal gevonden en geïdentificeerd, bijgezet.

De compound zelf is onderdeel geworden van de gedenkplaats, waar behalve een documentatiecentrum een aantal tentoonstellingen over de genocide zijn ingericht.
Dat het een genocide betrof lijdt weinig twijfel – de Servische intentie de Bosniakken als bevolkingsgroep uit te wissen is goed gedocumenteerd – al wordt dit ontkend door de Bosnische Serviërs, die alle aandacht die uitgaat naar de moslimslachtoffers, met die begraafplaats zo zichtbaar langs de weg en dat grote museum, oneerlijk vinden. Alsof er niet ook Servische slachtoffers zijn gevallen door moslimagressie. Die zijn er: bij het zoeken naar voedsel voor de mensen in de enclave werden dorpen in de omgeving aangevallen door Bosnische moslimstrijders, wat gepaard ging met brandstichten en moorden. Dat vertroebelt de discussie. Dat Servische slachtoffers niet ook erkend worden zet kwaad bloed. Het was oorlog, er is gevochten, er zijn aan beide kanten doden gevallen, is de Servische opinie. De stap naar ontkenning van de genocide is snel gezet.
Waarom zouden Servische slachtoffers geen plek in het herinneringscentrum kunnen hebben? Maar, zegt overlevende in een interview, je kunt je toch ook niet voorstellen dat er in Auschwitz een hoekje wordt ingericht voor de slachtoffers van het bombardement op Dresden?

In de fabriekshallen van de voormalige compound bekijk ik de exposities: veel foto’s, video’s van uitgeputte en vermagerde mannen die de dodenmarsen overleefden, voorwerpen die gevonden zijn in de bossen, rijen schoenen. De aanloop naar de val van de enclave, het leven van de Blauwhelmen – een nagebouwd slaapvertrek met twee veldbedden en een kast waarin uniformen hangen. Verhalen over slachtoffers, van familieleden, overlevenden. Graffiti op de muren, handafdrukken met ‘Handklap’ erboven geschreven; een geschilderd vignet van een lachend spookje dat een raket vasthoudt met eromheen: Royal Dutch Army, UNPROFOR: het woord kikkervisje naast de open plek waar de eerdergenoemde sneer naar Bosnische meisjes gekalkt was.
Het kantoor van Karremans, met een telefoon en een asbak op tafel en Beatrix en Claus aan de muur.
Aan het eind van de lange hal wordt de val van de enclave in beeld gebracht, met geluidseffecten; ik hoor schreeuwen, geweerschoten. De massa vluchtelingen, de bussen, de gescheiden mannen en vrouwen, hier en daar een machteloze Dutchbatter met een blauwe helm.
Een groep jonge studenten wordt rondgeleid en zitten in een zaaltje te luisteren naar een voordracht. Het zijn jongeren uit heel Bosnië die in het herinneringscentrum over hun geschiedenis leren. Ze worden vergezeld van een cameraploeg. Volgens de website organiseert het centrum sinds drie jaar een internationale zomerschool, over genocide.

Bij de ingang van het museumcomplex staat een beeld van twee vrouwen en een kind. Op de sokkel staat een tekst in het Bosnisch, met eronder Truus Menger, Westerbork. Na wat speuren kom ik erachter dat het beeld speciaal voor de gedenkplaats gemaakt is, voor de moeders, vrouwen en kinderen van Srebrenica, en in 2006 is onthuld in het bijzijn van maakster Truus Menger, en de directeur van Kamp Westerbork. Het museum wordt financieel en met advies ondersteund door zowel het Nederlandse ministerie van Defensie als Kamp Westerbork.
Truus Menger was een verzetsstrijdster uit de groep van Hannie Schaft. Na de oorlog maakte ze als beeldhouwer verschillende herdenkingsmonumenten. Het herinneringscentrum kamp Westerbork is, samen met PAX nauw betrokken bij het inrichten van de tentoonstellingen in wat voluit Srebrenica-Potocari Genocide Memorial and Cemetery heet. De manier waarop de schoenen en de voorwerpen zijn opgesteld lijkt op de manier waarop de Holocaust herdenkingsplaatsen zijn ingericht. Niet alleen in Nederland, maar ook in Polen.
‘Srebrenica’ is bijgezet in de herdenkingscultuur.

We eten ’s avonds in een restaurantje aan de Drina, het water kabbelt rustig door de brede bedding, aan de overkant is het groen zo ver als je kijken kan. De regen heeft alles opgefrist, ook het weer. We trekken een jasje aan. De eigenaar van het restaurantje is bezig met het lakken van houten tafeldelen. ‘Even wachten’, grapt hij, ‘ik ben nu timmerman, maar als ik mijn handen heb gewassen en een ander shirt aanheb, ben ik restauranthouder’. Hij spreekt Duits. Vroeger, vertelt hij, was hij kunst-onderwijzer. Maar dat kan nu niet meer, hij is moslim, en dat ligt hier, letterlijk aan de grens met Servië, nog steeds gevoelig.
De grens loopt middendoor de rivier. Zwemmen mag, ook naar de overkant, maar het is verboden om de andere oever op te gaan.
Al 16 jaar runt hij zijn restaurant. In de onmiddellijke omgeving ervan wonen mensen zoals hij, vaak teruggekeerde vluchtelingen. Sommigen spreken Nederlands.
We kijken toe hoe zijn vriendin verse pita maakt: met kaas gevulde broodjes van heel dun uitgerold deeg. De maaltijd is overvloedig – salade, visjes uit de rivier, geroosterde groenten, polenta, kaas en pita, wijn uit Montenegro, ‘want’, zegt hij ‘daar houden Nederlanders van’. Dat weet hij, omdat hij elke week een groep ex-Dutchbatters en hun familieleden ontvangt. Die zijn op ‘terugkeerreis’. Die terugkeerreizen zijn onderdeel van de nazorg voor Dutchbat III. Na een onderzoek uit 2022 bleek dat de leden van het bataljon die in Srebrenica-Potocari waren tijdens de val, kampen met trauma’s, schuldgevoel, schaamte, depressies en een schrijnend gebrek aan nazorg. Ze kregen een financiële vergoeding van 5.000 euro als blijk van waardering, om de negatieve beeldvorming rond het bataljon een beetje goed te maken.
De terugkeerreizen worden georganiseerd onder auspiciën van het Veteranen Instituut, worden door deskundigen begeleid en zijn bedoeld om de Dutchbatters de kans te geven in het reine te komen met hun verleden in Bosnië. De stichting Moeders van Srebrenica is een van de partners. Er worden, naast het bezoek aan de compound en de begraafplaats, gesprekken en samenkomsten georganiseerd met nabestaanden.
Het zijn emotioneel zware reizen, niet alleen voor de voormalige Dutchbatters, maar ook voor de mensen hier, vertelt hij, die hun trauma’s steeds weer opnieuw beleven. Toch vindt hij de reizen belangrijk. Hij laat me een boek zien, in het Bosnisch. Maar zegt hij, er is ook een Nederlandse versie. Ik zoek het later op: ‘Bruggen Bouwen. Ontmoetingen van Dutchbat III veteranen met Overlevenden van de Genocide in Srebrenica” van Eric Vermetten, Anna Gebert e.a. De EO maakte een documentaire over die reizen.

De zon zakt langzaam weg achter de bomen. We ronden de maaltijd af met Bosnische koffie. Wat we niet opgegeten hebben, gooit hij met een zwaai de rivier in: voor de vissen. Sommigen zijn enorm, zo groot als een dolfijn. Die lusten wel een hap polenta.
Bij het afscheid loopt hij de keuken in en komt terug met een fles wijn: hier, een geschenk, voor jullie. Het spijt me dat ik niet naar zijn naam heb gevraagd.

(Afbeelding: foto in de expositieruimte bij de begraafplaats – Potocari)

Nagekomen post – Napels

‘Napels zien, en dan sterven.’ Deze uitroep van bewondering en verlangen wordt toegeschreven aan Goethe, die hem, totaal onder de indruk van de schoonheid van de stad, in zijn dagboek noteerde. In de tweehonderd jaren die verstreken tussen Goethe’s bezoek en het mijne durf ik wel te beweren dat de stad niet aan schoonheid heeft gewonnen.
‘Sprekend India’, zegt reisgenoot S. En verdomd als het niet waar is. We logeren in een buitenwijk die net zo goed in Chandigarh of Delhi had kunnen zijn: de lichte geur van rottend afval, bladderende stuc op huismuren, stoepslapers, her en der tempeltjes – alleen de godheid in de nisjes is anders – een pokdalig wegdek, automobilisten die van geen verkeersregels willen weten, geschaafde en gedeukte vehikels alom. Bij de oprit naar een snelweg een bord met: verboden voor paard en wagens. De kleine kruideniertjes worden gerund door mensen van het Indiase subcontinent, Pakistani, Bangladeshi, hun verse waar aan het eind van een lange, zonnige dag verschrompeld en schimmelig in de schappen.
Voor een shop waar je kunt wedden op iets hangt een groepje mannen, een heeft zijn t-shirt opgeslagen en zijn bolle buik ontbloot, ook al ‘typisch Indiaas’.
Snerpend gegil van een vrouw, dat overgaat in gejammer en bezorgde buren op het naastgelegen balkon brengen me terug in Italië, net als de pizza die we eten op een terrasje in de buurt.

De ligging van Napels maakt dat de uitroep van Goethe wat minder geëxalteerd aandoet: in een grote, halfronde baai aan zee, omgeven door een cirkel van bergen, met de Vesuvius als een natuurlijk memento mori boven de stad uittorenend.
Als wij de vulkaan beklimmen is het mistig en grijs. Naarmate we hoger komen wordt de mist dikker en gaat het eerst stortregenen, en daarna hagelen. Dat heeft als bijkomstigheid dat we vrijwel alleen aan de kraterrand staan. Waar we nog geen meter naar beneden kunnen zien. Wat jammer is, je kijkt tnslotte niet dagelijks in een vulkaankrater. We blijven er, het weer trotserend, rondhangen in de hoop op opklaring. Als we tenslotte net afgedaald zijn, breekt het toch nog open, alsof de Vesuvius de spot met ons drijft. Onder een nu stalend blauwe lucht hebben we vanaf de hellingen prachtig zicht op Napels aan haar baai, de bergen eromheen, de zee en de eilandjes voor de kust.
De Vesuvius is natuurlijk vooral bekend van de uitbarsting in 79, toen as en gassen, stenen en lava Pompei, Herculaneum en andere stadjes en dorpen op en onder haar hellingen bedolven. Dat is niet de enige, maar wel de meest dramatische geregistreerde uitbarsting van de vulkaan.
Het gebied is sinds 1995 een beschermd Nationaal Park. Een van de jonge mannen die onderweg in een makeshift hokje of een standje koffie, lokale wijn (lacrima de Christi- Christustranen) en souvenirs verkopen vertelt dat er voor corona dagelijks zo’n 6000 mensen elkaar rond de krater verdrongen. Na corona zijn het er nog zo’n 3000. Per dag. Behalve op een dag waarop het bewolkt is, mistig of regenachtig is, dan haken de meeste mensen af. En als het stormt gaat het pad dicht, dan is het bovenop de 1280 meter hoge heuvel te gevaarlijk.
De souvenirs die aangeboden worden zijn interessant: behalve de ijskastmagneten, de flesjes met lokale wijn ( de druiven groeien op de flanken van de vulkaan) en minivesuviusjes in bonte kleuren, zijn er tennisbal grote zwarte kogels, die doormidden zijn gespleten hun fonkelende inhoud tonen en worden verkocht als ‘echte lava’. Ze zijn er ook in pingpongbalformaat, met net zo’n glitterinhoud. Er liggen brokken felgele zwavel, kristallen en zwarte figuurtjes gemaakt van lava. Een jonge man koopt vergenoegd een zwarte schedel voor 25 euro. Ik gun hem dat hij blijft geloven dat hij een doodshoofd van lava heeft aangeschaft.

De Vesuvius is een vulkaan in een vulkaan. Preciezer: de Vesuvius is ontstaan in de caldera (het meestal steile gat dat een na eruptie ingestorte magmakamer achterlaat) van een oudere vulkaan, de Monte Somma, waarvan je de rand rondom de krater van Vesuvius ziet liggen. Die Monte Somma was veel groter, zijn krater is gedeeltelijk ingestort tijdens de explosieve uitbarsting in 79.
De vulkaan is niet dood, en geldt als een van de gevaarlijkste, omdat er zo’n 3 miljoen mensen wonen in het bij een uitbarsting bedreigde gebied, waarvan 600.000 in de directe as, gas en lava gevarenzone. In 1944 spuwde hij voor het laatst, en verwoestte hij dorpen. Sinds die uitbarsting houdt hij zich rustig, en ontsnapt er alleen wat zwavelige rook uit de krater. Een observatorium houdt alles scherp in de gaten, en de stad Napels heeft een uitgewerkt evacuatieplan klaarliggen voor het geval dat.

Omdat we de drukte in Pompeï vrezen, kiezen we ervoor om Herculaneum te bezoeken. Kleiner, net iets minder beroemd, maar zeer goed bewaard, interessant en te behappen. Voor de uitbarsting woonden er ongeveer 5000 mensen in het stadje. Door de windrichting kreeg Pompeï de volle laag van as en stof, en werd Herculaneum door hitte en lava overmand. De bewoners vluchtten naar de boothuizen aan de kust, waar ze stierven in de verzengende hitte die door de vulkaan werd gegenereerd. Hun botten te aanschouwen in de restanten van de boothuizen. Die liggen sinds de eruptie niet meer aan zee, de uitbarsting in 79 verlegde het strand. Het stadje zelf is slechts voor een deel opgegraven, omdat het grootste deel onder moderne bebouwing ligt. Maar dat maakt het niet minder spectaculair. Er zijn villa’s met atriums en fonteinen, muurschilderingen van vogeltjes en andere dieren, een pauw met een zeer levensechte staart, goden, godinnen, alles in zachte verweerde kleuren. Er zijn restanten van winkeltjes, kroegjes, er is een badhuis voor mannen, en een voor vrouwen, er is een forum met een beeld van een keizer op een sokkel. Er zijn tuinen, watertap-punten, en waar je maar kijkt ontdek je details: kleine versieringen bij een deurpost, een gevelsteen van een engelfiguurtje, een wijnrank bij een kapiteeltje. Het is bloedheet, niet erg druk, en ik geef de beschrijver die schreef dat je echt het gevoel hebt in een Romeins stadje te lopen groot gelijk. Het geeft een wonderlijk goed bewaard gebleven inkijkje in levens die lang geleden zijn geleefd.

Op een half uurtje rijden van Herculaneum ligt Villa Poppaea, van de familie van de tweede vrouw van keizer Nero. Een complex met wel honderd kamers, uitkijkend – destijds – op de zee. Ook toen namen de machthebbers het er goed van: de villa is rijk versierd met fresco’s, mozaïeken, marmeren beelden, fonteinen en zuilengalerijen, en naar de voorwerpen in het kleine museumpje te oordelen leefden ze er goed van. Omdat het 2 juni is, de ‘Dag van de republiek’ mogen we er gratis naar binnen. Het zou mooi zijn als we in Nederland bij nationale feestdagen, in navolging van Italië, musea en andere bezienswaardigheden – en de Efteling – gratis toegankelijk zouden maken.
De topstukken van de bedolven steden en villa’s zijn te bewonderen in het Archeologisch Museum van Napels. Zaal na zaal gevuld met adembenemende, ragfijne mozaïeken, gedetailleerde schilderingen en fraai versierde voorwerpen, inclusief kasten, bedden tafeltjes op sierlijke pootjes. Een speciale zaal is ingericht met erotica: blijkbaar hadden de oude Romeinen een fetisj voor abominabel grote penissen, en werd ‘de daad’ open en bloot vereeuwigd in ooit heldere kleuren.

Buiten het museum: de stad van nu. Tegenover, aan de drukke straat, liggen de verworpenen in portieken. Er is een ruzietje: er wordt getrokken, geduwd en gescholden, maar een serieus handgemeen wordt voorkomen door aansnellende lotgenoten. De ruzie ging over eten: de ene man had het eten van de andere man opgegeten. Hij had honger.
Italië gaat vluchtelingen terugnemen uit de rest van Europa, vanwege ‘Dublin’, waar is afgesproken dat het land van binnenkomst verantwoordelijk is voor opvang van asielzoekers. Een lelijke maatregel, die de last op de schouders van enkele Europese landen – niet de rijkste – laadt, die van harte ondersteund wordt door een deel van het Nederlandse parlement. Hier in de stad zie je al waar dat toe gaat leiden: straatslapers, ontheemden in de berm, veel bedelaars. En uiteindelijk naar deprotatie van de ongewensten, naar de uitzethubs in Albanië.

We eten – pasta – in het Quartieri Spagnoli, de ‘Spaanse wijk’, hoge woonkazernes is smalle steegjes, ooit opgetrokken voor Spaanse garnizoenen in de 16de eeuw, nu een toeristische attractie, ooit een broeinest van misdaad, prostitutie en verval. (Voordat Italië Italië werd, in 1860, was Zuid Italië het lange tijd een onderdeel van Spanje).
Zonder moeite zie je hier de geniale vriendin van Ferrante rondrennen. En ook is het niet moeilijk je voor te stellen dat de maffia hier regeerde/regeert. De muren zijn volgespoten en geschilderd met allerlei hoogstaande graffiti, veel portretten van Maradonna, soms afgebeeld als held, soms als heilige – inclusief een heus tempeltje gewijd aan de voetballegende – veel voetbalvlaggen. En overal restaurantjes die de lokale keuken uitventen.
De Napolitaanse maffia, de Comorra, is gebaseerd op familieclans, die zich specialiseren in afpersing, drugs, gokken. Ze beheren een paardenrenbaan op de flanken van Vesuvius, en er zijn opmerkelijk veel punten in de stad waar je een wedje kan leggen, waar mannen die je een beter leven gunt rondhangen tussen hoop en vrees. Ook eisen ze beschermingsgeld van kleine ondernemertjes (die zich tegen betaling aan hun afpersers tegen de afpersing beschermen. Heel filmisch allemaal, alleen is de grens tussen de boven – en de onderwereld poreuzer dan elders. Toen de macht van Spanje in het zuiden van Italië begon te tanen – zo rond 1820 – namen de familieclans het lokale gezag over met instemming van de Spaanse overheersers. Ze functioneerden als politie en hadden een eigen rechtspraak systeem, Na de eenwording bleef de Comorra het lokale gezag, met goedkeuring van de nieuwe overheid. De families werden ingezet om mogelijke opstanden of afscheidingsinitiatieven de kop in drukken. Met een dip in macht en aanzien na een arrestatiegolf rond 1863, leefde de Comorra aan het begin van de vorige eeuw weer op, tot Mussolini aan de macht kwam. Die schijnt niet zo ingenomen te zijn geweest met de maffia, naar ik vermoed door de gewortelde loyaliteitscultuur die hem in de weg zat in zijn streven naar alleenheerschappij, en tijdens zijn bewind dwarsboomde hij de Comorra waar hij kon.
Na de Tweede Wereldoorlog kregen de families een rol in het herstel van het gezag, maar al rap veranderde de Comorra van een lokaal familieproject in een internationale, hiërarchisch geleide misdaadbende, waarin ook vrouwen een aanzienlijke rol spelen. De Italiaanse regering is er nu op gespitst de Comorra te breken en de bendes en hun misdaad te bestrijden. Wat geen eenvoudige opgave is, want de verstrengeling tussen de boven- en de onderwereld blijft een schier onontwarbare kluwen. Het is alsof je de corruptie die die verstrengeling met zich meebrengt aan de stad kan zien, het is vies (de afvalverwerking zou in handen zijn van de Comorra), onderkomen- niet alleen de buitenwijken, maar ook de binnenstad heeft iets haveloos, aan de rafelranden veel onafgemaakte gebouwen, waarvan je vermoedt dat ze zijn aanbesteed, dat er smeergeld is betaald, en dat die verdienste belangrijker is dan het gebouw zelf. En een aanstootgevend belabberd wegdek. Net India. Hoogst interessant, en een beetje unheimisch.

Brief uit Genoa

Waar ik altijd aan dacht als ik aan Genoa dacht – wat niet heel vaak voorkwam, was: Christofor Columbus, die hier geboren is; pesto, die hier is uitgevonden, en Ilja Leonard Pfeiffer, die hier is neergestreken, de liefde heeft gevonden en van de drank is afgeraakt.
Ter voorbereiding van het bezoek aan de havenstad probeerde ik Brieven uit Genoa van Pfeiffer te lezen. Waar ik na twee brieven mee ophield omdat ze me gedateerd voorkwamen. Daarna nam ik zijn La Superba ter hand, omdat ik las dat la Superba (de hoogmoedige, de trotse) de bijnaam is van Genoa. La Superba is een roman, waarvan ik nu een bladzij of vijftig gelezen heb. De beschrijvingen van de stad en de steegjes zijn leesbaar, maar de ontboezemingen van de ik-figuur over mooie en lelijke meisjes en vrouwen in het algemeen vind ik niet opbeurend en ook nogal oninteressant. Dat de protagonist een afgezaagd vrouwenbeen tegen het lijf loopt en mee naar huis neemt maakt dat ik het ergste vermoed over de rest van de roman.
Ik was nooit bijster geïnteresseerd in Pfeiffer, totdat ik hem met zijn lange haar en zijn kostuum en zijn dikke buik bij Zomergasten ontwapenend zag vertellen over dat hij als jongeling een eigen taal had verzonnen. Toen dacht ik, goh, ik ga toch eens wat van hem lezen. En dat is er nu dan van gekomen.
We zijn in Genoa neergestreken, niet ver van het centraal station, waar aan de voorzijde een reusachtig standbeeld van Columbus staat te pronken; en op een muur gespoten las ik: ‘eat pesto, hate tourists’.

De studio die we bewonen staat in een smalle steeg, waar bij aankomst een Italiaanse familie ergens achter een van de ramen luidruchtig feestviert. De panden zijn zeker acht verdiepingen hoog, en uit de ramen hangen lijnen met wasgoed, alsof alles erop gericht is om de clichés over een volksbuurt in een oude Italiaanse stad te bevestigen.
In de studio hangt de zware, verstikkende lucht van reukstokjes. Maar dat is niet het enige dat je de adem ontneemt: het hele studiootje is volgeplakt en volgehangen met kleurcirkels, sterretjes (die ’s nachts oplichten) en ‘leuke dingen’. Van boven tot onder zijn de muren versierd met grote en kleinere stippen in bonte kleuren, afgewisseld met sterren en omzoomd met regenbogen, onderbroken door opgeplakte plaatjes van vissen, vogels, palmbomen en kindertekeningen. Op de mosterdgeel geverfde kasjes in het keukentje zijn bloemen geplakt, en katten die aan hun nagels naar beneden glijden. Grote Keith Haring prenten aan de muur. (Keith Haring als graffiti op een stadmuur, oké, maar in je huiskamer: nee)
Er hangt een bordkartonnen anker aan de muur, er staat een vuurtoren met een lampenkap erop. Uit een toneellamp vloeit blauw licht. Op een plank staat een mand met dinosaurusjes en andere plastic diertjes. In de slaapkamer een tafelvoetbalspel. Het geheel doet denken aan een kinderkamer ingericht door ouders die het niet kunnen uitstaan dat hun kind nog steeds geen ADHD diagnose heeft, en het lot een handje willen helpen.
Maar wij zijn tevree, want het optrekje is op loopafstand van de binnenstad en de oude haven, die op het eerste gezicht levendiger is dan in Marseille, met straatmuziek en mensen die dingen verkopen; opvallend veel zwarte mensen (Pfeiffer schrijft dat ‘heel Afrika’ in de wijk van zijn vriend Rashid woont), die kleren hebben uitgestald op lappen op de grond, of achter een tafeltje met zonnebrillen zitten te hopen op een klant. Het voelt meteen als een smeltkroes, en wij zitten er middenin.
Op zoek naar lijnzaad om een darmverstopping die nare krampen genereert te verhelpen, ontdekken we dat de parkeergarage aan het eind van onze steeg toegang geeft tot een supermarkt, waar ze naast de gezochte biologische lijnzaad verder alles verkopen wat je maar nodig zou kunnen hebben. Het meisje achter de kassa heeft rozerood haar en gitzwarte aanplakwimpers van wel twee centimeter lang.

Onderweg van ons Borgo naar Genua, nog in voor-Alpen, kronkelde een slang over de weg. Zeker een meter lang, twee vingers dik en grijsgroen van kleur. ’s Nachts in de badkamer van onze studio lichten een plastic cactus en een flamingo je bij. Gisteren, laat in de avond, regende het dat het goot, compleet met donder en bliksem – die laatste kon je niet zien, want de steeg beneemt je elk uitzicht – wij zitten 1-hoog. Ik heb meelij met de mensen die vannacht op straat slapen, en naar het zich laat aanzien zijn er dat best veel in Genua, want we zien veel bedelaars (een oudere man bij de San Lorenzo; een zo op het gezicht wanhopige straatmuzikant op een trapje bij een andere kerk, een schreeuwende vrouw met een wild blaffende hond onder een viaduct, twee mannen – een Pool en een Bulgaar – bij een supermarktje). Genua heeft duidelijk vele gezichten en gaat moeiteloos van chique of quasi-chique over in armoedig en lichtelijk onguur (en stinkend naar pis).
Bij het station wordt iemand beroofd, een jongeman in een lichtblauw shirt rent razendsnel een trap op en een straat door, achtervolgd door de kreten van een groepje onduidelijke, Spaanssprekende figuren die er ook gisteren al bierdrinkend rondhingen.

Het door de verteller in La Superba gevonden vrouwenbeen heeft een kous aan, zo’n nylon geval dat ophoudt midden op de dij. Die kous wordt langzaam door de Ik van het been afgestroopt, wat zo opwindend blijkt dat hij klaarkomt en er een klodder sperma op het been terecht komt. Dat wordt samen met het been douchen om de sporen van contact weg te wassen. Ik denk aan andere verloren benen, die van Gaza, zoals beschreven in Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda en bijna leg ik het boek van Pfeiffer weg. Maar ik verman me, en lees vervolgens een beschrijving van Genua die me toch doet doorzetten. Het is een weliswaar een irritant geëxalteerde beschrijving, maar ik kan de man toch volgen in zijn enthousiasme. (Het door de Ik van Pfeiffer gevonden been wordt in een vuilniszak verpakt en weggegooid, en hopelijk, maar niet waarschijnlijk, is daarmee de kous af).

Genua is een stad als een goede film: elk beeld is origineel en brengt je in een wereld die je nog niet kende. Hoge, stramme gebouwen zonder veel versiersel behalve groene luiken afgewisseld met overdreven barokke kolossen. Een plein (piazza Ferrari) met een gigantische fontein waar een groep Japanners om de beurt precies dezelfde foto van elkaar maken. – We passeren een groepsreisgroep, vooraan de akela met een oranje vlaggetje op een stok. Zij wordt gevolgd door zeker vijftig mensen – de meeste redelijk oud, maar ook een aantal jongeren, die via een rood doosje dat aan een koord om hun nek hangt en een oortje in hun oor verbonden zijn met hun reisleider. Zodat ze straks allemaal weer veilig in de bus zitten, of misschien zelfs wel weer aan boord van hun cruiseschip stappen. Want ook hier meren die drijvende eilanden af, zag ik in de haven -.
We struinen door de stad, omhoog over trappen, omlaag door steegjes, van plein naar plein, langs palazzo’s in verval of mooi opgeknapt. Het schijnen er meer dan 75 te zijn, palazzo’s, waarvan er 40 via een palazzoroute te bekijken zijn. Ook op de hoeken van de smalste steegjes zijn nissen aangebracht met een beeld erin, meestal van Maria (of Catharina van Genua) of een mij onbekende heilige met een lam aan zijn voeten.
Genua in zijn hoogtijdagen had een systeem ontwikkeld (de rolli, of lijsten) waarbij de palazzo’s die op die rolli stonden verplicht waren onderdak te bieden aan bezoekers van de stad – hooggeplaatste bezoekers uiteraard. Het plebs verbleef in de stegen bij de haven, in de herbergjes boven de zeemanskroegen en ongetwijfeld opgewarmd door de ‘meisjes van plezier’.
Rond de oude haven hangt de geur van verse en gebakken vis, een geur die ik in Marseille miste. Op de kade staan tafeltjes en stoeltjes en op een bootje worden ansjovisjes gebakken, opgediend met focaccia, in de putjes in het brood glimt de groene olijfolie.
Verderop, dichter bij het Aquarium-museum en het nagebouwde piratenschip dat gebruikt is in een film van Passolini, zitten twee vrouwen achter elk een enorm bord gemengde salade. Wij gaan een dezer dagen een keer eten in de Cucina Casalinga da Mario, die we tegenkwamen vlak bij ons studiootje, in een steeg bij de haven, die er volks genoeg uitziet om voor ons aantrekkelijk te zijn, waar kelners heen en weer rennen met borden dampende pasta met mosselen of vongole.

4 mei

Avignon, een appartement op de eerste etage tussen het Paleis van de pausen en de Pont d’Avignon – ja, die van het dansen. Op een steenworp van de middeleeuwse stadmuren die nog opmerkelijk fier overeind staan. Ingericht als een wat groot uitgevallen cel: twee kookpitten waar geen twee pannen tegelijk op kunnen staan, geen tafel om aan te schrijven. Ik zit dus op een bed, met voor me een kruk met daarop een rieten poef en daarop mijn computer.
Gisteren werd hier de jaarlijkse hardloopwedstrijd – waarbij het gaat om meedoen en niet om winnen – gehouden. Tegen de hoge muren van het pauselijk paleis galmen woeste klanken zoals je die overal hoort als er iets ‘gevierd’ wordt: een doffe, hersenloze, ritmische beat met te veel bas op te groot volume. Maar de sfeer is geweldig, bij de start vuurwerk en langs de route overal vrolijke mensen die de renners aanmoedigen (‘courage, courage!).
De koers trekt door ons smalle straatje, en uit het raam hangend zijn we de renners hijgend langskomen in de malste uitdossingen (bananenkostuums die lijken op vergeelde Ku Klux Klanpakken, een bruid in witte jurk, Neptunes met drietand, een bisschop met een op zijn hoofd meehobbelende mijter, en veel engeltjes en vlinders met lichtjes aan hun vleugels). Tot lang na middernacht blijft het feestelijk onrustig in het stadje.

Avignon was al in de Romeinse tijd een handelshub, met havens aan de Rhône en goede banden met Marseille, waar ze een tijd aan toebehoorden. De hele 14de eeuw hebben hier pausen gezeteld in dat gigantische fortachtig paleis, omdat ze zich niet wilden conformeren aan het gezag van de koning. Ik denk aan Paus Leo en aan koning Trump, de geestelijk leider die zicht uitspreekt tegen de perverse wereldlijk leider die zich de uitvoerder van de plannen van god waant. Nu laat Leo zich lastig vergelijken met de pausen in de late middeleeuwen; die waren er verre van vies van met hun vingers in de wereldlijke machtspap te roeren, hun rijkdom en bezittingen uit te breiden ten koste van koningen en uiteraard ten koste van de verzamelde gelovigen. Leo moet het vooral hebben van de achting voor zijn ambt, en zijn integriteit als plaatsvervanger van Paulus.
Het plezier dat ik beleef aan al het middeleeuwse moois om me heen, het groene landschap, de wijngaarden, de cypressen, de geest van van Gogh en van mijn vroegere ik, die als eindexamenklasser met een schoolreis naar de Provence ging, als kroon op de ‘klassieke opleiding’ waarvan ik geacht werd te hebben genoten, wordt nog groter door het heugelijke feit dat ik dit jaar geen getuige hoef te zijn van de officiële 4 en 5 mei vieringen in Nederland, die me elk jaar meer tegen gaan staan.
Wordt er eer bewezen aan ‘de doden’ als dat eerbewijs eens per jaar wordt afgedwongen en in het keurslijf van een gevestigde orde wordt geperst, waarbij voorgeschreven is welke doden herdacht worden, wie dat herdenken mag doen en wat die herdenker dan niet mag of juist moet zeggen. (‘Wij zijn op 4 mei twee minuten stil’, dixit nationale dominee Mirjam Bikker in 2025). Wij, dat is de wij van de joods-christelijke waarden; de wij die om de joodse gemeenschap heen gaan staan; de wij die de vijf oorlogsjaren bestempelen als een ‘inktzwarte vergissing’ die niet bij ons hoort (aldus Mikail Boon); de wij die overal antisemitisme zien, ook waar het niet is; de wij die Israël nog steeds als de ‘enige democratie in het Midden oosten’ zien. De wij die een bondgenoot niet in de steek laten, de wij die niet verder komen dat zich erge zorgen maken over de escalatie in het Midden Oosten, maar vinden dat Iran een schurkenstaat is die tegengehouden moet worden.
Op 4 mei staan de koning en de koningin net zo makkelijk een krans te leggen als dat ze gaan logeren bij Trump, een leider die openlijk dreigt met het vernietigen van een heel volk. Op 4 mei staat premier Jetten er, met zijn handen vroom gevouwen in plaats van in zijn haar. Op 4 mei is een spreker niet langer welkom omdat hij zich heeft uitgelaten over het lot van de Palestijnen, wat ‘gevoelig’ zou liggen, aldus het 4 en 5 mei comité.
Ze staan er weer, daar op de Dam, met hun uitgestrekenste gezichten het inmiddels wreed achterhaalde ‘nooit meer’ te vieren, als weldoeners van onze vrijheid en veiligheid, als hoeders van onze ‘superieure cultuur’ (Ik hoorde tot twee keer toe een PVV’er in ons parlement glashard beweren dat ‘onze cultuur superieur is’. De ene was Bosma, tot voor kort Kamervoorzitter en in die rol toen een van de officiële kransleggers bij het monument op de Dam.)

En niemand die het werkelijk voor de doden opneemt. Niet voor de communistische verzetsstrijders die verraden, gevangen, gemarteld, vermoord zijn. Niet voor de mensen die zich verweerden vanuit hun geloofsovertuiging en dat met het concentratiekamp moesten bekopen; voor de mannen van de Arbeitseinsatz, die in Duitsland onder de geallieerde bommenregens vielen; de Roma, de Sinti, de Jehova’s getuigen, de vrijmetselaars, de homoseksuelen, de socialisten, de tegenstanders van de nazis.
En niet voor de joden, die zonder dat het al te veel gedoe opleverde door hun buren en medelanders de hel ingeduwd zijn. O, zeker, we doen wel alsof. Met mooie verhalen van kleinkinderen, zorgvuldig uitgezocht op diversiteit, met afgepaste praatjes over alle soorten van slachtoffers van de nazi’s. Maar het is schijn. Het is een vertoning. Een afgedwongen ritueel dat z’n betekenis heeft verloren.
De enige manier om de doden te herdenken, om hun sterven eer te bewijzen, is niet om één keer per jaar twee minuten je kanis te houden, maar om elke dag het verleden aan het heden te koppelen. Te beseffen dat ‘nooit meer’ betekent dat je de Oekraïners steunt in de oorlog tegen de Russische agressor. Dat je vluchtelingen ziet als medemensen op de vlucht voor geweld dat je verafschuwt; dat je begrijpt dat migranten het recht hebben geluk te zoeken, net als ieder ander mens. Je joden ziet als mensen met een bijzondere, vaak gruwelijke, geschiedenis en met een gelijkwaardig heden. Dat je je uitspreekt tegen de opgewekte ‘volkswoede’ van het georganiseerde anti-AZC schorem; tegen de opkomst van extreemrecht, ook als het zich voordoet als fatsoenlijk. En dat je je keert tegen genocide, waar en door wie uitgevoerd ook. Dus dat je je zonder aarzelen en zonder angst uitspreekt tegen de genocidaire praktijken en de vernietigingswoede van Israël, óók, en misschien wel juist, op 4 mei.

Was ik in Nederland geweest, dan was ik naar Den Haag gegaan, waar op het Lange Voorhout een inclusieve herdenking plaatsvindt, waar ruimte is voor elk verdriet en voor alle doden. Waar daders genoemd mogen worden en alle slachtoffers gelijkwaardig zijn.

Jesus t’aime

Ook in Lyon staat een kathedraal met een romaans begin en een gotisch einde. Aan de voorkant een rijkversierde poort, maar anders dan in Reims zijn de sokkels waar beelden op horen te staan hier leeg. Binnen kom je in een sereniteit waar je in zou willen wonen. Die koele weldaad wordt verstoord door een zekere commotie buiten de kerk, versterkte muziek die doet denken aan EO jongerendag dringt het gewelfde lustoord binnen. Ik wil niet, maar ik word naar buiten getrokken.
Op een plateau voor de kathedraal is een groepje jongeren wilde bewegingen aan het maken. Even denk ik dat het experimentele dans is, maar dan zie ik een bord dat tegen de kathedraal is gezet, met in een kinderlijke letter: Jesus t’aime erop, met een hartje en een paar bloemetjes. Ik blijf naar het tafereel kijken. Het duurt even voor het kwartje valt, maar dan zie ik dat een paar enthousiaste jongeren zonden aan het uitbeelden zijn. Een meisje, de hoofdpersoon, dreigt door die zonden verzwolgen te worden, terwijl aan de andere kant van de verderfelijke massa een jongeman Jezus aan het uitbeelden is. Die wil het meiske redden, maar moet dan dus eerst door die verlokkingen heen zien te breken. Dat zou, als je het mij vraagt, voor een zo nabije Jezus een koud kunstje moeten zijn, maar op de trappen van de kathedraal van Lyon is dat geenszins het geval. Het meisje wordt gesmoord in een omhelzing door een jongen – dat moet lust zijn, de eerste zonde. Na een worsteling en veel armgezwaai en bovenlijf gekronkel lukt het haar de wellustige jongeman van zich af te duwen. Kuisheid gered, 1-0 voor Jezus. Dan volgt de verleiding van de drank. In nogal liederlijke bewegingen probeert een zondares, zwaaiend met een bierfles, het meisje te laten drinken, maar ook dat weet ze te weerstaan. (2-0). Volgt iets met een centimeter, wat ik niet thuis kan brengen, daarna vreten en kotsen. Beide niet erg aansprekende verleidingen weerstaat het dappere, belaagde kind, dat een meesteres blijkt in kronkelen, al dan niet gedrapeerd voor de kerk entree. (4-0).
De zondaars staan tussen haar en Jezus graaiende bewegingen te maken, die denk ik moeten lijken op een verleidingsdans. Maar het meisje moet en zal naar Jezus toe! Die staat achter de meute trekbewegingen te maken alsof hij het kind aan een denkbeeldig touw heeft, maar de verdorvenen laten hun prooi niet zomaar gaan. Er volgt een schijngevecht, waarbij Jezus maar aan het trekken is en het meisje bijna ten onder gaat (amechtig op de grond valt) voordat ze eindelijk in zijn armen veiligheid en geborgenheid vindt. (Game, set en match voor Jezus). Muziek stopt. Een enkeling klapt.
Een vriendin van me voerde in een episch gedicht een kathedraal sprekend op. Dat schiet me te binnen terwijl ik het groteske toneelstukje op de treden voor de kathedraal volg. Ik voel een medelijden met de kathedraal die, zonder ook maar iets in te brengen te hebben, getuige moet zijn van deze nepvertoning. Het gebouw staat er al vanaf de twaalfde eeuw – op fundamenten van een nog veel ouder godshuis – en heeft in zijn lange leven uiteraard al veel vreselijks voorbij zien trekken. Werden er katharen verbrand op het plein voor de kathedraal? Moest hij toelaten dat koningen onder zijn gewelven de zegen voor hun kruistochten kwamen afsmeken. Heeft hij de revolutionaire troepen zijn inwendige zien ontheiligen door er een graanschuur van te maken (iets wat revolutionairen graag blijken te doen, van godshuizen stallen of opslagplaatsen maken). Allemaal zeer wel mogelijk. Ongetwijfeld heeft hij veel Frans vlaggezwaai en patriottistische eerzucht aanschouwd.
Maar zelden is hij bezocht door zoveel ongeletterde lelijkheid als het bekeringstoneelstukje dat voor zijn poorten wordt opgevoerd. En dan die muziek erbij. Zelfs de half blote toeristen die alleen maar even wat foto’s komen knippen en een selfie maken voor zijn grandioze voorgevel zijn te verdragen vergeleken bij deze gruwel. Je voelt het hele kolossale gebouw trillen van afschuw.
Het zou kunnen dat ze in Frankrijk gewoon nog religieuzer zijn dan ‘bij ons’. In elke kerk, kathedraal of baseliek die we in stappen, zien we biddende mensen. En niet alleen ouderen, ook jongeren spreiden vroomheid te toon: kruisjes slaan bij binnenkomst, en dropje wijwater op het voorhoofd aanbrengen, knielen voor de gekruisigde of bidden bij Maria. Regelmatig is er een dienst gaande, of wordt er op het orgel gespeeld. Ik verbeeld me dat het de kathedraal compenseert voor de morele ontucht om hem heen.

Overbodige eters

Volksgenosse, das ist auch Dein Geld - Neues Volk

De eerste gaskamer die ik zag was witgepleisterd. In de ruimte stonden portretten op ijzeren staven, wat me deed denken aan hoe sommige mensen ansichtkaarten als decoratie neerzetten. De portretten waren van mensen die in de gaskamer waren vermoord; mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking.
Het was in Pirne, in Sonnenstein, een van de oudste psychiatrische inrichtingen in Duitsland, in de duistere jaren een van de centra waar Aktion T4, een eugenetische operatie om het Duitse ras gezond te houden, in 1940 en 1941 werd uitgevoerd. De naam T4 verwijst naar het hoofdkwartier van de Aktion aan de Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, want er waren meer van dit soort centra. Zeker 70.000 mensen werden in die twee jaren in tot gaskamers omgebouwde kelders, vrachtwagens of door dodelijke injecties vermoord omwille van het idee van raszuiverheid.
De Gedenkstätte is nieuw, in de DDR-tijd was er weinig aandacht voor slachtoffers die niet als antifascistisch konden worden gekwalificeerd, en wat herdenken betreft had men zowel in Oost als in West sowieso de handen vol aan de Holocaust.
Het instituut is nog steeds een ziekenhuis. Op het plein voor de herdenkingskelder zitten bewoners op een bank in de zon. Een van hen graait met zijn handen in de lucht en vertelt met verve een verhaal in een klankenpalet waarvan ik de betekenis niet ken. Zijn publiek luistert met open mond.

Eugenetica – het manipuleren van menselijk leven – is geen uitvinding van de nazi’s, en is ook niet in 1945 ter ziele gegaan. Het idee dat mensen maakbaar zijn, en ‘vlekjes’ kunnen of moeten worden weggepoetst is wijdverbreid.
In Amerika bedachten schedelmetende onderzoekers en veeboeren met een voorliefde voor raszuiverheid dat je, als je het perfecte rund kon creëren door natuurlijke selectie een handje te helpen, je die kennis ook op mensen moest kunnen toepassen.
De Brit Galton, antropoloog en neef van Darwin, zag eind negentiende eeuw wel wat in het toepassen van de survival of the fittest theory op zijn medemens.
In Australië probeerde de blanke indringers nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Aboriginal bloed uit de oorspronkelijke bewoners te fokken. Er was ontdekt dat sommige Aboriginal kindjes blond haar hadden. Dat was genoeg voor de raszuiverheidspioniers om ervan uit te gaan dat er dus toch iets van waarde in het genetisch materiaal van de oorspronkelijke bewoners moest zitten, dat verdund was geraakt in de loop der tijd. Het onterende experiment was erop gericht die verdunning terug te draaien.
In India werden tijdens de Emergency onder leiding van Sanjay, zoon van toenmalige minister president Indira Gandhi, op grote schaal gedwongen sterilisaties verricht, niet toevallig vooral bij lage kaste-hindoes en moslims; een praktijk die ook nu in verschillende landen nog populair is om groei van bepaalde minder gewenste bevolkingsgroepen te beperken.
Ook in Nederland zijn mensen gedwongen onvruchtbaar gemaakt om te voorkomen dat ze in staat zouden zijn zich voort te planten. Het was tot 2014 standaardpraktijk bij mensen die een geslachtsverandering ondergingen. Bij tijd en wijle laait de discussie over eugenetica weer op, bijvoorbeeld rondom abortus bij erfelijke ziekten of vastgestelde afwijkingen aan de foetus.

Al is de moeite die de nazi’s hadden met mensen die niet voldeden aan de door hen verbeelde ‘gezonde geest in een gezond lichaam’ dus niet uniek, hun oplossing was karakteristiek meedogenloos.
Aktion T4 begon in 1939. Bij iedereen die afweek van de nazinorm en het Germaanse ras door voortplanting kon verzwakken, moest voorkomen worden dat het ondeugdelijke genetisch materiaal kon worden doorgegeven. Elk leven dat in de ogen van de nazi’s niet volwaardig was, kon maar beter worden beëindigd. De genade dood noemde men dat, ter voorkoming van onnodig lijden. En passant werd zo ook afgerekend met ‘nutteloze eters’, mensen die onderhouden moesten worden zonder dat ze er iets voor terug gaven.
Het programma stond onder leiding van artsen die de patiënten beoordeelden op aandoening, eventuele bruikbaarheid en mate van lijden, met een scherp oog voor de kosten die bespaard konden worden als er niet behandeld werd. Verpleegkundigen hielpen gedwee mee om de mensen die met bussen vanuit hun instellingen werden aangevoerd na de keuring de gaskamer in te leiden.
Af en toe werden er zieken uit concentratiekampen opgebracht, dat waren immers als ze niet meer konden werken ook nutteloze eters.
In 1941 werd vanuit de katholieke kerk bezwaar gemaakt tegen het doden van onschuldige Duitse burgers, en omwonenden klaagden in toenemende mate over de stank van het crematorium en andere overlast. De commotie had enig effect, maar Aktion T4 werd niet opgeheven; het ging op een lager pitje door, waarbij uithongering de plaats van vergassing innam. De patiënten stierven in hun eigen instellingen, verspreid over het land, zodat het minder in het oog liep.

Ondertussen prepareerden de centra van T4 personeel dat gewend raakte aan het transporteren, selecteren en ombrengen van onschuldige, weerloze mensen. Mensen die experimenteerden met vergassing; die de voors- en tegens van koolmonoxide overwogen en zich afvroegen wat nou efficiënter was: een vaste  gaskamer of rijdende gasbussen. Die uitvonden hoeveel van het bestrijdingsmiddel Zyklon B nodig was om mensen dood te maken, en hoe lang dat dan duurde.
Elke handeling werd uitgevoerd door in de praktijk geschoold personeel, dat zijn nut en dienstbaarheid bewezen had en na de ervaring opgedaan bij T4 rijp was  voor verdere arbeid in Polen. Daar pasten ze de kennis toe en perfectioneerden de moordmethoden in de vernietgingskampen van Aktion Reinhard: Belzec, Treblinka en Sobibor, waar in 1942 en 1943 anderhalf tot twee miljoen mensen werden omgebracht. Poolse burgers, joods en niet-joods, uit het directe zicht van de Heimat.

Een onrecht herstellen

Eitan Oster

In de Tweede Wereldoorlog heette de Poolse stad Łódź Litzmannstadt, naar een Duitse generaal. De nazi’s vonden dat de Warthegau, het deel van Polen waarin Łódź ligt, integraal onderdeel van het Reich was, en daarom Judenfrei moest zijn.
De joden van Łódź, onteigend, verarmd en gemerkt met de ster, werden vanaf 1939 samengedreven in een getto, weggevoerd naar kampen of naar het General Gouvernement van Hans Frank om van daaruit verder verwerkt te worden.
Hans Frank zat niet te wachten op al die joden in zijn General Gouvernement. Siberië werd voorgesteld als hervestigingsoptie, maar ja, de Sovjets zaten in de weg. Bij gebrek aan andere alternatieven kreeg het idee van de Endlösung voet aan de grond. De nazi’s konden zich een Polen zonder joden (en liefst ook met substantieel minder Polen) net zo goed voorstellen als Daniella Weiss een Gazastrook zonder Gazanen. Het kost enige inspanning, maar dan heb je ook wat.

Łódź getto werd een overbevolkt werkkamp, geleid door Chaim Rumkowski, leider van de lokale Joodse Raad. Rumkowski meende dat als het getto maar productief genoeg was, de nazi’s de joden met rust zouden laten. De gettobewoners werden dagelijks afgebeuld in de lokale industrie ten bate van de Duitse oorlogsmachinerie.
Omdat er steeds nieuwe transporten aankwamen, raakte het getto onleefbaar overbevolkt. De Joodse Raad van Rumkowski werd verantwoordelijk voor het selecteren van de personen die moesten vertrekken. Richting Chelmno nad Neren – Kulmhof, een kamp waar met vergassing werd geëxperimenteerd als opmaat voor Aktion Reinhard – de massavernietiging in de Poolse kampen.
In Chelmno gebruikte men nog geen Zyklon B, maar uitlaatgassen van dieselmotoren, eerst in tot mobiele gaskamers omgebouwde vrachtwagens, later in vaste gaskamers waar de uitlaatgassen ingepompt werden. Gewoon, omdat het kon.
Rumkowski geloofde er zo heilig in dat hun arbeidspotentieel de joden zou redden van de vernietiging, dat hij in 1942 de gettobewoners overhaalde kinderen en ouderen uit te leveren: het quotum van 20.000 af te transporteren personen werd gevuld met onproductieve koters en oudjes. Uiteindelijk waren zulke pogingen tot overleven slechts uitstel ten bate van de Duitse oorlogvoering: het getto werd in 1944 geliquideerd en de mensen vermoord.

Bij Radegast, het stationnetje van waar de treinen naar de kampen vertrokken, is een herinneringsplaats gemaakt. In het houten gebouwtje bij het perron staat een grote maquette van het getto. Aan het perron staan een paar veewagons op de rails. Een lange betonnen gang leidt naar een halletje met gedenkplaten; een holle zuil reikt naar de hemel, lijkt op een schoorsteen. In de gang hangen de transportlijsten uit het getto, duizenden namen, netjes uitgetypt, vel na vel na vel.

Terwijl we de herdenkingsplaats bekijken rijden er vier bussen aan. Jonge Israeli – ze lijken de leeftijd te hebben van jongeren die van de middelbare school komen en straks het leger ingaan – komen kijken. Er zijn een paar bewakers bij, die zich strategisch posteren. Een ervan zegt dat we de groep niet mogen fotograferen.
De jongeren lopen rond, kijken naar de wagons, lopen door de tunnel. En gaan weer richting de bussen. Drie meiden lopen eerst nog naar een halve lantaarnpaal tegenover het monument met het opschrift ‘Gij zult niet doden’. Een van hen hurkt bij de paal, plakt er iets op en loopt met haar twee vriendinnen terug naar de bussen.
Nadat die zijn weggereden, ga ik kijken. Op de paal zijn stickers geplakt van soldaten die in de strijd in Gaza zijn omgekomen. Jonge mannen, ferme gezichten. Dode helden.
Automatisch begin ik aan de stickers te pulken, ze laten makkelijk los. Een voor een trek ik ze weg, plak ze tegen elkaar aan zodat het geen klont wordt. Er rijden twee fietsers voorbij, Poolse jonge mannen in fietsoutfit, met helmpjes op. Ze stoppen.
‘Waarom maak je dat kapot?’
‘Ik maak niets kapot, ik herstel iets.’
‘Maar mensen hebben dat opgeplakt ter herinnering.’
‘Ja, dat begrijp ik, maar ik verwijder het uit respect.’
‘Haal je dan ook lampjes weg die mensen bij een graf neerzetten?’
‘Nee, natuurlijk niet, maar dit is echt iets anders. Ik maak niets kapot, ik maak iets weer heel.’
De fietsers kijken wat bevreemd maar groeten me vriendelijk voor ze verder gaan.

De stickers zijn geen spontane uiting van het herdenken van doden. Het moet voorbereid zijn, de stickers geprint en meegenomen. Er is van tevoren over nagedacht.
Ik vind dat onverdraaglijk, het verbinden van de nazislachtoffers met de uitvoerders van de genocide in Gaza. Alsof de Holocaust een vrijbrief is voor de moordpartij; de ‘veiligheid’ van joden ten koste van alles moet worden gewaarborgd. Alsof joden geen mensen zijn zoals wij allemaal. Dat claimen van het ultieme slachtofferschap, generaties na de oorlog, als bouwsteen voor een uitverkoren volk-identiteit vind ik misselijkmakend.
Dat jonge, beïnvloedbare Israëli op deze manier worden misleid is verschrikkelijk. Natuurlijk zijn vrienden, familie en dierbaren verdrietig als er een soldaat omkomt. Dat spreekt vanzelf. Maar deze doden per met voorbedachten rade geproduceerde stickers verknopen aan de holocaustslachtoffers is een wandaad. Die wilde ik ongedaan maken.