Nagekomen post – Napels

‘Napels zien, en dan sterven.’ Deze uitroep van bewondering en verlangen wordt toegeschreven aan Goethe, die hem, totaal onder de indruk van de schoonheid van de stad, in zijn dagboek noteerde. In de tweehonderd jaren die verstreken tussen Goethe’s bezoek en het mijne durf ik wel te beweren dat de stad niet aan schoonheid heeft gewonnen.
‘Sprekend India’, zegt reisgenoot S. En verdomd als het niet waar is. We logeren in een buitenwijk die net zo goed in Chandigarh of Delhi had kunnen zijn: de lichte geur van rottend afval, bladderende stuc op huismuren, stoepslapers, her en der tempeltjes – alleen de godheid in de nisjes is anders – een pokdalig wegdek, automobilisten die van geen verkeersregels willen weten, geschaafde en gedeukte vehikels alom. Bij de oprit naar een snelweg een bord met: verboden voor paard en wagens. De kleine kruideniertjes worden gerund door mensen van het Indiase subcontinent, Pakistani, Bangladeshi, hun verse waar aan het eind van een lange, zonnige dag verschrompeld en schimmelig in de schappen.
Voor een shop waar je kunt wedden op iets hangt een groepje mannen, een heeft zijn t-shirt opgeslagen en zijn bolle buik ontbloot, ook al ‘typisch Indiaas’.
Snerpend gegil van een vrouw, dat overgaat in gejammer en bezorgde buren op het naastgelegen balkon brengen me terug in Italië, net als de pizza die we eten op een terrasje in de buurt.

De ligging van Napels maakt dat de uitroep van Goethe wat minder geëxalteerd aandoet: in een grote, halfronde baai aan zee, omgeven door een cirkel van bergen, met de Vesuvius als een natuurlijk memento mori boven de stad uittorenend.
Als wij de vulkaan beklimmen is het mistig en grijs. Naarmate we hoger komen wordt de mist dikker en gaat het eerst stortregenen, en daarna hagelen. Dat heeft als bijkomstigheid dat we vrijwel alleen aan de kraterrand staan. Waar we nog geen meter naar beneden kunnen zien. Wat jammer is, je kijkt tnslotte niet dagelijks in een vulkaankrater. We blijven er, het weer trotserend, rondhangen in de hoop op opklaring. Als we tenslotte net afgedaald zijn, breekt het toch nog open, alsof de Vesuvius de spot met ons drijft. Onder een nu stalend blauwe lucht hebben we vanaf de hellingen prachtig zicht op Napels aan haar baai, de bergen eromheen, de zee en de eilandjes voor de kust.
De Vesuvius is natuurlijk vooral bekend van de uitbarsting in 79, toen as en gassen, stenen en lava Pompei, Herculaneum en andere stadjes en dorpen op en onder haar hellingen bedolven. Dat is niet de enige, maar wel de meest dramatische geregistreerde uitbarsting van de vulkaan.
Het gebied is sinds 1995 een beschermd Nationaal Park. Een van de jonge mannen die onderweg in een makeshift hokje of een standje koffie, lokale wijn (lacrima de Christi- Christustranen) en souvenirs verkopen vertelt dat er voor corona dagelijks zo’n 6000 mensen elkaar rond de krater verdrongen. Na corona zijn het er nog zo’n 3000. Per dag. Behalve op een dag waarop het bewolkt is, mistig of regenachtig is, dan haken de meeste mensen af. En als het stormt gaat het pad dicht, dan is het bovenop de 1280 meter hoge heuvel te gevaarlijk.
De souvenirs die aangeboden worden zijn interessant: behalve de ijskastmagneten, de flesjes met lokale wijn ( de druiven groeien op de flanken van de vulkaan) en minivesuviusjes in bonte kleuren, zijn er tennisbal grote zwarte kogels, die doormidden zijn gespleten hun fonkelende inhoud tonen en worden verkocht als ‘echte lava’. Ze zijn er ook in pingpongbalformaat, met net zo’n glitterinhoud. Er liggen brokken felgele zwavel, kristallen en zwarte figuurtjes gemaakt van lava. Een jonge man koopt vergenoegd een zwarte schedel voor 25 euro. Ik gun hem dat hij blijft geloven dat hij een doodshoofd van lava heeft aangeschaft.

De Vesuvius is een vulkaan in een vulkaan. Preciezer: de Vesuvius is ontstaan in de caldera (het meestal steile gat dat een na eruptie ingestorte magmakamer achterlaat) van een oudere vulkaan, de Monte Somma, waarvan je de rand rondom de krater van Vesuvius ziet liggen. Die Monte Somma was veel groter, zijn krater is gedeeltelijk ingestort tijdens de explosieve uitbarsting in 79.
De vulkaan is niet dood, en geldt als een van de gevaarlijkste, omdat er zo’n 3 miljoen mensen wonen in het bij een uitbarsting bedreigde gebied, waarvan 600.000 in de directe as, gas en lava gevarenzone. In 1944 spuwde hij voor het laatst, en verwoestte hij dorpen. Sinds die uitbarsting houdt hij zich rustig, en ontsnapt er alleen wat zwavelige rook uit de krater. Een observatorium houdt alles scherp in de gaten, en de stad Napels heeft een uitgewerkt evacuatieplan klaarliggen voor het geval dat.

Omdat we de drukte in Pompeï vrezen, kiezen we ervoor om Herculaneum te bezoeken. Kleiner, net iets minder beroemd, maar zeer goed bewaard, interessant en te behappen. Voor de uitbarsting woonden er ongeveer 5000 mensen in het stadje. Door de windrichting kreeg Pompeï de volle laag van as en stof, en werd Herculaneum door hitte en lava overmand. De bewoners vluchtten naar de boothuizen aan de kust, waar ze stierven in de verzengende hitte die door de vulkaan werd gegenereerd. Hun botten te aanschouwen in de restanten van de boothuizen. Die liggen sinds de eruptie niet meer aan zee, de uitbarsting in 79 verlegde het strand. Het stadje zelf is slechts voor een deel opgegraven, omdat het grootste deel onder moderne bebouwing ligt. Maar dat maakt het niet minder spectaculair. Er zijn villa’s met atriums en fonteinen, muurschilderingen van vogeltjes en andere dieren, een pauw met een zeer levensechte staart, goden, godinnen, alles in zachte verweerde kleuren. Er zijn restanten van winkeltjes, kroegjes, er is een badhuis voor mannen, en een voor vrouwen, er is een forum met een beeld van een keizer op een sokkel. Er zijn tuinen, watertap-punten, en waar je maar kijkt ontdek je details: kleine versieringen bij een deurpost, een gevelsteen van een engelfiguurtje, een wijnrank bij een kapiteeltje. Het is bloedheet, niet erg druk, en ik geef de beschrijver die schreef dat je echt het gevoel hebt in een Romeins stadje te lopen groot gelijk. Het geeft een wonderlijk goed bewaard gebleven inkijkje in levens die lang geleden zijn geleefd.

Op een half uurtje rijden van Herculaneum ligt Villa Poppaea, van de familie van de tweede vrouw van keizer Nero. Een complex met wel honderd kamers, uitkijkend – destijds – op de zee. Ook toen namen de machthebbers het er goed van: de villa is rijk versierd met fresco’s, mozaïeken, marmeren beelden, fonteinen en zuilengalerijen, en naar de voorwerpen in het kleine museumpje te oordelen leefden ze er goed van. Omdat het 2 juni is, de ‘Dag van de republiek’ mogen we er gratis naar binnen. Het zou mooi zijn als we in Nederland bij nationale feestdagen, in navolging van Italië, musea en andere bezienswaardigheden – en de Efteling – gratis toegankelijk zouden maken.
De topstukken van de bedolven steden en villa’s zijn te bewonderen in het Archeologisch Museum van Napels. Zaal na zaal gevuld met adembenemende, ragfijne mozaïeken, gedetailleerde schilderingen en fraai versierde voorwerpen, inclusief kasten, bedden tafeltjes op sierlijke pootjes. Een speciale zaal is ingericht met erotica: blijkbaar hadden de oude Romeinen een fetisj voor abominabel grote penissen, en werd ‘de daad’ open en bloot vereeuwigd in ooit heldere kleuren.

Buiten het museum: de stad van nu. Tegenover, aan de drukke straat, liggen de verworpenen in portieken. Er is een ruzietje: er wordt getrokken, geduwd en gescholden, maar een serieus handgemeen wordt voorkomen door aansnellende lotgenoten. De ruzie ging over eten: de ene man had het eten van de andere man opgegeten. Hij had honger.
Italië gaat vluchtelingen terugnemen uit de rest van Europa, vanwege ‘Dublin’, waar is afgesproken dat het land van binnenkomst verantwoordelijk is voor opvang van asielzoekers. Een lelijke maatregel, die de last op de schouders van enkele Europese landen – niet de rijkste – laadt, die van harte ondersteund wordt door een deel van het Nederlandse parlement. Hier in de stad zie je al waar dat toe gaat leiden: straatslapers, ontheemden in de berm, veel bedelaars. En uiteindelijk naar deprotatie van de ongewensten, naar de uitzethubs in Albanië.

We eten – pasta – in het Quartieri Spagnoli, de ‘Spaanse wijk’, hoge woonkazernes is smalle steegjes, ooit opgetrokken voor Spaanse garnizoenen in de 16de eeuw, nu een toeristische attractie, ooit een broeinest van misdaad, prostitutie en verval. (Voordat Italië Italië werd, in 1860, was Zuid Italië het lange tijd een onderdeel van Spanje).
Zonder moeite zie je hier de geniale vriendin van Ferrante rondrennen. En ook is het niet moeilijk je voor te stellen dat de maffia hier regeerde/regeert. De muren zijn volgespoten en geschilderd met allerlei hoogstaande graffiti, veel portretten van Maradonna, soms afgebeeld als held, soms als heilige – inclusief een heus tempeltje gewijd aan de voetballegende – veel voetbalvlaggen. En overal restaurantjes die de lokale keuken uitventen.
De Napolitaanse maffia, de Comorra, is gebaseerd op familieclans, die zich specialiseren in afpersing, drugs, gokken. Ze beheren een paardenrenbaan op de flanken van Vesuvius, en er zijn opmerkelijk veel punten in de stad waar je een wedje kan leggen, waar mannen die je een beter leven gunt rondhangen tussen hoop en vrees. Ook eisen ze beschermingsgeld van kleine ondernemertjes (die zich tegen betaling aan hun afpersers tegen de afpersing beschermen. Heel filmisch allemaal, alleen is de grens tussen de boven – en de onderwereld poreuzer dan elders. Toen de macht van Spanje in het zuiden van Italië begon te tanen – zo rond 1820 – namen de familieclans het lokale gezag over met instemming van de Spaanse overheersers. Ze functioneerden als politie en hadden een eigen rechtspraak systeem, Na de eenwording bleef de Comorra het lokale gezag, met goedkeuring van de nieuwe overheid. De families werden ingezet om mogelijke opstanden of afscheidingsinitiatieven de kop in drukken. Met een dip in macht en aanzien na een arrestatiegolf rond 1863, leefde de Comorra aan het begin van de vorige eeuw weer op, tot Mussolini aan de macht kwam. Die schijnt niet zo ingenomen te zijn geweest met de maffia, naar ik vermoed door de gewortelde loyaliteitscultuur die hem in de weg zat in zijn streven naar alleenheerschappij, en tijdens zijn bewind dwarsboomde hij de Comorra waar hij kon.
Na de Tweede Wereldoorlog kregen de families een rol in het herstel van het gezag, maar al rap veranderde de Comorra van een lokaal familieproject in een internationale, hiërarchisch geleide misdaadbende, waarin ook vrouwen een aanzienlijke rol spelen. De Italiaanse regering is er nu op gespitst de Comorra te breken en de bendes en hun misdaad te bestrijden. Wat geen eenvoudige opgave is, want de verstrengeling tussen de boven- en de onderwereld blijft een schier onontwarbare kluwen. Het is alsof je de corruptie die die verstrengeling met zich meebrengt aan de stad kan zien, het is vies (de afvalverwerking zou in handen zijn van de Comorra), onderkomen- niet alleen de buitenwijken, maar ook de binnenstad heeft iets haveloos, aan de rafelranden veel onafgemaakte gebouwen, waarvan je vermoedt dat ze zijn aanbesteed, dat er smeergeld is betaald, en dat die verdienste belangrijker is dan het gebouw zelf. En een aanstootgevend belabberd wegdek. Net India. Hoogst interessant, en een beetje unheimisch.

Brief uit Genoa

Waar ik altijd aan dacht als ik aan Genoa dacht – wat niet heel vaak voorkwam, was: Christofor Columbus, die hier geboren is; pesto, die hier is uitgevonden, en Ilja Leonard Pfeiffer, die hier is neergestreken, de liefde heeft gevonden en van de drank is afgeraakt.
Ter voorbereiding van het bezoek aan de havenstad probeerde ik Brieven uit Genoa van Pfeiffer te lezen. Waar ik na twee brieven mee ophield omdat ze me gedateerd voorkwamen. Daarna nam ik zijn La Superba ter hand, omdat ik las dat la Superba (de hoogmoedige, de trotse) de bijnaam is van Genoa. La Superba is een roman, waarvan ik nu een bladzij of vijftig gelezen heb. De beschrijvingen van de stad en de steegjes zijn leesbaar, maar de ontboezemingen van de ik-figuur over mooie en lelijke meisjes en vrouwen in het algemeen vind ik niet opbeurend en ook nogal oninteressant. Dat de protagonist een afgezaagd vrouwenbeen tegen het lijf loopt en mee naar huis neemt maakt dat ik het ergste vermoed over de rest van de roman.
Ik was nooit bijster geïnteresseerd in Pfeiffer, totdat ik hem met zijn lange haar en zijn kostuum en zijn dikke buik bij Zomergasten ontwapenend zag vertellen over dat hij als jongeling een eigen taal had verzonnen. Toen dacht ik, goh, ik ga toch eens wat van hem lezen. En dat is er nu dan van gekomen.
We zijn in Genoa neergestreken, niet ver van het centraal station, waar aan de voorzijde een reusachtig standbeeld van Columbus staat te pronken; en op een muur gespoten las ik: ‘eat pesto, hate tourists’.

De studio die we bewonen staat in een smalle steeg, waar bij aankomst een Italiaanse familie ergens achter een van de ramen luidruchtig feestviert. De panden zijn zeker acht verdiepingen hoog, en uit de ramen hangen lijnen met wasgoed, alsof alles erop gericht is om de clichés over een volksbuurt in een oude Italiaanse stad te bevestigen.
In de studio hangt de zware, verstikkende lucht van reukstokjes. Maar dat is niet het enige dat je de adem ontneemt: het hele studiootje is volgeplakt en volgehangen met kleurcirkels, sterretjes (die ’s nachts oplichten) en ‘leuke dingen’. Van boven tot onder zijn de muren versierd met grote en kleinere stippen in bonte kleuren, afgewisseld met sterren en omzoomd met regenbogen, onderbroken door opgeplakte plaatjes van vissen, vogels, palmbomen en kindertekeningen. Op de mosterdgeel geverfde kasjes in het keukentje zijn bloemen geplakt, en katten die aan hun nagels naar beneden glijden. Grote Keith Haring prenten aan de muur. (Keith Haring als graffiti op een stadmuur, oké, maar in je huiskamer: nee)
Er hangt een bordkartonnen anker aan de muur, er staat een vuurtoren met een lampenkap erop. Uit een toneellamp vloeit blauw licht. Op een plank staat een mand met dinosaurusjes en andere plastic diertjes. In de slaapkamer een tafelvoetbalspel. Het geheel doet denken aan een kinderkamer ingericht door ouders die het niet kunnen uitstaan dat hun kind nog steeds geen ADHD diagnose heeft, en het lot een handje willen helpen.
Maar wij zijn tevree, want het optrekje is op loopafstand van de binnenstad en de oude haven, die op het eerste gezicht levendiger is dan in Marseille, met straatmuziek en mensen die dingen verkopen; opvallend veel zwarte mensen (Pfeiffer schrijft dat ‘heel Afrika’ in de wijk van zijn vriend Rashid woont), die kleren hebben uitgestald op lappen op de grond, of achter een tafeltje met zonnebrillen zitten te hopen op een klant. Het voelt meteen als een smeltkroes, en wij zitten er middenin.
Op zoek naar lijnzaad om een darmverstopping die nare krampen genereert te verhelpen, ontdekken we dat de parkeergarage aan het eind van onze steeg toegang geeft tot een supermarkt, waar ze naast de gezochte biologische lijnzaad verder alles verkopen wat je maar nodig zou kunnen hebben. Het meisje achter de kassa heeft rozerood haar en gitzwarte aanplakwimpers van wel twee centimeter lang.

Onderweg van ons Borgo naar Genua, nog in voor-Alpen, kronkelde een slang over de weg. Zeker een meter lang, twee vingers dik en grijsgroen van kleur. ’s Nachts in de badkamer van onze studio lichten een plastic cactus en een flamingo je bij. Gisteren, laat in de avond, regende het dat het goot, compleet met donder en bliksem – die laatste kon je niet zien, want de steeg beneemt je elk uitzicht – wij zitten 1-hoog. Ik heb meelij met de mensen die vannacht op straat slapen, en naar het zich laat aanzien zijn er dat best veel in Genua, want we zien veel bedelaars (een oudere man bij de San Lorenzo; een zo op het gezicht wanhopige straatmuzikant op een trapje bij een andere kerk, een schreeuwende vrouw met een wild blaffende hond onder een viaduct, twee mannen – een Pool en een Bulgaar – bij een supermarktje). Genua heeft duidelijk vele gezichten en gaat moeiteloos van chique of quasi-chique over in armoedig en lichtelijk onguur (en stinkend naar pis).
Bij het station wordt iemand beroofd, een jongeman in een lichtblauw shirt rent razendsnel een trap op en een straat door, achtervolgd door de kreten van een groepje onduidelijke, Spaanssprekende figuren die er ook gisteren al bierdrinkend rondhingen.

Het door de verteller in La Superba gevonden vrouwenbeen heeft een kous aan, zo’n nylon geval dat ophoudt midden op de dij. Die kous wordt langzaam door de Ik van het been afgestroopt, wat zo opwindend blijkt dat hij klaarkomt en er een klodder sperma op het been terecht komt. Dat wordt samen met het been douchen om de sporen van contact weg te wassen. Ik denk aan andere verloren benen, die van Gaza, zoals beschreven in Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda en bijna leg ik het boek van Pfeiffer weg. Maar ik verman me, en lees vervolgens een beschrijving van Genua die me toch doet doorzetten. Het is een weliswaar een irritant geëxalteerde beschrijving, maar ik kan de man toch volgen in zijn enthousiasme. (Het door de Ik van Pfeiffer gevonden been wordt in een vuilniszak verpakt en weggegooid, en hopelijk, maar niet waarschijnlijk, is daarmee de kous af).

Genua is een stad als een goede film: elk beeld is origineel en brengt je in een wereld die je nog niet kende. Hoge, stramme gebouwen zonder veel versiersel behalve groene luiken afgewisseld met overdreven barokke kolossen. Een plein (piazza Ferrari) met een gigantische fontein waar een groep Japanners om de beurt precies dezelfde foto van elkaar maken. – We passeren een groepsreisgroep, vooraan de akela met een oranje vlaggetje op een stok. Zij wordt gevolgd door zeker vijftig mensen – de meeste redelijk oud, maar ook een aantal jongeren, die via een rood doosje dat aan een koord om hun nek hangt en een oortje in hun oor verbonden zijn met hun reisleider. Zodat ze straks allemaal weer veilig in de bus zitten, of misschien zelfs wel weer aan boord van hun cruiseschip stappen. Want ook hier meren die drijvende eilanden af, zag ik in de haven -.
We struinen door de stad, omhoog over trappen, omlaag door steegjes, van plein naar plein, langs palazzo’s in verval of mooi opgeknapt. Het schijnen er meer dan 75 te zijn, palazzo’s, waarvan er 40 via een palazzoroute te bekijken zijn. Ook op de hoeken van de smalste steegjes zijn nissen aangebracht met een beeld erin, meestal van Maria (of Catharina van Genua) of een mij onbekende heilige met een lam aan zijn voeten.
Genua in zijn hoogtijdagen had een systeem ontwikkeld (de rolli, of lijsten) waarbij de palazzo’s die op die rolli stonden verplicht waren onderdak te bieden aan bezoekers van de stad – hooggeplaatste bezoekers uiteraard. Het plebs verbleef in de stegen bij de haven, in de herbergjes boven de zeemanskroegen en ongetwijfeld opgewarmd door de ‘meisjes van plezier’.
Rond de oude haven hangt de geur van verse en gebakken vis, een geur die ik in Marseille miste. Op de kade staan tafeltjes en stoeltjes en op een bootje worden ansjovisjes gebakken, opgediend met focaccia, in de putjes in het brood glimt de groene olijfolie.
Verderop, dichter bij het Aquarium-museum en het nagebouwde piratenschip dat gebruikt is in een film van Passolini, zitten twee vrouwen achter elk een enorm bord gemengde salade. Wij gaan een dezer dagen een keer eten in de Cucina Casalinga da Mario, die we tegenkwamen vlak bij ons studiootje, in een steeg bij de haven, die er volks genoeg uitziet om voor ons aantrekkelijk te zijn, waar kelners heen en weer rennen met borden dampende pasta met mosselen of vongole.

4 mei

Avignon, een appartement op de eerste etage tussen het Paleis van de pausen en de Pont d’Avignon – ja, die van het dansen. Op een steenworp van de middeleeuwse stadmuren die nog opmerkelijk fier overeind staan. Ingericht als een wat groot uitgevallen cel: twee kookpitten waar geen twee pannen tegelijk op kunnen staan, geen tafel om aan te schrijven. Ik zit dus op een bed, met voor me een kruk met daarop een rieten poef en daarop mijn computer.
Gisteren werd hier de jaarlijkse hardloopwedstrijd – waarbij het gaat om meedoen en niet om winnen – gehouden. Tegen de hoge muren van het pauselijk paleis galmen woeste klanken zoals je die overal hoort als er iets ‘gevierd’ wordt: een doffe, hersenloze, ritmische beat met te veel bas op te groot volume. Maar de sfeer is geweldig, bij de start vuurwerk en langs de route overal vrolijke mensen die de renners aanmoedigen (‘courage, courage!).
De koers trekt door ons smalle straatje, en uit het raam hangend zijn we de renners hijgend langskomen in de malste uitdossingen (bananenkostuums die lijken op vergeelde Ku Klux Klanpakken, een bruid in witte jurk, Neptunes met drietand, een bisschop met een op zijn hoofd meehobbelende mijter, en veel engeltjes en vlinders met lichtjes aan hun vleugels). Tot lang na middernacht blijft het feestelijk onrustig in het stadje.

Avignon was al in de Romeinse tijd een handelshub, met havens aan de Rhône en goede banden met Marseille, waar ze een tijd aan toebehoorden. De hele 14de eeuw hebben hier pausen gezeteld in dat gigantische fortachtig paleis, omdat ze zich niet wilden conformeren aan het gezag van de koning. Ik denk aan Paus Leo en aan koning Trump, de geestelijk leider die zicht uitspreekt tegen de perverse wereldlijk leider die zich de uitvoerder van de plannen van god waant. Nu laat Leo zich lastig vergelijken met de pausen in de late middeleeuwen; die waren er verre van vies van met hun vingers in de wereldlijke machtspap te roeren, hun rijkdom en bezittingen uit te breiden ten koste van koningen en uiteraard ten koste van de verzamelde gelovigen. Leo moet het vooral hebben van de achting voor zijn ambt, en zijn integriteit als plaatsvervanger van Paulus.
Het plezier dat ik beleef aan al het middeleeuwse moois om me heen, het groene landschap, de wijngaarden, de cypressen, de geest van van Gogh en van mijn vroegere ik, die als eindexamenklasser met een schoolreis naar de Provence ging, als kroon op de ‘klassieke opleiding’ waarvan ik geacht werd te hebben genoten, wordt nog groter door het heugelijke feit dat ik dit jaar geen getuige hoef te zijn van de officiële 4 en 5 mei vieringen in Nederland, die me elk jaar meer tegen gaan staan.
Wordt er eer bewezen aan ‘de doden’ als dat eerbewijs eens per jaar wordt afgedwongen en in het keurslijf van een gevestigde orde wordt geperst, waarbij voorgeschreven is welke doden herdacht worden, wie dat herdenken mag doen en wat die herdenker dan niet mag of juist moet zeggen. (‘Wij zijn op 4 mei twee minuten stil’, dixit nationale dominee Mirjam Bikker in 2025). Wij, dat is de wij van de joods-christelijke waarden; de wij die om de joodse gemeenschap heen gaan staan; de wij die de vijf oorlogsjaren bestempelen als een ‘inktzwarte vergissing’ die niet bij ons hoort (aldus Mikail Boon); de wij die overal antisemitisme zien, ook waar het niet is; de wij die Israël nog steeds als de ‘enige democratie in het Midden oosten’ zien. De wij die een bondgenoot niet in de steek laten, de wij die niet verder komen dat zich erge zorgen maken over de escalatie in het Midden Oosten, maar vinden dat Iran een schurkenstaat is die tegengehouden moet worden.
Op 4 mei staan de koning en de koningin net zo makkelijk een krans te leggen als dat ze gaan logeren bij Trump, een leider die openlijk dreigt met het vernietigen van een heel volk. Op 4 mei staat premier Jetten er, met zijn handen vroom gevouwen in plaats van in zijn haar. Op 4 mei is een spreker niet langer welkom omdat hij zich heeft uitgelaten over het lot van de Palestijnen, wat ‘gevoelig’ zou liggen, aldus het 4 en 5 mei comité.
Ze staan er weer, daar op de Dam, met hun uitgestrekenste gezichten het inmiddels wreed achterhaalde ‘nooit meer’ te vieren, als weldoeners van onze vrijheid en veiligheid, als hoeders van onze ‘superieure cultuur’ (Ik hoorde tot twee keer toe een PVV’er in ons parlement glashard beweren dat ‘onze cultuur superieur is’. De ene was Bosma, tot voor kort Kamervoorzitter en in die rol toen een van de officiële kransleggers bij het monument op de Dam.)

En niemand die het werkelijk voor de doden opneemt. Niet voor de communistische verzetsstrijders die verraden, gevangen, gemarteld, vermoord zijn. Niet voor de mensen die zich verweerden vanuit hun geloofsovertuiging en dat met het concentratiekamp moesten bekopen; voor de mannen van de Arbeitseinsatz, die in Duitsland onder de geallieerde bommenregens vielen; de Roma, de Sinti, de Jehova’s getuigen, de vrijmetselaars, de homoseksuelen, de socialisten, de tegenstanders van de nazis.
En niet voor de joden, die zonder dat het al te veel gedoe opleverde door hun buren en medelanders de hel ingeduwd zijn. O, zeker, we doen wel alsof. Met mooie verhalen van kleinkinderen, zorgvuldig uitgezocht op diversiteit, met afgepaste praatjes over alle soorten van slachtoffers van de nazi’s. Maar het is schijn. Het is een vertoning. Een afgedwongen ritueel dat z’n betekenis heeft verloren.
De enige manier om de doden te herdenken, om hun sterven eer te bewijzen, is niet om één keer per jaar twee minuten je kanis te houden, maar om elke dag het verleden aan het heden te koppelen. Te beseffen dat ‘nooit meer’ betekent dat je de Oekraïners steunt in de oorlog tegen de Russische agressor. Dat je vluchtelingen ziet als medemensen op de vlucht voor geweld dat je verafschuwt; dat je begrijpt dat migranten het recht hebben geluk te zoeken, net als ieder ander mens. Je joden ziet als mensen met een bijzondere, vaak gruwelijke, geschiedenis en met een gelijkwaardig heden. Dat je je uitspreekt tegen de opgewekte ‘volkswoede’ van het georganiseerde anti-AZC schorem; tegen de opkomst van extreemrecht, ook als het zich voordoet als fatsoenlijk. En dat je je keert tegen genocide, waar en door wie uitgevoerd ook. Dus dat je je zonder aarzelen en zonder angst uitspreekt tegen de genocidaire praktijken en de vernietigingswoede van Israël, óók, en misschien wel juist, op 4 mei.

Was ik in Nederland geweest, dan was ik naar Den Haag gegaan, waar op het Lange Voorhout een inclusieve herdenking plaatsvindt, waar ruimte is voor elk verdriet en voor alle doden. Waar daders genoemd mogen worden en alle slachtoffers gelijkwaardig zijn.

Jesus t’aime

Ook in Lyon staat een kathedraal met een romaans begin en een gotisch einde. Aan de voorkant een rijkversierde poort, maar anders dan in Reims zijn de sokkels waar beelden op horen te staan hier leeg. Binnen kom je in een sereniteit waar je in zou willen wonen. Die koele weldaad wordt verstoord door een zekere commotie buiten de kerk, versterkte muziek die doet denken aan EO jongerendag dringt het gewelfde lustoord binnen. Ik wil niet, maar ik word naar buiten getrokken.
Op een plateau voor de kathedraal is een groepje jongeren wilde bewegingen aan het maken. Even denk ik dat het experimentele dans is, maar dan zie ik een bord dat tegen de kathedraal is gezet, met in een kinderlijke letter: Jesus t’aime erop, met een hartje en een paar bloemetjes. Ik blijf naar het tafereel kijken. Het duurt even voor het kwartje valt, maar dan zie ik dat een paar enthousiaste jongeren zonden aan het uitbeelden zijn. Een meisje, de hoofdpersoon, dreigt door die zonden verzwolgen te worden, terwijl aan de andere kant van de verderfelijke massa een jongeman Jezus aan het uitbeelden is. Die wil het meiske redden, maar moet dan dus eerst door die verlokkingen heen zien te breken. Dat zou, als je het mij vraagt, voor een zo nabije Jezus een koud kunstje moeten zijn, maar op de trappen van de kathedraal van Lyon is dat geenszins het geval. Het meisje wordt gesmoord in een omhelzing door een jongen – dat moet lust zijn, de eerste zonde. Na een worsteling en veel armgezwaai en bovenlijf gekronkel lukt het haar de wellustige jongeman van zich af te duwen. Kuisheid gered, 1-0 voor Jezus. Dan volgt de verleiding van de drank. In nogal liederlijke bewegingen probeert een zondares, zwaaiend met een bierfles, het meisje te laten drinken, maar ook dat weet ze te weerstaan. (2-0). Volgt iets met een centimeter, wat ik niet thuis kan brengen, daarna vreten en kotsen. Beide niet erg aansprekende verleidingen weerstaat het dappere, belaagde kind, dat een meesteres blijkt in kronkelen, al dan niet gedrapeerd voor de kerk entree. (4-0).
De zondaars staan tussen haar en Jezus graaiende bewegingen te maken, die denk ik moeten lijken op een verleidingsdans. Maar het meisje moet en zal naar Jezus toe! Die staat achter de meute trekbewegingen te maken alsof hij het kind aan een denkbeeldig touw heeft, maar de verdorvenen laten hun prooi niet zomaar gaan. Er volgt een schijngevecht, waarbij Jezus maar aan het trekken is en het meisje bijna ten onder gaat (amechtig op de grond valt) voordat ze eindelijk in zijn armen veiligheid en geborgenheid vindt. (Game, set en match voor Jezus). Muziek stopt. Een enkeling klapt.
Een vriendin van me voerde in een episch gedicht een kathedraal sprekend op. Dat schiet me te binnen terwijl ik het groteske toneelstukje op de treden voor de kathedraal volg. Ik voel een medelijden met de kathedraal die, zonder ook maar iets in te brengen te hebben, getuige moet zijn van deze nepvertoning. Het gebouw staat er al vanaf de twaalfde eeuw – op fundamenten van een nog veel ouder godshuis – en heeft in zijn lange leven uiteraard al veel vreselijks voorbij zien trekken. Werden er katharen verbrand op het plein voor de kathedraal? Moest hij toelaten dat koningen onder zijn gewelven de zegen voor hun kruistochten kwamen afsmeken. Heeft hij de revolutionaire troepen zijn inwendige zien ontheiligen door er een graanschuur van te maken (iets wat revolutionairen graag blijken te doen, van godshuizen stallen of opslagplaatsen maken). Allemaal zeer wel mogelijk. Ongetwijfeld heeft hij veel Frans vlaggezwaai en patriottistische eerzucht aanschouwd.
Maar zelden is hij bezocht door zoveel ongeletterde lelijkheid als het bekeringstoneelstukje dat voor zijn poorten wordt opgevoerd. En dan die muziek erbij. Zelfs de half blote toeristen die alleen maar even wat foto’s komen knippen en een selfie maken voor zijn grandioze voorgevel zijn te verdragen vergeleken bij deze gruwel. Je voelt het hele kolossale gebouw trillen van afschuw.
Het zou kunnen dat ze in Frankrijk gewoon nog religieuzer zijn dan ‘bij ons’. In elke kerk, kathedraal of baseliek die we in stappen, zien we biddende mensen. En niet alleen ouderen, ook jongeren spreiden vroomheid te toon: kruisjes slaan bij binnenkomst, en dropje wijwater op het voorhoofd aanbrengen, knielen voor de gekruisigde of bidden bij Maria. Regelmatig is er een dienst gaande, of wordt er op het orgel gespeeld. Ik verbeeld me dat het de kathedraal compenseert voor de morele ontucht om hem heen.

Overbodige eters

Volksgenosse, das ist auch Dein Geld - Neues Volk

De eerste gaskamer die ik zag was witgepleisterd. In de ruimte stonden portretten op ijzeren staven, wat me deed denken aan hoe sommige mensen ansichtkaarten als decoratie neerzetten. De portretten waren van mensen die in de gaskamer waren vermoord; mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking.
Het was in Pirne, in Sonnenstein, een van de oudste psychiatrische inrichtingen in Duitsland, in de duistere jaren een van de centra waar Aktion T4, een eugenetische operatie om het Duitse ras gezond te houden, in 1940 en 1941 werd uitgevoerd. De naam T4 verwijst naar het hoofdkwartier van de Aktion aan de Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, want er waren meer van dit soort centra. Zeker 70.000 mensen werden in die twee jaren in tot gaskamers omgebouwde kelders, vrachtwagens of door dodelijke injecties vermoord omwille van het idee van raszuiverheid.
De Gedenkstätte is nieuw, in de DDR-tijd was er weinig aandacht voor slachtoffers die niet als antifascistisch konden worden gekwalificeerd, en wat herdenken betreft had men zowel in Oost als in West sowieso de handen vol aan de Holocaust.
Het instituut is nog steeds een ziekenhuis. Op het plein voor de herdenkingskelder zitten bewoners op een bank in de zon. Een van hen graait met zijn handen in de lucht en vertelt met verve een verhaal in een klankenpalet waarvan ik de betekenis niet ken. Zijn publiek luistert met open mond.

Eugenetica – het manipuleren van menselijk leven – is geen uitvinding van de nazi’s, en is ook niet in 1945 ter ziele gegaan. Het idee dat mensen maakbaar zijn, en ‘vlekjes’ kunnen of moeten worden weggepoetst is wijdverbreid.
In Amerika bedachten schedelmetende onderzoekers en veeboeren met een voorliefde voor raszuiverheid dat je, als je het perfecte rund kon creëren door natuurlijke selectie een handje te helpen, je die kennis ook op mensen moest kunnen toepassen.
De Brit Galton, antropoloog en neef van Darwin, zag eind negentiende eeuw wel wat in het toepassen van de survival of the fittest theory op zijn medemens.
In Australië probeerde de blanke indringers nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Aboriginal bloed uit de oorspronkelijke bewoners te fokken. Er was ontdekt dat sommige Aboriginal kindjes blond haar hadden. Dat was genoeg voor de raszuiverheidspioniers om ervan uit te gaan dat er dus toch iets van waarde in het genetisch materiaal van de oorspronkelijke bewoners moest zitten, dat verdund was geraakt in de loop der tijd. Het onterende experiment was erop gericht die verdunning terug te draaien.
In India werden tijdens de Emergency onder leiding van Sanjay, zoon van toenmalige minister president Indira Gandhi, op grote schaal gedwongen sterilisaties verricht, niet toevallig vooral bij lage kaste-hindoes en moslims; een praktijk die ook nu in verschillende landen nog populair is om groei van bepaalde minder gewenste bevolkingsgroepen te beperken.
Ook in Nederland zijn mensen gedwongen onvruchtbaar gemaakt om te voorkomen dat ze in staat zouden zijn zich voort te planten. Het was tot 2014 standaardpraktijk bij mensen die een geslachtsverandering ondergingen. Bij tijd en wijle laait de discussie over eugenetica weer op, bijvoorbeeld rondom abortus bij erfelijke ziekten of vastgestelde afwijkingen aan de foetus.

Al is de moeite die de nazi’s hadden met mensen die niet voldeden aan de door hen verbeelde ‘gezonde geest in een gezond lichaam’ dus niet uniek, hun oplossing was karakteristiek meedogenloos.
Aktion T4 begon in 1939. Bij iedereen die afweek van de nazinorm en het Germaanse ras door voortplanting kon verzwakken, moest voorkomen worden dat het ondeugdelijke genetisch materiaal kon worden doorgegeven. Elk leven dat in de ogen van de nazi’s niet volwaardig was, kon maar beter worden beëindigd. De genade dood noemde men dat, ter voorkoming van onnodig lijden. En passant werd zo ook afgerekend met ‘nutteloze eters’, mensen die onderhouden moesten worden zonder dat ze er iets voor terug gaven.
Het programma stond onder leiding van artsen die de patiënten beoordeelden op aandoening, eventuele bruikbaarheid en mate van lijden, met een scherp oog voor de kosten die bespaard konden worden als er niet behandeld werd. Verpleegkundigen hielpen gedwee mee om de mensen die met bussen vanuit hun instellingen werden aangevoerd na de keuring de gaskamer in te leiden.
Af en toe werden er zieken uit concentratiekampen opgebracht, dat waren immers als ze niet meer konden werken ook nutteloze eters.
In 1941 werd vanuit de katholieke kerk bezwaar gemaakt tegen het doden van onschuldige Duitse burgers, en omwonenden klaagden in toenemende mate over de stank van het crematorium en andere overlast. De commotie had enig effect, maar Aktion T4 werd niet opgeheven; het ging op een lager pitje door, waarbij uithongering de plaats van vergassing innam. De patiënten stierven in hun eigen instellingen, verspreid over het land, zodat het minder in het oog liep.

Ondertussen prepareerden de centra van T4 personeel dat gewend raakte aan het transporteren, selecteren en ombrengen van onschuldige, weerloze mensen. Mensen die experimenteerden met vergassing; die de voors- en tegens van koolmonoxide overwogen en zich afvroegen wat nou efficiënter was: een vaste  gaskamer of rijdende gasbussen. Die uitvonden hoeveel van het bestrijdingsmiddel Zyklon B nodig was om mensen dood te maken, en hoe lang dat dan duurde.
Elke handeling werd uitgevoerd door in de praktijk geschoold personeel, dat zijn nut en dienstbaarheid bewezen had en na de ervaring opgedaan bij T4 rijp was  voor verdere arbeid in Polen. Daar pasten ze de kennis toe en perfectioneerden de moordmethoden in de vernietgingskampen van Aktion Reinhard: Belzec, Treblinka en Sobibor, waar in 1942 en 1943 anderhalf tot twee miljoen mensen werden omgebracht. Poolse burgers, joods en niet-joods, uit het directe zicht van de Heimat.

Een onrecht herstellen

Eitan Oster

In de Tweede Wereldoorlog heette de Poolse stad Łódź Litzmannstadt, naar een Duitse generaal. De nazi’s vonden dat de Warthegau, het deel van Polen waarin Łódź ligt, integraal onderdeel van het Reich was, en daarom Judenfrei moest zijn.
De joden van Łódź, onteigend, verarmd en gemerkt met de ster, werden vanaf 1939 samengedreven in een getto, weggevoerd naar kampen of naar het General Gouvernement van Hans Frank om van daaruit verder verwerkt te worden.
Hans Frank zat niet te wachten op al die joden in zijn General Gouvernement. Siberië werd voorgesteld als hervestigingsoptie, maar ja, de Sovjets zaten in de weg. Bij gebrek aan andere alternatieven kreeg het idee van de Endlösung voet aan de grond. De nazi’s konden zich een Polen zonder joden (en liefst ook met substantieel minder Polen) net zo goed voorstellen als Daniella Weiss een Gazastrook zonder Gazanen. Het kost enige inspanning, maar dan heb je ook wat.

Łódź getto werd een overbevolkt werkkamp, geleid door Chaim Rumkowski, leider van de lokale Joodse Raad. Rumkowski meende dat als het getto maar productief genoeg was, de nazi’s de joden met rust zouden laten. De gettobewoners werden dagelijks afgebeuld in de lokale industrie ten bate van de Duitse oorlogsmachinerie.
Omdat er steeds nieuwe transporten aankwamen, raakte het getto onleefbaar overbevolkt. De Joodse Raad van Rumkowski werd verantwoordelijk voor het selecteren van de personen die moesten vertrekken. Richting Chelmno nad Neren – Kulmhof, een kamp waar met vergassing werd geëxperimenteerd als opmaat voor Aktion Reinhard – de massavernietiging in de Poolse kampen.
In Chelmno gebruikte men nog geen Zyklon B, maar uitlaatgassen van dieselmotoren, eerst in tot mobiele gaskamers omgebouwde vrachtwagens, later in vaste gaskamers waar de uitlaatgassen ingepompt werden. Gewoon, omdat het kon.
Rumkowski geloofde er zo heilig in dat hun arbeidspotentieel de joden zou redden van de vernietiging, dat hij in 1942 de gettobewoners overhaalde kinderen en ouderen uit te leveren: het quotum van 20.000 af te transporteren personen werd gevuld met onproductieve koters en oudjes. Uiteindelijk waren zulke pogingen tot overleven slechts uitstel ten bate van de Duitse oorlogvoering: het getto werd in 1944 geliquideerd en de mensen vermoord.

Bij Radegast, het stationnetje van waar de treinen naar de kampen vertrokken, is een herinneringsplaats gemaakt. In het houten gebouwtje bij het perron staat een grote maquette van het getto. Aan het perron staan een paar veewagons op de rails. Een lange betonnen gang leidt naar een halletje met gedenkplaten; een holle zuil reikt naar de hemel, lijkt op een schoorsteen. In de gang hangen de transportlijsten uit het getto, duizenden namen, netjes uitgetypt, vel na vel na vel.

Terwijl we de herdenkingsplaats bekijken rijden er vier bussen aan. Jonge Israeli – ze lijken de leeftijd te hebben van jongeren die van de middelbare school komen en straks het leger ingaan – komen kijken. Er zijn een paar bewakers bij, die zich strategisch posteren. Een ervan zegt dat we de groep niet mogen fotograferen.
De jongeren lopen rond, kijken naar de wagons, lopen door de tunnel. En gaan weer richting de bussen. Drie meiden lopen eerst nog naar een halve lantaarnpaal tegenover het monument met het opschrift ‘Gij zult niet doden’. Een van hen hurkt bij de paal, plakt er iets op en loopt met haar twee vriendinnen terug naar de bussen.
Nadat die zijn weggereden, ga ik kijken. Op de paal zijn stickers geplakt van soldaten die in de strijd in Gaza zijn omgekomen. Jonge mannen, ferme gezichten. Dode helden.
Automatisch begin ik aan de stickers te pulken, ze laten makkelijk los. Een voor een trek ik ze weg, plak ze tegen elkaar aan zodat het geen klont wordt. Er rijden twee fietsers voorbij, Poolse jonge mannen in fietsoutfit, met helmpjes op. Ze stoppen.
‘Waarom maak je dat kapot?’
‘Ik maak niets kapot, ik herstel iets.’
‘Maar mensen hebben dat opgeplakt ter herinnering.’
‘Ja, dat begrijp ik, maar ik verwijder het uit respect.’
‘Haal je dan ook lampjes weg die mensen bij een graf neerzetten?’
‘Nee, natuurlijk niet, maar dit is echt iets anders. Ik maak niets kapot, ik maak iets weer heel.’
De fietsers kijken wat bevreemd maar groeten me vriendelijk voor ze verder gaan.

De stickers zijn geen spontane uiting van het herdenken van doden. Het moet voorbereid zijn, de stickers geprint en meegenomen. Er is van tevoren over nagedacht.
Ik vind dat onverdraaglijk, het verbinden van de nazislachtoffers met de uitvoerders van de genocide in Gaza. Alsof de Holocaust een vrijbrief is voor de moordpartij; de ‘veiligheid’ van joden ten koste van alles moet worden gewaarborgd. Alsof joden geen mensen zijn zoals wij allemaal. Dat claimen van het ultieme slachtofferschap, generaties na de oorlog, als bouwsteen voor een uitverkoren volk-identiteit vind ik misselijkmakend.
Dat jonge, beïnvloedbare Israëli op deze manier worden misleid is verschrikkelijk. Natuurlijk zijn vrienden, familie en dierbaren verdrietig als er een soldaat omkomt. Dat spreekt vanzelf. Maar deze doden per met voorbedachten rade geproduceerde stickers verknopen aan de holocaustslachtoffers is een wandaad. Die wilde ik ongedaan maken.

4 mei: ‘wij’ zijn twee minuten stil

4 mei 2025

Waarom wordt er zo ingewikkeld gedaan over 4 mei? Waarom wordt er zo’n nadruk gelegd op ‘wij zijn twee minuten stil’, zoals de nationale dominee Mirjam Bikker verordonneert alsof dat het elfde gebod is: ‘Gij zult twee minuten zwijgen op 4 mei en wel om 20.00 uur precies’.
Wie zijn die ‘wij’? Waarom breekt er paniek uit als ‘wij’ niet alleen gesanctioneerde slachtoffers van toen wensen te herdenken, maar ook slachtoffers van nu, de dood ingedreven vanwege vergelijkbare waandenkbeelden, uitsluiting en ontkenning?
Waarom vindt Frits Barend dat hem ‘iets wordt afgepakt’ als er 4 mei ook aandacht wordt gevraagd voor de slachtoffers van het mensonterende geweld dat de Israëlische regering en haar handlangers over Gaza en steeds meer ook over de Westbank uitstorten?

Waarom doet Wilders alsof hij tot op zijn atheïstische botten gekrenkt is als er op eerste paasdag voor Palestijnse rechten wordt gedemonstreerd, nota bene door moslims? Waarom is dat een ‘pure provocatie’, maar is het wel acceptabel als er in het Hebreeuws wordt gezongen en/of gespeecht op een steunbetuiging aan Israël?
Omdat ‘wij’ Israël steunen, ‘wij’ Israëls recht op zelfverdediging benadrukken, ook al leidt dat tot massamoord en Israël geen moeite heeft met het doden van kinderen, journalisten, artsen, hulpverleners.
‘Wij’ herdenken de joodse slachtoffers van de Holocaust, ‘wij’ gunnen de joden hun moment, ‘wij’ stellen onder geen enkele voorwaarde het bestaansrecht van Israël ter discussie.

Wij, als in wat Benedict Anderson1 de verbeelde gemeenschap noemt, de ‘wij’ in ‘wij Nederlanders’. Een geconstrueerd groepsgevoel, dat in stand gehouden moet worden, met een eenduidig gedeeld verleden, rituelen en – deels verzonnen2 – tradities als bindmiddel.
Om die ‘wij’ te definiëren is vanzelfsprekend ook een ‘zij’ nodig: in de context van deze 4 mei zijn dat de mensen die slachtofferschap wat breder zien dan ’wij’ toelaatbaar vinden: moslims, Palestijnenvrienden en Hamas-knuffelaars. Ook bekend als ‘tuig’.

Op 4 mei herdenken ‘wij’ onze doden. En volgens de verzonnen traditie van onze joods-christelijke waarden is daarin geen ruimte voor andere slachtoffers dan die van ons.
Omdat ‘we’ ons collectief tijdens de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, tijdens de oorlog en erna niet bepaald ondersteunend, beschermend en verwelkomend tegenover onze joodse medemensen hebben gedragen, moeten deze smetten op ons blazoen gecompenseerd worden door alle kritiek op de staat Israël de kop in te drukken.
Dat er Nederlandse politici zijn die openlijk beweren dat antisemitisme met de moslims ons land is binnengekomen, geeft vooral aan hoe ver ‘we’ willen gaan om onze verbeelde gemeenschap in stand te houden.

Daarin zijn we niet alleen. Ook in Israël werd een verbeelde gemeenschap tot stand gebracht. ‘Wij’ mogen denken dat Israël aan de joden gegeven is als veilige haven voor de slachtoffers van de Holocaust, maar net na de Tweede Wereldoorlog vond Ben Goerion dat zijn jonge land meer had aan zionistische strijders dan aan getraumatiseerde Holocaust overlevenden.
Door het Eichmannproces in 19613 , waarbij een van de hoofdverantwoordelijken voor de deportatie en massamoord op de Europese joden terechtstond in Jeruzalem, ging de Holocaust een prominentere plaats innemen als bouwsteen van de identiteit van Israëli’s. Na de Zesdaagse oorlog in 1967, die Israël op overtuigende wijze won, werd afgerekend met het ‘als makke schapen ter slachtbank-syndroom’; werd Israël tot een baken van westerse democratie in een zee van vijandigheid en kon de Holocaust, op aangeven van Amerikaanse joden4, zijn allesbepalende plaats innemen in de lijdensgeschiedenis van het joodse volk.

Het idee dat het zo vervolgde joodse volk als een krachtige, strijdbare Phoenix uit de as herrees in het heilige, beloofde land, gaf Israël ook in Nederland een mythische glans. Israël steunen werd een teken van westerse beschaving: we hadden onze les geleerd.
Het ‘nooit meer’ in relatie tot de Holocaust werd toegevoegd aan de ingrediënten van onze verbeelde gemeenschap. We vonden tradities uit als de Nationale Dodenherdenking op de Dam, waarbij de joodse slachtoffers van het naziregime een centrale plaats kregen5. Een jaarlijks ritueel dat ‘wij’ als natie, als volk, als verbeelde gemeenschap beleven.
‘Wij’ zijn twee minuten stil.

Maar nu, onder de loden last van een andere genocide, mede uitgevoerd door nazaten van de slachtoffers van de Holocaust en gretig ondersteund door onze regering, brokkelt dat ‘wij’ af. Er klinken andere stemmen. Stemmen die de hypocrisie niet accepteren. Die het een gotspe vinden dat omvolkingstheorie-aanhanger Martin Bosma namens ‘ons’ een krans legt op 4 mei. Die het onverteerbaar vinden dat ‘nooit meer’ alle betekenis verloren heeft als het niet ook over Palestijnen gaat, en niet willen herdenken in het gezelschap van medeplichtigen of willen luisteren naar een premier die ongeloofwaardigheid een nieuwe dimensie geeft.

De scheuren in de dominante, veilige, witte ‘zo doen wij dat in Nederland’ verbeelde gemeenschap die steeds zichtbaarder worden, veroorzaken ook het rumoer rond 4 mei.
‘Onze’ nationale identiteit, opgebouwd uit geschiedenis en brokjes mythe zoals een glorieus koloniaal- en verzetsverleden, dat ‘we’ toch niet wisten wat er met de joden in het Oosten gebeurde6, dat ‘we’ tolerant en vrijzinnig zijn, dat ‘we’ beschermend om ‘onze joden’ gaan staan en het antisemitisme van de nieuwkomers komt, wordt bevraagd, betwist en ontmaskerd.
Het dwangmatig vasthouden aan de valse illusie van een nationale identiteit (‘we zijn twee minuten stil’) roept weerstand op. Weerstand die wordt aangejaagd door de schandelijke houding van de Nederlandse regering ten opzichte van de genocide in Gaza.
Weerstand, omdat het lijkt alsof ‘we’ op 4 mei op de Dam niet zozeer de doden herdenken, maar kransen leggen bij de gekoesterde Nederlandse verbeelde gemeenschap ‘van vreemde smetten vrij’.

1. Benedict Anderson, Imagined Communities. Refections on the origine and spread of nationalism, 1983
2. Eric Hobsbawn, The invention of tradition, 1983 
3. Lees er Eichmann in Jeruzalem van Hannah Arendt op na.
4. Of, heftiger, De Holocaust-industrie. Bespiegelingen over de exploitatie van het joodse lijden van Norman Finkelstein (editie 2000).
5. Dat gebeurde echter pas in de jaren zestig. Daarvoor was er weinig aandacht voor de slachtoffers van de Holocaust, en werden vooral militairen en verzetsstrijders herdacht.
6. Bart van den Boom, Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust, 2012

De ene verlosser is de andere niet

De ene verlosser is de andere niet

‘Je moet niet overal symboliek in zien’, zei mijn grootmoeder altijd, ‘meestal is er gewoon toeval in het spel.’ Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat Pieter Omtzigt wel degelijk op een symbolische dag zijn vertrek uit de Haagse politiek aankondigt: Goede vrijdag. De dag dat we het martelaarschap van de Heiland vieren – wij van de joods-christelijke traditie vinden het niet raar dat onze religie zich heeft opgetrokken rond een gemartelde man die een langzame, pijnlijke en vernederende dood sterft. Wij weten ons verlost omdat de mensenzoon op jonge leeftijd op noodlottige wijze om het leven is gebracht, zijn bloed vergietend ter vergeving van onze zonden.
Natuurlijk kan het toeval zijn, dat Pieter Goede Vrijdag koos voor zijn onheilsboodschap: na het eindelijk aftikken van de Voorjaarsnota en zo aan het begin van het voorjaarsreces kwam het gewoon goed uit. Maar ik denk dat dat niet het geval is. Pieter heeft mij altijd een kruising van een dramaqueen met een autist geleken, en zo iemand doet niet aan toeval, die kiest zijn momenten zorgvuldig.

Nadat hij geen leider van het CDA mocht worden – waar je achteraf meer van begrijpt dan toen het toneelstuk van de lijsttrekkersverkiezingen zich voltrok: geen enkele partij gedijt met een rechtlijnige eeuwige twijfelaar aan het hoofd; na ‘functie elders’ en door zijn inzet voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire, kreeg Pieter welhaast de status van redding brengende heiland.
Hij richtte zijn eigen partij op, scharrelde kandidaten voor een lijst bij elkaar en deed mee aan de verkiezingen. Hij wist, op basis van zijn uitstraling van eerlijke rechtschapenheid en de belofte van een nieuw sociaal contract op basis van transparante rechtsstatelijkheid in een bloeiende open democratie, een hele menigte kiezers aan zich te binden.
Wat een zegetocht had moeten worden, werd een debacle. Met dank aan Dilan Yeşilgöz en haar op drift geraakte VVD, ging Pieter overstag en nam zitting in wat het Knutselkabinet van brokkenpiloot Schoof werd. Het land moest immers geregeerd worden en er was een ‘Rechtsstatelijkheidsverklaring’, dus ondanks alle verschillen zou het wel goed komen: er was een ondergrens.

Gelukkig voor Pieter had hij behalve discipelen ook een Maria Magdalena: Nicolien van Vroonhoven, altijd bereid de lijdende leider te ontzien en namens hem om de hete brei heen te draaien. Zij deed de eerste politieke beschouwingen terwijl Pieter opgebrand thuis zat. Zij verdedigde het onechte kind van de ex-CDA’er te vuur en zwaard en bleef een opgewekt geloof in de toekomst uitstralen. Zij wel.
Pieter liet het kopje echter steeds meer hangen. Begrijpelijk, want zijn positie was verre van benijdenswaardig: almaar grotere scheuten water moesten bij de wijn worden gedaan en zijn kroonjuwelen vervormden van een constitutioneel hof tot een te duur potje appelmoes.
Er manifesteerden zich Judassen onder zijn volgelingen: Nora Achahbar, die nota bene de toeslagenaffaire vlot had moeten strekken, stapte op omdat ze haar collega’s niet langer kon verdragen, wat te begrijpen valt. Zeedijk en Hertzbergen volgden haar spoor en vertrokken vanwege ‘omgangsvormen’. (Dat vond ik vermakelijk, want ik vermoedde dat Femke en Rosanne het gapende morele gat in de bodem van het NSC-scheepje hadden waargenomen en eieren voor hun geld kozen, voor hun geloofwaardigheid en carrièrekansen onherstelbaar zouden zijn aangetast.)

Er waren de afgelopen tijd voldoende mogelijkheden voor Pieter om opnieuw de rol van verlosser op zich te nemen en heel Nederland te bevrijden van dit Frankensteinkabinet. Maar twijfel en een obstinaat geloof in dat er nog wat te winnen zou zijn als hij maar volhield, maakten dat hij de momenten steeds liet passeren.
Maar nu heeft zijn uur geslagen en moet Pieter zijn lot onder ogen zien: hij heeft gefaald. Hij kan zijn beloften niet waarmaken en het enige wat hem rest is: ervandoor gaan.
En hoe vertrekt deze gevallen held? Niet met opgeheven hoofd, met een eerlijke speech, maar als slachtoffer. Slachtoffer van zijn eigen vuur. Van zijn zelfoverschatting. Opgebrand. Op Goede vrijdag. Dovend in de schaduw van de gekruisigde. Nederland achterlatend met een uitgebluste partij in een coalitie van kwaadaardigen en gekken, in een wereld die met hun hulp gestaag naar de bodem van de afgrond rolt.
En na deze (politieke) dood volgt geen wederopstanding. Geen heling, geen hoop.

Diclaimer voor de teerhartigen onder ons: dit stukje gaat over Pieter als politicus. Als mens wens ik de man uiteraard spoedig herstel, en alsnog een ‘functie elders’.

I am a nasty woman, hell yeah

Nina Mariah Donovan
Nina Mariah Donovan schreef deze geweldige tekst toen Trump voor de eerste keer president werd. Nu hij voor de tweede keer zijn destructie op de wereld mag loslaten, en als een door techbro’s gestuurde stormram alle denkbare waarden probeert plat te walsen, vrouwen terug wil in een door ultra conservatief christelijk getimmerd hok, migranten wil uitzetten, mensen lukraak arresteert om een verkeerde mening en alle medemenselijkheid wegbezuinigt, is deze excellente ‘rant’ nog steeds actueel. Be a nasty woman, ook als je een man bent. Hell yeah!
I’m a Nasty Woman.
Not as nasty as a man who looks like he bathes in cheeto dust.
Not as nasty as a man who is a diss track to America.
From Back to broken Back he’s stomped on,
his words are just more white noise ruining this national anthem.
I’m not as nasty as confederate flags being tattooed across my city;
maybe the south actually is going to rise again.
Or maybe it never really fell
Because we’re still drowning in vanilla coated power.
Slavery has just been reinterpreted into the prison system.
[expander_maker id=”1″ more=”Read more” less=”Read less”]
Blacks are still in shackles and graves just for being black in front of people who see melanin as animal skin.
Tell me of a decade that didn’t have traces of white hoods burning up our faith in humanity.
I’m not as nasty as a swastika painted on a pride flag.
And I didn’t know that devils could be resurrected but I feel Hitler in these streets.
A mustache traded in for a Toupee.
The Nazis renamed The Cabinet’s Electro Conversion therapy the new gas chamber,
shaming the gay out of America, turning rainbows into suicide notes.
I’m not as nasty as racism, or fraud, or homophobia, or lies, or transphobia, sexual assault, white supremacy, white privilege, ignorance, or misogyny.
Not as nasty as trading girls like pokemon before their bodies have even evolved.
Not as nasty as your own daughter being your favorite sex symbol
Like wet dreams infused with your own genes.
But yeah! I’m a nasty woman.
A Crusty Funky Bitchy Loud Nasty woman.
Not as nasty as the combo of Trump and Pence being served as an option in my voting booth.
But I’m nasty like the battles women fought to get me in that voting booth.
Nasty like the fight to close the wage gap.
Nasty like conversations trying to convince people there isn’t such thing as a wage gap.
Remind me that this is only because women usually go into lower paying fields.
So why did last year’s top actresses make less than half of what the top actors did?
Do you realize that the World Cup shelf of the U.S. men’s soccer team is as empty as Trump’s promesses.
But the women’s team has scored three World Cups. Last year, brought in 20 million more dollars in revenue than the men’s team, but is still paid 75% less?
See even when women go into high paying careers, their wages are still cut with blades sharpened by testosterone.
Tell me why the work of a black woman and a Hispanic woman is only worth 63 and 54 percent of a white man’s paycheck?
This is not a feminist myth; this is inequality.
So we are not here to be debunked. We are here to be respected.
We are here to be nasty like blood-stained bedsheets.
In case you forgot, women can’t choose when or if they get their periods!
Trust me, if we could we would!
We don’t like having to throw away our favorite pairs of underwear!
But men can choose to not have sex.
And they know how to live without a full head of hair, so tell me why are tampons and pads still taxed, but Viagra and Rogaine isn’t?
Is your erection really worth more than protecting the messy parts of a womanhood?
Is the thinning of your hair really more embarrassing than the period-staining of my jeans?
I know it seems petty to complain about a few extra cents.
But it’s just the finishing touch on a pile of change I have yet to feel in this country.
So don’t try to justify our injustices with excuses that smell like your security when you’re walking alone to the bathroom or your car or down the street.
Securities my eyes have yet to see.
They’re too busy praying to my feet.
So you don’t mistake eye contact for wanting physical contact I’ve been zipping up my smile so you don’t think I want to unzip your jeans.
I know you forget to examine the reflection of your own privilege.
Or you may be afraid of the truth.
But I’m not afraid to be honest I’m not afraid to be nasty.
Yeah, I’m nasty like the struggle of women still beating equality into the world, because our rights have been beaten out of us for too long. But this fight will continue to embody our nastiness. I’m nasty like red, white, and blue bruises. Nasty like Elizabeth, Amelia, Rosa, Condoleezza, Sonia, Malala, Michelle,
our mothers, our sisters. Us, sisters are all nasty, like history
and our pussies ain’t for grabbing.
They’re for reminding you that our walls are stronger than America’s ever will be.
They’re for birthing new generations of
Filthy Vulgar Bossy Brave Proud Nasty women.
So if you’re a nasty woman,
say HELL, yeah.[/expander_maker]

Auschwitzmethodes

Misschien kwam het door de interruptie van Joost Eerdmans (JA21) op zijn collega Emiel van Dijk. Het gebeurde tijdens een commissiedebat over ‘de crisis’ in het gevangeniswezen. Emiel is aan het woord namens de PVV. Hij zegt: ‘zet ze met acht man op een cel en laat ze lekker staand slapen’. Eerdmans, die toch een reputatie op het gebied van harde maatregelen heeft hoog te houden, reageert verbijsterd: ‘ongelofelijk, de standing cell, dat zijn Auschwitzmethodes’.
Van Dijk verblikt of verbloost niet. Onbewogen betoogt hij verder over de versobering van het gevangeniswezen: het afschaffen van dagprogramma’s; 23 uur binnen en een uurtje luchten. En als ze ‘een grote bek hebben flikker je ze twee weken in een isolatiecel. En als ze eruit komen en ze doen het weer, sluit je ze weer op’. Gevangenis moet een straf zijn, niet links gezellig samen koken, een tv op de cel en een eigen douche. Het is nu veel te goed toeven in de nor: zonder zorgen lekker een beetje op slippers rondbanjeren in gigantische luxe, vindt Van Dijk.
Of misschien kwam het door Van Dijks partijgenoot Martina Vondeling, die haar blijdschap over de asielwetten van Minister Faber deelt in het commissiedebat over asiel en migratie, en glashard beweert dat ‘Nederlanders’ dit beleid willen, dit kabinet willen. Ook vindt ze dat asielzoekers die voor overlast zorgen vastgezet moeten worden – dat mag gewoon van de EU hè, zegt ze. En ook van haar mogen ze met meer (zij gaat voor zes) op een cel en rechtop slapen, want ‘dan hebben ze het hier toch nog beter dan in hun eigen land.’
Ze trekt van leer tegen zieke asielzoekers ‘die op kosten van de belastingbetaler in een taxi het hele land doorgereden worden. Laat ze die taxiritjes lekker zelf betalen.’ Ook moet de minister garanties geven dat de gemeenten asielzoekers niet toch stiekem voorrang geven voor een sociale huurwoning, want die zijn voor de Nederlanders. ‘Laat asielzoekers maar op de bank bij familie logeren’, of in een doorstroomlocatie voor zo lang als nodig is.
Of kwam het toch door de in Europees verband geplande uitzethubs waar we mensen die hier niet mogen zijn, mensen die we hier niet willen, naar toe kunnen sturen? Brak er iets toen ik de Europarlementariër van de BBB Sander Smit hoorde zeggen dat we natuurlijk aan de mensenrechten moeten denken, maar dat die hubs buiten Europa wel veel goedkoper zijn, en ‘die mensen hebben niet per se het recht om in de luxe van een Westers land te worden opgevangen.’

Ineens zag ik het helemaal voor me: rond die uitzethubs in ‘veilige landen’ buiten Europa kan een hek komen te staan. Wachttorens en zoeklichten. Want een buiten-Europees veilig land wil natuurlijk ook niet dat die door Europa afgedankte lui gaan rondzwerven.
Als Nederland nou eens met hulp van het Ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp fabrieken rond zo’n opvanghub zetten? En die mensen daar laten werken. Snijdt het mes aan twee kanten: goed voor ons bedrijfsleven, en de ongewensten worden in staat gesteld iets te doen met hun menselijk kapitaal. Heel waardevol.
Ik zag het: een verzameling barakachtige gebouwen, rijen stapelbedden, driehoog. Latrines buiten. Elke ochtend eerst tellen, en dan afmarcheren naar de fabrieken.
Als Nederland het daar ver weg met die asielzoekers een beetje voor elkaar heeft, kan het gevangenenkapitaal er ook naartoe. Is én het asielzoekersprobleem, én het cellentekort opgelost. Bingo!