Brief uit Massa e Cozille

Het is half elf. Eerste pinksterdag. Van overal om me heen beginnen de klokken van kerkjes in kleine Toscaanse dorpjes te luiden, ter verwelkoming van de Heilige Geest. En God weet dat we die ‘geest van liefde’ als mensheid meer dan ooit nodig hebben.
We logeren in Massa e Cozille, een van de vlekjes op de lappendelen aan dorpjes op de heuvels tussen Pisa en Florence. Het is warm, 30 graden zinderende Italiaanse zon. De lucht is zwanger van de zware geur van overdadig bloeiende Toscaanse jasmijn, hier zo gangbaar als liguster bij ons.
De weg hierheen voerde langs Carrara, de ‘marmerhoofdstad van de wereld’, waar Michaelangelo persoonlijk zijn stenen kwam uitzoeken. Vanaf de oudheid is het marmer uit deze streek geliefd, vooral de stralend witte variant. Er zijn sporen van honderden mijnen. Het marmer werd over de hele wereld verscheept om te worden omgevormd tot monumenten van macht. De arbeidsomstandigheden van de mannen die het marmer mijnden waren uiteraard abominabel, de kampen rond de groeven bevolkt door outlaws, ex-gevangenen en buitenlanders op de vlucht voor het bevoegd gezag in het land van herkomst. Carrara was eind 19de eeuw dan ook een broeinest van anarchie en opstand.
Nog steeds worden grote blokken marmer uit de Apuaanse Alpen gehaald, de groeven lijken van ver op de resten van gletsjers. Een deel van die Alpen hebben nu een beschermde status als natuurpark.

Gisteren reden we langs de vestingmuren van Lucca achter een benzine lekkende auto. Het moet een flink lek zijn, want het is niet alleen een ruikbaar, maar ook een zichtbaar spoor. In deze hitte zou een vonk genoeg kunnen zijn voor een ontploffing. Met luid getoeter en wild uit het raam zwaaiende armen proberen we de auto te laten stoppen. Pas als er een politieauto met carabinieri poolshoogte komt nemen stopt de auto. Ik spring uit de onze. Een van de carabinieri vraagt wat er aan de hand is. Kijk, wijs ik, een lek, benzine, gevaarlijk. Uit de lekkende auto is een vrouw gekomen die zichtbaar verbleekt. Ze werpt haar handen in de lucht en roept: wat moet ik doen? Op aanwijzing van de politie parkeert ze op de eerste vrije plaats langs de weg. Ze laat een plas benzine achter op het wegdek. Wij rijden door naar Pisa.
Daar staan op de Piazza dei Miracoli behalve een scheve toren een Duomo en een Baptisterium, waarvoor de eerste stenen in de elfde eeuw werden gelegd. Ze vormen de gangbare drie-eenheid in de Toscaanse steden: de kerk of dom, of kathedraal; de doopkapel en de campanile. De deuren van de Dom zijn versierd met bronzen reliëfs van de lokale beeldhouwer Bonanus Pisanus. Sommige reliëfs glimmen aan de uitsteeksel van de aanraking van duizenden gelovige handen.
De scheve toren is het meest in trek bij de massa bezoekers, er staat een rij te wachten om de toren te beklimmen. Ik hoor een Indiase man in zangerig Engels aan de kaartjescontroleur vragen hoeveel het kost. Twintig euro. Voor de hele familie, vraagt de Indiër hoopvol. Nee, per persoon. Even later zie ik hem met vrouw en twee kinderen toch in de rij staan. Van bovenop de toren heb je natuurlijk wel een prachtig uitzicht op het plein en de rest van Pisa.
Aan de rand van het plein waar de stad begint prijkt op een bioscoopmuur een ET-achtige figuur, op een meer dan levensgroot in volmaakt contrast met de verstilde vormen van de gewijde gebouwen. Ernaast een overvol terras, en op een hoek een ijswinkel met ervoor een aantal paardenkoetsen, voor de toeristen die zich liever met paard en wagen door de stad laten rijden dan op elkaar gepakt in een treintje.
De scheve toren oefent ook een onverwoestbare aantrekkingskracht uit mensen die een foto willen maken, precies zó dat het lijkt alsof ze de toren omduwen of juist recht proberen te zetten. Een jongen neemt zelfs een kungfu vechthouding aan, een been de lucht in met een trappende beweging, alsof hij met een welgemikte stoot de toren hoogstpersoonlijk scheef zet. Het is een koddig gezicht, de modellen die de aanwijzingen van de fotograaf proberen op te volgen voor het perfecte plaatje (nee, nog ietsje hoger, ja, goed, nou iets naar links…).
Wij verwisselen het drukke plein voor de botanische tuin, gesticht in 1543, en daarmee een van de oudste. De tuin zelf is licht verwaarloosd, maar dat hefet wel iets charmants, en het is er koel en heerlijk rustig. We wandelen langs de perken met hun bordjes, bloemetjes en planten, en door de kassen met cactussen, bananenbomen en reuze lotusbladeren die als borden met opstaande rand op water drijven dat bijna borrelt van het leven. Achter de kassen is een rotstuin, een bamboebos en groeien en bloeien er acantussen als onkruid. Twee kikkers blazen hun wangetjes bol bij het tegen elkaar opkwaken in een vijvertje met lotusbloemen. Het museum dat bij de tuin hoort huist in een vervallen palazzo, de verf bladdert van de kozijnen. In de voorhal een vitrine met in de tuin aangetroffen vogelnestjes, met plaatjes van het bij het nestje behorende vogeltje.

Door de heuvels die de vlakte omringen volgen we een stukje van de Strada dell’ Olio, via soms onmogelijk smalle weggetjes van idyllisch dorp naar oeroud kasteel of romaans kerkje. De kerkjes staan open, je kunt er net zo lang in rondhangen als je wilt. Het is er koel (buiten is het 33 graden) en er is veel te zien: schilderijen van Maria en engelen als putti met bolle buikjes en vleugeltjes zo klein dat je je afvraagt of ze die mollige figuurtjes wel in de lucht kunnen houden, biechtstoelen met een rood gordijntje om gelovige en biechtvader te scheiden, oude houten banken met en zonder leuning. Muurschilderingen, deels verborgen achter later aangebrachte stuclagen, een akelig levensechte kwijnende Christus aan zijn kruis. En kitch, in de vorm van zoete Mariabeeldjes en plastic ruikertjes met rozen en korenaren. De dorpjes hebben oude toegangspoorten, steile steegjes met gegroefd plaveisel zodat de paarden er niet over uitgleden, tuintjes met pergola’s vol rozen, bougainville of wijnranken met zicht op de heuvels. In elke muur een nisje met een Mariabeeldje.
Aan de voet van een twaalfde vierkante eeuwse toren van een burcht zit een vrouw in de schaduw te breien. Een hond aan haar voeten.
Het landschap is overdonderend groen, ondoordringbaar bos afgewisseld met kleine olijfboomgaarden. Af en toe een sinaasappel- of citroenboom vol fruit. In de bermen een overdaad aan bloemen, klaprozen, margrieten en kleine paarse bloemetjes die lijken op akelei.
Thuis zien we vanaf het terras voor ons huisje de nacht vallen. Er schijnt een half maantje. De dichtbevolkte vlakte van de Valdarno tussen Pisa en Florence licht op door duizenden lichtjes.

Brief uit Val Paraone, Savona

Terwijl in Nederland vuurwerk door de brievenbus van het D’66 kantoor wordt gepropt; ‘bezorgde burgers’ er geen been in zien brand te stichten in een opvang voor vluchtelingen en de brandweer tegen te houden als die wil komen blussen, en Premier Rob tijd blijkt te hebben om bij Bonaire in zee te zwemmen (waar een zeedier voor ons de honneurs waarneemt en hem prikt tot hij onwel wordt), zit ik aan een met zonnebloemenkleed bedekte tafel in een gehucht in Ligurië, Italië.
Het is bewolkt en fris, maar aan de schaduwen op het hellende weggetje naar het volgende huis zie ik dat de zon zich door de wolken weet te stralen. Het terras waar ik op zit hoort bij een huisje dat we voor een weekje huren in een dorp van 400 inwoners, in de heuvels, bergen van de Italiaanse Voor-Alpen. De borgo ligt aan de Strada Provinciale 35, een smalle geasfalteerde weg die op loopafstand van het huisje overgaat in een zandpad. Het is er stil, op vogelgeluiden na en af en toe een flard Italiaans uit een van de huizen rond ons optrekje. Het landschap bestaat uit glooiiende hellingen en het uitzicht is prachtig: beboste heuvels met af en toe een gehucht met een kerkje dat boven de rozigrode daken uitsteekt. Klokken klepperen vanuit verschillende torentjes de uren weg.
Bij aankomst worden we begroet door Sabrina en Flavio, die in een huis aan de andere kant van de straat wonen en onze gastgevers zijn. Op tafel in het huisje staan ter verwelkoming een schaal citroenen van eigen boom, een flesje olie van eigen olijven (met een geborduurd etiket aan de hals gebonden waarop ‘our oil’ staat) en een vaasje met artisjokken. In de houtkachel brandt een vuurtje, want het kan fris zijn ’s avonds. Flavio komt met een arm vol hout die hij in een kist naast de kachel legt, voor als we het nodig hebben (nog niet).
Het dorpje is een mengsel van oude en nieuwe huizen. Omdat deze streek aan het verarmen was (is?) hebben de bewoners een Europese subsidie kunnen aanspreken om de berggemeenschapjes te redden en moderne huizen te bouwen met waterleiding en riolering. In het dorpje nog sporen van voor die tijd: op verschillende plekken waterpunten die nu in onbruik zijn geraakt. Sabrina vertelt ons dat we het water uit de kraan kunnen drinken: het komt rechtstreeks uit de bergen. Bij een verlaten huis in de buurt komt onder onze voetstappen het kruid in de voortuin tot leven en vult de lucht zich met de geur van tijm.
Gisteren, tijdens een wandelingetje, behalve wat droog aandoende aardappelveldjes, ook olijfboomgaardjes, goed onderhouden perzik- en vijgenbomen, verwilderde kersenbomen en andere sporen van wat ooit een gemeenschap van zelfvoorzienende keuterboertjes moet zijn geweest. Veel overwoekerde terrasjes. Ritselende waterstroompjes. Ik zie voor het eerst olijven-in-de-dop aan de bomen, en ook aan de druivenplanten beginnen de vruchten al te groeien. Op en rond de paadjes in het bos sporen van dieren die aan het wroeten zijn geweest. Een man en een vrouw werken in hun veldje, ze wensen ons vriendelijk ‘una bella passeggiata’.

Vanuit Marseille volgden we eerst een weggetje dat zich door de heuvels slingerde, met afwisselend zicht op de Middellandse zee en dichtbeboste hellingen. Hoewel dat prachtig was, zijn we voordat we verzeild zouden raken in de Côte d’Azur van Saint Tropez, Cannes Nice en Monaco op tolwegen (met veel tunneltjes) verder gegaan richting Italië. De kust tussen Marseille en de Italiaanse grens lijkt – op het natuurreservaat waar we ons doorheen kronkelden – volledig overgeleverd aan het toerisme: van hoog boven de kust zien we niets dan hoteltorens, haventjes met jachten, cruiseschepen. Ik las over protesten tegen cruiseschepen omdat ze zo vervuilend zijn, en vermoed dat ook in Marseille wel geprotesteerd zal worden tegen de drijvende toeristeneilanden die er aanmeren. Elke avond zag ik er een of twee uitvaren. Ik moest denken aan de serie artikelen die ik las van Jonah Falke die met zo’n cruise meegaat en zijn ervaringen deelt. Je bent, ondanks alles, toch nieuwsgierig hoe het is, zo’n cruise, en als men me zou vragen om, net als Jonah, een reisje mee te maken en er verslag van te doen, zou ik ook geen nee zeggen. Al zien die grote witte drijvende ’s avonds helverlichte afgeknotte piramides vanuit de hoogte van de heuvels van Marseille er niet per se aantrekkelijk uit.
Eenmaal in Italië blijft de kust volgebouwd, maar minder dicht, en hoe dichter we bij onze bestemming komen, hoe minder hoteltorens ik zie. Een stuk van de weg voert langs aan de ene kant van mijn blikveld een helderblauwe zee, en aan de kant besneeuwde bergtoppen – nogal in de verte maar toch. Het gaf me een onmetelijk rijk gevoel: dat ik hier ben, tussen zee en bergen, voortrijdend naar het nog ongeziene.

Ligurië is een belangrijk economisch centrum. Toerisme is de belangrijkste sector, ‘miljoenen bezoekers worden aangetrokken door de prachtige kusten, de authentieke dorpjes en het rijke culturele erfgoed.’ Genua (onze volgende bestemming), San Remo (art nouveau casino) en Portofino (glamour en glitter en luxejachten) zijn populair. Ook is er scheepsbouw, chemische industrie en metaalindustrie. (Waar we godlof in ons dorpse lustoord niets van merken).
De haven van Genua is de grootste van Italië (daar merken we straks misschien wel wat van. Ik vind haven interessante, rare plekken, tussengebieden gewijd aan de god van de bedrijvigheid, en meestal met oude wortels waarvan je je, als je je best doet, best een voorstelling kan maken. Ik ben ooit in de haven van Jakarta scheepgegaan op een veerboot, dat helpt).
Producten als olijfolie, wijn, fruit en groenten dragen bij aan de welvaart van de regio, al merk je die niet echt, hier in het dorpje, dat er, op de geparkeerde auto’s na, in de middeleeuwen ongeveer hetzelfde moet hebben uitgezien. Misschien iets minder hoge huizen, misschien iets meer geiten, iets meer volk ook, werkzaam op de uitgehakte terrasveldjes, maar verder heb je niet echt veel fantasie nodig om de ezelkarren over de paden te horen rammelen, en de vrouwen met manden fruit op hun rug richting de kust te zien lopen om handeltjes te drijven.
Ligurië dus, het commerciële en industriële hartland van Italië. Met pittoreske havenstadjes, middeleeuwse bergdorpjes en parelwitte stranden. Die hagelwitte stranden en die jachthaventjes laten me min of meer koud. Ik word warmer van de beboste hellingen en de gehuchten en de stilte die hier hangt. In een blog over de Ligurische keuken lees ik dat die ‘authentiek en uitmuntend’ is. Het schijnt dat Italianen – de dorpse, eenvoudige variant – over het algemeen gezonder ouder worden vanwege de zongerijpte tomaten en andere groenten die ze eten en de overal overvloedig overheen gesprenkelde extra vierge olijfolie, uiteraard koud geperst.

In Marseille zochten we een plek om Bouillabaisse te eten, de echte, traditionele. Er zou een klein vissershaventje zijn aan de rand van de stad waar ze nog de originele, volgens overgeleverd familierecept etc… Dat moet echter in vervlogen tijden geweest zijn. Het haventje is er nog, vol kleine jachtjes, en rondom zoveel mensen dat ik moet denken aan zo’n strooplint dat vliegen vangt. De sfeer is er best prettig, de mensen uitgelaten en blij gezeten aan hoge ronde tafeltjes, met voor zich een bier (de mannen) of een aperol spritz, met schijfje sinaasappel en een rietje (de vrouwen), maar het is er wel heel erg druk. Je hoeft bij wijze van spreke, alleen maar je nek een beetje uit te streken om het glas van je buurvrouw via dat rietje leeg te drinken.
Volgens Chedli, de verhuurder van ons Tiny House, hadden we niets gemist, wat betreft die vissoep, en konden we die maar beter uit ons hoofd zetten. Want wat van oudsher een armeluisgerecht met visresten in van graten, koppen en staarten getrokken bouillon was, is een op toeristen gerichte luxeproduct geworden, waar je teveel betaalt voor te weinig. We grasduinen nog wat in menukaarten van bistro’s en andere eetgelegenheden, maar eten uiteindelijk Koreaans in een achterafstraatje van de Court Julien, het Quartier Latin van Marseille, met restaurantjes, bars, bedelaars, stoepslapers en muren volgespoten met grafitti.

Tegenover me zijn twee vrouwen hun planten rond het terras aan het opbinden, terwijl ze rustig met elkaar keuvelen. Rond hen huppelt een hond met een belletje om zijn nek. Om bij ons optrekje te komen moet je een trapje af langs een muur waar tussen de natuurstenen vetplanten groeien. Alles is hier steil, dus zijn er overal trappen en trappetjes. De postbode komt langs in een geel hesje. Enthousiast begroet ze de hond met het belletje. Er is nu een jonge man aangekomen die omhoog en omlaag sjouwt met planten en aarde.
Wij doen een wasje in de wasmachine en maken een uitstapje naar Albenga, aan de kust.

We parkeren in een niet al te aantrekkelijke buitenwijk tegenover een supermarkt (Intermarché locale) waar ik later verse gnocchi en echte pesto koop voor het avondmaal. De mensen in de buurt van Genua nemen hun pesto serieus. De beste wordt gemaakt met basilicum uit Pra, dat ten westen van Genua ligt en die is mild en zoet, met de beste pijnboompitten, olie van de taggiasca olijf en met vessalico knoflook. Alle ingrediënten tot een fijne saus gestampt in een marmeren vijzel met een houten stamper.

Het centrum van het stadje is oud. Albenga werd al door pre-Romeinse stammen bewoond. Ik moet er nog even aan wennen dat ik in Italië ben, het thuisland van de Romeinen, waar het dus heel gewoon is dat die er sporen achterlieten, zoals hier niet ver vandaan een van de oude via’s – de Via Julia Augusta – die het stadje verbond met zuid Frankrijk en met Spanje.
Hoge, vierkante middeleeuwse torens rond een pleintje. Een van de torens wordt met dikke banden die lijken op riemen die vrachtwagenchauffeurs gebruiken om hun lading mee vast te sjorren bij elkaar gehouden. Bij de torens een kerkje (Albenga had in de 5de eeuw een bisschop en was in de laatantieke tijd een belangrijke haven- en handelsplaats). Die kerk is van binnen een interessante mengeling van zichtbaar oude fundamenten en bogen, en minder oude heiligenbeelden. In een soort vitrine onder een altaartje is het lichaam van Christus uitgestald, druipend van het bloed uit zijn kruisigingswonden; verderop verschijnt Maria in een grot die lijkt te zijn gemaakt van papier maché aan Bernadette of een andere heilige.
Langs de kerk lopend komen we bij een gebouw dat in de grond weggezakt lijkt. Het is afgesloten met een hek, maar we hebben geluk: er staan een paar mensen binnen rond een vrouw met een sleutel in de hand. De mensen gaan vrij snel weg, maar wij mogen blijven kijken. Het is een wonderschoon baptisterium uit de vijfde/zesde eeuw dat heel goed bewaard is gebleven. Behalve dan de originele dakbedekking, die de restaurerende Portugese architect in de 19de eeuw voor nep aanzag en dus heeft vervangen, vertelt de Italiaanse met de sleutel, maar ik begrijp pas echt wat ze zei als ik het later nalees.
Middenin bevindt zich nog het bassin waarin de dopeling in zijn geheel werd ondergedompeld. In een van de nissen een geweldig mozaïek in overwegend blauw en wit met wat goud, van twee lammeren in een bloeiende weide aan weerzijden van een kruis. Erboven een cirkel van twaalf duiven rond het Christusmonogram. Op een stenciltje in het Duits lees is dat de lammeren het gelovige volk zijn in de weide die het paradijs symboliseert en het kruis het offer van de heiland. De duiven staan voor de apostelen en de heilige geest.
In hetzelfde stencil staat ook dat de kapel niet weggezakt is, maar op laatantieke straathoogte staat en de rivier die door de stad stroomde in de middeleeuwen zijn loop heeft verlegd, waardoor de haven van Albenga dichtslibde. De stad deed onder eigen vlag mee aan de eerste kruistocht, maar na de middeleeuwen was het gedaan met de glorie, en in de moderne tijd is Albenga nooit zo’n bloeiende badplaats geworden dan andere plaatsen aan de Italiaanse Rivièra. Het zal voor de van toeristen levende bewoners een bittere pil zijn, maar ik ben er stiekem wel blij om.

(afbeelding uit kerkje in Albenga, mei 2026)

Brieven uit Polen

Brieven uit Polen - Saskia Kunst- 2025

Deze ‘Brieven uit Polen’ zijn geschreven in de zomer van 2025 tijdens een tocht door Polen.
Ik bezocht daar de plaatsen waar de Holocaust zich heeft voltrokken, om meer inzicht te krijgen in de omstandigheden waardoor we zo snel verrechtsen en waaronder de huidige genocide in Palestina plaatsvindt.

Of dat gelukt is, durf ik (nog) niet te zeggen, maar door me te verdiepen in de geschiedenis zijn de parallellen tussen toen en nu helderder geworden.
De verbanden tussen het nazisme van toen, het opkomend
fascisme van nu; gecultiveerd slachtofferschap, nationalisme,
superioriteitsgevoel, de haat tegen anderen die – als je even niet
oplet – ontaarden kan in uitsluiting, deportatie, massamoord.
Dat wegkijken de meest gangbare attitude is, medeplichtigheid altijd op de loer ligt, en dat bijna niemand in staat is om ‘de ander’ te behandelen als hij zelf behandeld wil worden, zeker niet als er gebrek is en er gevaar dreigt. En dat, ondanks al dat, de hoop op betere tijden en verlangen naar rechtvaardigheid altijd de motor is voor verzet, hoe klein ook.

Lees de brieven via de link: Saskia Kunst – Brieven uit Polen – 2025

Schindler’s Lift

Paulina Stasik

De afgelopen vier jaar heb ik minstens één keer per week aan Schindler gedacht. Oskar Schindler. Wekelijks stap ik in een lift in die zijn naam draagt, en onderweg naar de twaalfde verdieping van een groot kantoorgebouw volgen mijn gedachten een eigen parcours: via een filmstill van Liam Neeson als Oskar en de Schindlerjoden glijdt mijn blik vluchtig over kamp Plaszov, waar commandant Amon Göth van zijn balkon aan het schieten is op zijn gevangenen. Door een lommerrijke omgeving naar het grauwe getto van Krakau, waar ik de vrouw van Hans Frank, de gouverneur van het door de nazi’s bezette Generaal Gouvernement volg bij het boodschappen doen. Zij shopte graag in het getto: de hemdjes waren er nog van ouderwetse kwaliteit en de bontjassen spotgoedkoop.

Oskar Schindler, door Steven Spielberg vereeuwigd in de film Schindler’s list, was een Sudetenduitser die niet erg succesvol was in zaken, maar dat wel heel graag wilde zijn, zonder zich daarvoor teveel te hoeven inspannen. De bezetting van Polen door de Duitsers bood hem een unieke kans. Schindler werd in 1939 lid van de NSDAP, en kon in Krakau een onteigend joods bedrijf voor een koopje overnemen. Arbeid kostte geen vermogen: loon werd er niet betaald, er waren slechts een luttel aantal marken per dwangarbeider per dag verschuldigd aan de nazi regering. Wel moest je om mee te draaien in het systeem regelmatig drinken in het gezelschap van beulen als Amon Göth en zijn geuniformeerde vrienden, maar dat had Oskar er voor over.

Hij ontfermt zich over de Deutsche Emailwaren Fabrik (DEF), waar potten en pannen worden geëmailleerd. Om de fabriek weer op de rails te krijgen stelt hij een van de voormalige joodse eigenaren aan als bedrijfsleider. Onder diens bezielende leiding, en aangespoord door boekhouder Itzhak Stern, ontpopt Schindler zich tot redder van zijn arbeiders. Met slijmerij en fusten cognac, omkoping en de nodige mazzel weet hij zijn arbeiders uit de raderen van de moordmachinerie om hen heen te houden. Zijn geld verdient hij meer op de zwarte markt dan met zijn fabriek.
Hij krijgt het voor elkaar om zijn arbeiders bij de werkplaats in een eigen kamp te mogen onderbrengen. Zo houdt hij ze veilig als het getto ontruimd wordt, en ontsnappen ze aan de wrede willekeur van Plaszov. Als aan het eind van de oorlog liquidatie dreigt, begint hij een nieuwe fabriek annex kamp in Brünnlitz. Zijn arbeiders neemt hij mee. 300 van zijn vrouwelijke arbeiders worden tijdens het transport naar Brünnlitz per abuis naar Auschwitz gevoerd. Schindler weet ze terug te halen. Ze overleven de oorlog.
Hij wordt, als nazipartijlid en vermeend intimus van Göth en trawanten na de oorlog, berooid en beschadigd, gearresteerd. Op voorspraak van ‘zijn joden’ wordt hij vrijgelaten. Door Schindler’s List is zijn nagedachtenis afgestoft, en krijgt de opportunist die een geweten ontwikkelde én ernaar handelde een ereplek op het podium van de ‘rechtvaardigden onder de volken’. Ongeveer 1200 mensen danken zijn leven aan hem.

In Krakau is zijn fabriek vast onderdeel van de ‘jodenvervolgingroute’. Je kunt tripjes boeken die beloven je in één dag langs de hoogtepunten van de Holocaust te voeren: stop 1- het bij Krakau gelegen vernietigingskamp Auschwitz, stop 2- Schindler’s fabriek en alle locaties waar ‘de film’ is opgenomen en tenslotte, stop 3- een restant van de gettomuur. Desgewenst kan de dag worden afgesloten met een bezoek aan de beroemde Wieliczka zoutmijn, waar uit het zout sculpturen en kapellen zijn gehakt. 

Omdat Schindler en de verhalen rond hem al zo lang in mijn hoofd wonen, sluit ik tijdens mijn bezoek aan Krakau aan in de rij voor zijn fabriek, nu museum. De rij gaat uiterst traag vooruit richting ingang, die omkranst wordt door portretjes van de door Schindler geredde mensen. Het is warm. Ik voel me steeds minder op m’n gemak daar in die rij in de hitte, en besluit dat ik eigenlijk niet zo nodig naar binnen hoef om Schindler en de geschiedenis recht te doen.
Een paar meter verderop is de onopvallende ingang van MOMAK, het museum voor moderne kunst. Net als het Schindler Museum gevestigd in een van de hallen van de zorgvuldig gerestaureerde voormalige emailleerfabriek.
Met elk schilderij dat ik bekijk verdwijnt er meer van het beklemmende gevoel dat me bekroop in de rij voor DEF, aangejaagd door het getoeter en de flarden geschiedenis uit de speakertjes van de af- en aan rijdende golfkarretjes vol Schindler toeristen. Het museum is een verademing, groots opgezet en interessant. Ik neem de beelden mee voor als ik straks weer de Schindler lift in zal stappen.

Afbeelding: Paulina Stasik (1990), MOMAK, Krakau 

Overbodige eters

Volksgenosse, das ist auch Dein Geld - Neues Volk

De eerste gaskamer die ik zag was witgepleisterd. In de ruimte stonden portretten op ijzeren staven, wat me deed denken aan hoe sommige mensen ansichtkaarten als decoratie neerzetten. De portretten waren van mensen die in de gaskamer waren vermoord; mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking.
Het was in Pirne, in Sonnenstein, een van de oudste psychiatrische inrichtingen in Duitsland, in de duistere jaren een van de centra waar Aktion T4, een eugenetische operatie om het Duitse ras gezond te houden, in 1940 en 1941 werd uitgevoerd. De naam T4 verwijst naar het hoofdkwartier van de Aktion aan de Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, want er waren meer van dit soort centra. Zeker 70.000 mensen werden in die twee jaren in tot gaskamers omgebouwde kelders, vrachtwagens of door dodelijke injecties vermoord omwille van het idee van raszuiverheid.
De Gedenkstätte is nieuw, in de DDR-tijd was er weinig aandacht voor slachtoffers die niet als antifascistisch konden worden gekwalificeerd, en wat herdenken betreft had men zowel in Oost als in West sowieso de handen vol aan de Holocaust.
Het instituut is nog steeds een ziekenhuis. Op het plein voor de herdenkingskelder zitten bewoners op een bank in de zon. Een van hen graait met zijn handen in de lucht en vertelt met verve een verhaal in een klankenpalet waarvan ik de betekenis niet ken. Zijn publiek luistert met open mond.

Eugenetica – het manipuleren van menselijk leven – is geen uitvinding van de nazi’s, en is ook niet in 1945 ter ziele gegaan. Het idee dat mensen maakbaar zijn, en ‘vlekjes’ kunnen of moeten worden weggepoetst is wijdverbreid.
In Amerika bedachten schedelmetende onderzoekers en veeboeren met een voorliefde voor raszuiverheid dat je, als je het perfecte rund kon creëren door natuurlijke selectie een handje te helpen, je die kennis ook op mensen moest kunnen toepassen.
De Brit Galton, antropoloog en neef van Darwin, zag eind negentiende eeuw wel wat in het toepassen van de survival of the fittest theory op zijn medemens.
In Australië probeerde de blanke indringers nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Aboriginal bloed uit de oorspronkelijke bewoners te fokken. Er was ontdekt dat sommige Aboriginal kindjes blond haar hadden. Dat was genoeg voor de raszuiverheidspioniers om ervan uit te gaan dat er dus toch iets van waarde in het genetisch materiaal van de oorspronkelijke bewoners moest zitten, dat verdund was geraakt in de loop der tijd. Het onterende experiment was erop gericht die verdunning terug te draaien.
In India werden tijdens de Emergency onder leiding van Sanjay, zoon van toenmalige minister president Indira Gandhi, op grote schaal gedwongen sterilisaties verricht, niet toevallig vooral bij lage kaste-hindoes en moslims; een praktijk die ook nu in verschillende landen nog populair is om groei van bepaalde minder gewenste bevolkingsgroepen te beperken.
Ook in Nederland zijn mensen gedwongen onvruchtbaar gemaakt om te voorkomen dat ze in staat zouden zijn zich voort te planten. Het was tot 2014 standaardpraktijk bij mensen die een geslachtsverandering ondergingen. Bij tijd en wijle laait de discussie over eugenetica weer op, bijvoorbeeld rondom abortus bij erfelijke ziekten of vastgestelde afwijkingen aan de foetus.

Al is de moeite die de nazi’s hadden met mensen die niet voldeden aan de door hen verbeelde ‘gezonde geest in een gezond lichaam’ dus niet uniek, hun oplossing was karakteristiek meedogenloos.
Aktion T4 begon in 1939. Bij iedereen die afweek van de nazinorm en het Germaanse ras door voortplanting kon verzwakken, moest voorkomen worden dat het ondeugdelijke genetisch materiaal kon worden doorgegeven. Elk leven dat in de ogen van de nazi’s niet volwaardig was, kon maar beter worden beëindigd. De genade dood noemde men dat, ter voorkoming van onnodig lijden. En passant werd zo ook afgerekend met ‘nutteloze eters’, mensen die onderhouden moesten worden zonder dat ze er iets voor terug gaven.
Het programma stond onder leiding van artsen die de patiënten beoordeelden op aandoening, eventuele bruikbaarheid en mate van lijden, met een scherp oog voor de kosten die bespaard konden worden als er niet behandeld werd. Verpleegkundigen hielpen gedwee mee om de mensen die met bussen vanuit hun instellingen werden aangevoerd na de keuring de gaskamer in te leiden.
Af en toe werden er zieken uit concentratiekampen opgebracht, dat waren immers als ze niet meer konden werken ook nutteloze eters.
In 1941 werd vanuit de katholieke kerk bezwaar gemaakt tegen het doden van onschuldige Duitse burgers, en omwonenden klaagden in toenemende mate over de stank van het crematorium en andere overlast. De commotie had enig effect, maar Aktion T4 werd niet opgeheven; het ging op een lager pitje door, waarbij uithongering de plaats van vergassing innam. De patiënten stierven in hun eigen instellingen, verspreid over het land, zodat het minder in het oog liep.

Ondertussen prepareerden de centra van T4 personeel dat gewend raakte aan het transporteren, selecteren en ombrengen van onschuldige, weerloze mensen. Mensen die experimenteerden met vergassing; die de voors- en tegens van koolmonoxide overwogen en zich afvroegen wat nou efficiënter was: een vaste  gaskamer of rijdende gasbussen. Die uitvonden hoeveel van het bestrijdingsmiddel Zyklon B nodig was om mensen dood te maken, en hoe lang dat dan duurde.
Elke handeling werd uitgevoerd door in de praktijk geschoold personeel, dat zijn nut en dienstbaarheid bewezen had en na de ervaring opgedaan bij T4 rijp was  voor verdere arbeid in Polen. Daar pasten ze de kennis toe en perfectioneerden de moordmethoden in de vernietgingskampen van Aktion Reinhard: Belzec, Treblinka en Sobibor, waar in 1942 en 1943 anderhalf tot twee miljoen mensen werden omgebracht. Poolse burgers, joods en niet-joods, uit het directe zicht van de Heimat.