We zijn neergestreken in café Tito, in Sarajevo, een café achter het historisch museum, waar ik een expositie bezocht die ‘Who is Walter’ heet, en gaat over verzet tegen fascisten. Er hangt een verzameling anti-fascistische posters uit verschillende landen, het partizanenverzet wordt gevierd als het omvangrijkste verzet tegen de nazi’s. Een verdieping hoger een expo over de jarenlange belegering van Sarajevo die erg veel wegheeft van expo’s over ‘onze bezettiningstijd’: olielampen, houtkacheltjes, vaak opgelapte kleren en andere overlevingsinventiviteit.
Sarajevo had een tunnel om het hongerende volk in de stad te verbinden met de buitenwereld. De tunnel liep onder het vliegveld door, wat gedoogd werd door de VN vredesmacht, en was de aanvoerroute van eten, wapens en andere zaken die van belang zijn in een belegerde stad, zoals informatie. De tunnel is voor een deel bewaard gebleven en wordt nu getoond als een teken van het standvastige verzet van de stad en de stedelingen tegen de belegering door de Serviërs.
Vlak bij café Tito staat het ‘Ingeblikte vlees monument’, een manshoog beeld van de Sarajevaanse kunstenaar Nebojsa Serić Soba in de vorm van een conservenblik, dat in bescheidener formaat door de Amerikanen vanuit de lucht aan de hongerende bevolking van Sarajevo werd gegeven tijdens het beleg van de stad. Er zou niet al te enthousiast gereageerd zijn om die gave: de blikken waren ver over de datum; de inhoud was niet te vreten, zelfs de honden bliefden het niet. Het waren restanten nog uit de tijd van de Vietnamoorlog, en bovendien zat er varkensvlees in, wat niet getuigt van culturele gevoeligheid. Men vond de mensen in Sarajevo ondankbaar, maar honger maakt niet alle rauwe bonen zoet.
Het beeld staat er sinds 2007. In 2022 heeft het een nieuwe verflaag gekregen: op een bleekgouden achtergrond staat behalve de sterrencirkel van de EU nu ook in grote letters: “canned beef”. Als het lijkt op de korrelige cornedbeef of gladde spam die ik als kind wel gegeten heb, kan ik me het non-enthousiasme van de Sarajevanen levendig voorstellen.
Op de sokkel wordt de internationale gemeenschap op ingehouden cynische wijze bedankt voor hun hulp aan de belegerde stad.
Voor het Tito café staat een assortiment roestige relicten uit WOII. Op een jeep met half ingegraven banden zit een klein meisje met een stralende glimlach.
Het café zelf is volgehangen met portretten van De Maarschalk, van de fascisten bestrijdende partizaan tot de oude, gelauwerde leider. Er zijn krantenknipsels over Tito, een ingelijste cover van Time magazine met zijn portret, gebruiksvoorwerpen uit de late Tito-tijd die me heel vertrouwd voorkomen (zoals een platenspeler). Er is een theeservies met Tito’s beeltenis erop en meer van dat soort parafernalia.
We worden bediend door een jonge man, in een rood t-shirt met als opdruk een gestileerde Tito in zwart. Hij, laten we hem Hamid noemen, is dertig en geeft volmondig toe dat hij lijdt aan Tito nostalgie. Alles was beter in die tijd, meent hij. Er was niet zo veel gedoe over religie. Zelf identificeert hij zich als moslim, uit respect voor zijn gelovige zus en zijn familie, maar eigenlijk is hij een ongelovige. Geloof en geld, beiden brengen niets dan ellende. Hij noemt Tito een ‘gentle dictator’, die wist op te treden als dat nodig was. Wij mensen in de Balkan hebben dat nodig, zegt Hamid, een harde hand die ons leidt, anders gaat het al snel mis. Als het aan hem zou liggen, zouden alle kerken, moskeeën, kathedralen en wat dan ook voor godshuizen allemaal met de grond gelijk gemaakt worden. Afschaffen, die verdeeldheid zaaiende ideeën. Zonder dat geloof zijn we allemaal gewoon mensen.
Onder Tito, neemt Hamid, had iedereen werk, was er genoeg van alles en keek men naar elkaar om. Nu, onder die zogenaamde democratie, is het ieder voor zich en denken mensen alleen nog aan zichzelf. De leiders zijn allemaal corrupt en mensen zijn alleen nog maar bezig met hoe ze zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld kunnen vergaren.
Hij heeft onlangs zijn mobiele telefoon weggedaan. Gek werd hij ervan, van die constante stroom van berichten en dat voortdurende nieuws. Hij voelt zich nu veel beter. Ik hoef niet alles te weten, zegt hij. Het liefst weet ik eigenlijk niets, want wat heb je aan al die vluchtige kennis over een gedoetje hier en een opstootje daar. Ik wil het met mijn vrienden hebben over dingen die ertoe doen, en dat we elkaar opzoeken in plaats van gemakzuchtig naar elkaar appen.
Hamid werkt op dagloon in het café. Dat is zijn eigen keuze, een maandcontract kan ook, maar door persoonlijke omstandigheden die hij verder niet opheldert kiest hij ervoor dagelijks zijn 50 BAM te ontvangen voor de acht uur dat hij werkt. Dat is omgerekend 25 euro. Als hij geluk heeft, komt daar aan fooien nog eens 25 euro bij. Niet veel, maar voor nu, zegt Hamid, is het goed. Voor nu past dit bij mij.
Zijn Engels is erg goed. Gewoon op school geleerd, zegt hij, en dan, met een zekere trots: wij hebben heel goed onderwijs. Bij ons moet je alle vakken volgen tot je naar college gaat, daarom zijn wij breder geschoold dan in de landen om ons heen of in Duitsland, waar je eerder een keuze in je vakken moet maken.
Hij is lang – twee meter, twee meter twee met schoenen, zegt hij, slank en wonderbaarlijk open. Als ik later het café binnen ga om naar het toilet te gaan, zie ik hem naast de bar danspassen maken.
Je kunt je eigenlijk best voorstellen dat er een zekere nostalgie naar de Titotijd bestaat, naar de tijd dat Joegoslavië nog bestond en er geen openlijke verdeeldheid was. Het communistische regime zorgde voor werk, eten en een dak boven je hoofd, en je had weinig te vrezen als je je niet met politiek bemoeide en op de gebaande paden in het gareel bleef lopen. Zeker voor jongeren die opgegroeid zijn met de afschuwelijke oorlogsverhalen van hun ouders en dagelijks de frictie tussen de verschillende groepen ervaren, lijkt dat een mooie tijd. Met de alom aanwezige Tito als rechtvaardige leider van een eensgezinde natie.
Tito – voluit Josip Broz – werd in 1892 in Kroatië geboren bij Sloveens-Kroatische ouders.
Als jongeman nam hij dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij werd krijgsgevangene, maakte in Rusland de revolutie mee, werd communist en diende in het Rode Leger. Na de Eerste Wereldoorlog werd het koninkrijk Joegoslavië gevormd uit de resten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. (Het Ottomaanse rijk was al eerder in scherven uiteengevallen). Daar werd Tito in 1928 secretaris van de toen verboden Communistische Partij in Zagreb. Dat kwam hem op vijf jaar gevangenis te staan, waar hij geluk mee had, want terwijl hij in de gevangenis zat, verharde de repressie en werden zijn mede-communisten zonder pardon tegen de muur gezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar de Sovjet-Unie. Toen de Asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, vormde Tito een verzetsgroep, de partizanen. Die werd de grootste en machtigste van het land. Nog tijdens de oorlog begonnen Tito en zijn kompanen de contouren voor de nieuwe staat te schetsen.
Toen de oorlog voorbij was, werd Tito premier. Zijn geheime dienst maakte overuren bij het opsporen en afrekenen met fascisten, collaborateurs, Ustase (Kroatische fascisten) en Cetniks (Servische nationalisten die tegen de nazi’s en tegen de communistisch partizanen vochten), verstokte royalisten en andere echte of vermeende tegenstanders. Velen werden vermoord of verpieterden in werkkampen.
In 1946 schafte hij de monarchie af en stichtte de Federale Volksrepubliek Joegoslavië, een communistische staat naar Sovjetmodel. Een paar jaar later raakte de band tussen Tito en Stalin verstoord: Tito hield vol dat Joegoslavië door zijn partizanen was bevrijd, terwijl Stalin beweerde dat het de Russen waren geweest die de nazi’s verjaagd hadden. Ook had Tito er geen trek in om Joegoslavië te ontwikkelen als vazalstaat en leverancier van halffabricaten aan de Sovjet-Unie. De breuk met Stalin werd niet meer geheeld, en ook na diens dood bleef Tito een eigen koers varen. Dat maakte hem geliefd in Europa en de VS als buffer tegen het Rode gevaar.
De nieuwe grondwet van 1963 bepaalde dat Tito’s presidentschap alleen kon eindigen met zijn dood. Zijn beleid was gericht op het onderdrukken van regionale, etnische en religieuze verschillen en de volken binnen de grenzen van zijn rijk samen te smelten tot een nieuwe mens: de Joegoslaaf, zonder religie, vol gemeenschapszin en trouw aan de leider.
Ondanks de afgedwongen gelijkheid bleef Servië dominant. Dat zinde de andere groepen niet, en om onrust te voorkomen bepaalde de vernieuwde, federale grondwet van 1974 dat Kosovo (door Servië als Servisch geclaimd) een autonome provincie werd, met eigen stemrecht in de Federale Raad. Net als Vojvodina, een gebied in Noord-Servië met een grote Hongaarse minderheid. Die twee toegevoegde stemmen zouden de Servische dominantie moeten inperken.
Slobodan Milosevic, de extreem nationalistische president van Servië, draaide die maatregel in 1990 terug, en eigende zich de stemmen van de twee regio’s weer toe als stap op de weg naar een Groot-Servië. Vojvodina werd tijdens de Kosovo oorlog in 1999 door de NAVO zwaar gebombardeerd. Pas in 2009 ging het Servische parlement akkoord met het herstel van de autonome status van voor 1990. Vojvodina is een mengelmoes van verschillende etnische groepen; er worden zes talen gesproken. Rechtse partijen in Hongarije vinden dat het stuk land geen onderdeel van Servië moet zijn, maar toebehoort aan Hongarije.
De strijd om Kosovo is ons bekender. In Kosovo wonen vooral (zeker 90%) etnische Albanezen, die niet bij Servië willen horen. Oorspronkelijk werd het gebied bewoond door Illyriërs en Thraciërs. Die oeroude stammen bestierden voor het begin van onze jaartelling een omvangrijk gebied, samengesteld uit kleine rijkjes. Ik herinner me een tentoonstelling ‘Het goud van de Thraciërs’, in Museum Booijmans van Beuningen in 1984, toen Joegoslavië nog niet uiteengevallen was, de tentoongestelde schatten uit Oostblokmusea kwamen en ik nog nooit van Kosovo gehoord had. Ragfijn goudwerk, filigraan, dierenfiguurtjes.
Aan de Thraciërs hebben we, via de oude Grieken, de god Dionysus, de mythische prinses Europa en Orpheus te danken. Spartacus, de leider van de grote slavenopstand in het oude Rome, was een Thraciër.
Kosovo maakte deel uit van het deelrijk Dardanië, dat na een Romeinse, een Byantijnse en een Bulgaarse periode, in de dertiende eeuw geannexeerd door het koninkrijk Servië. In 1389 vond bij Kosovo Polje de Slag op het Merelveld plaats, tussen de legers van vorst Lazar en de Ottomanen. De laatsten wonnen en bleven vijf eeuwen heersen over het gebied. Albanezen en Bosniakken bekeerden zich tot de islam. De Serven bleven oosters-orthodox.
Na de val van het Ottomaanse rijk en de eerste Balkanoorlogen, nog voor de Eerste Wereldoorlog, kreeg Servië de heerschappij over Kosovo. Voor Servische nationalisten is Kosovo de bakermat van de Servische beschaving, een idee dat innig verbonden is met die veertiende-eeuwse slag op het Merelveld, die de overheersing van de orthodoxe Serviërs door de islamitische Ottomanen en in hun verlengde de bekeerde Albanezen en Bosniakken inluidde.
Het doet me denken aan de Vlaamse Guldensporenslag, bij Kortrijk, die ook in de veertiende eeuw plaatsvond, die voor Vlaamse nationalisten een van de belangrijke bouwstenen is van hun Vlaamse identiteit. Een bij elkaar geraapt leger van Vlaamse boeren, ridders en stedelingen versloeg toen het Franse leger. ‘Ik begin de slachting, volg mij’, zou Robert van Bethune, de leider van de Vlamingen, met de bijnaam ‘de Leeuw van Vlaanderen’ geroepen hebben. Mooier kan het niet voor nationalisten.
De Serven verloren de Slag op het Merelveld dan wel, maar door hun onbaatzuchtige inzet hebben ze de wereld wel mooi behoed voor een verdere Turkse opmars, vinden ze zelf.
In Kosovo riep Ibrahim Rugova, de pacifistische leider van de Albanese Kosovaren, in 1991 eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Hij richtte een ondergrondse schaduwregering op, die alleen door Albanië werd erkend, en zette een ondergrondse maatschappijstructuur op met een parlement, gezondheidszorg en onderwijs.
Omdat het vreedzame verzet van Rugova niet echt zoden aan de dijk zette, werd vijf jaar later het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) gevormd. Zij begonnen een guerrillaoorlog tegen Serviërs en vermeende collaborateurs. Het Joegoslavische Volksleger – dat Servië zich tijdens het uiteenvallen van Joegoslavië steeds meer toe-eigende – viel Kosovo binnen. Dat liep uit de hand, grote groepen vluchtelingen raakten op drift, de NAVO greep in, er werd een akkoord gesloten dat werd geschonden, er werd opnieuw vergeefs onderhandeld en uiteindelijk ging de NAVO over tot het wekenlang bombarderen van Servië, waarop de Servische troepen zich volledig uit Kosovo terugtrokken.
Kosovo kwam onder bestuur van de VN. In 2008 stemde het Kosovaarse parlement unaniem voor onafhankelijkheid. Een onafhankelijkheid die niet unaniem erkend wordt.
Tito was toen alweer een tijdje dood. Na zijn dood in 1980 ging het rap bergafwaarts met Joegoslavië als eenheidsstaat. Servië, altijd al dominant, claimde de stemmen van Vojvodina en Kosovo en versterkte zo zijn positie, met de extreme nationalist Milosevic aan het roer. De Sovjet-Unie viel uiteen, de Berlijnse Muur ging neer, met dictators uit het communistische blok werd genadeloos afgerekend. Denk aan de Roemeense Ceausescu, die na een kortstondig volkstribunaal samen met zijn vrouw werd geëxecuteerd.
In Joegoslavië leefden ook in de andere deelstaten het nationalisme op. In 1991 riepen Slovenië en Kroatië hun onafhankelijkheid uit. In april 1992 volgde Bosnië-Herzegovina. Servië, onder Milosevic en generaal Mladic, met de slagkracht van het Joegoslavische volksleger, was hoofdrolspeler in een bloedige en wrede strijd die duurde tot 1996.
Onder het vredesakkoord van Dayton is Bosnië-Herzegovina verdeeld in een Servisch en een Moslimdeel, met grillige grenzen, elk een eigen hoofdstad (Banja Luka en Sarajevo), een eigen vlag, een eigen parlement, eigen regels, onderverdeeld in kantons en regio’s met zo min mogelijk etnische diversiteit, en blijvende spanningen tussen de bevolkingsgroepen. De federale overheid staat onder leiding van een driemanschap aan presidenten: één Kraotisch, één Servisch en één Bosniak. In het federale parlement zijn de zetels verdeeld over de drie dominante etnische groepen in het land. Daarboven staat de Hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina, een ongekozen, door de internationale gemeenschap aangewezen persoon die de politieke verdeeldheid in toom moet houden en de bevoegdheid heeft wetten door te voeren en functionarissen te ontslaan.
Bosnië-Herzegovina is sinds een paar jaar kandidaat-lid van de EU, maar voor er toegetreden kan worden is er nog enig werk te doen.
Het lijkt me dat de verdeling die in Dayton gemaakt is destijds als verstandig gold. Er moest een oplossing gevonden worden, de oorlog en het moorden moesten worden gestopt. Analoog aan wat de Engelsen destijds met India deden, is gekozen voor een soort ‘partition’. Niet in twee aparte staten – dat was moeilijk aan Servië te verkopen geweest, want waarom dan niet gewoon de Republika Srpska bij Servië voegen? En onverteerbaar voor de Bosniakken, die niet de helft van hun land zouden willen afstaan aan hun genocidale buren. Toch is het geen ideale oplossing, de bevolking is en blijft gemengd, al is er wel over en weer ‘ethisch gezuiverd’. Het is een noodoplossing, zeker ook omdat de hoogste baas van het land nog altijd, na dertig jaar, door de internationale gemeenschap wordt aangewezen.
Logisch dat jongeren zoals Hamid van café Tito, opgegroeid in de nasleep van de laatste oorlog in een nog altijd verdeeld land vol spanningen, terugverlangen naar een geromantiseerde tijd onder de Maarschalk. Toen was het misschien dan wel een communistische dictatuur, maar wat heb je aan democratie als die alleen maar leidt tot corruptie, machtsmisbruik en het onbeschaamd nastreven van je eigenbelang.