Het is half elf. Eerste pinksterdag. Van overal om me heen beginnen de klokken van kerkjes in kleine Toscaanse dorpjes te luiden, ter verwelkoming van de Heilige Geest. En God weet dat we die ‘geest van liefde’ als mensheid meer dan ooit nodig hebben.
We logeren in Massa e Cozille, een van de vlekjes op de lappendelen aan dorpjes op de heuvels tussen Pisa en Florence. Het is warm, 30 graden zinderende Italiaanse zon. De lucht is zwanger van de zware geur van overdadig bloeiende Toscaanse jasmijn, hier zo gangbaar als liguster bij ons.
De weg hierheen voerde langs Carrara, de ‘marmerhoofdstad van de wereld’, waar Michaelangelo persoonlijk zijn stenen kwam uitzoeken. Vanaf de oudheid is het marmer uit deze streek geliefd, vooral de stralend witte variant. Er zijn sporen van honderden mijnen. Het marmer werd over de hele wereld verscheept om te worden omgevormd tot monumenten van macht. De arbeidsomstandigheden van de mannen die het marmer mijnden waren uiteraard abominabel, de kampen rond de groeven bevolkt door outlaws, ex-gevangenen en buitenlanders op de vlucht voor het bevoegd gezag in het land van herkomst. Carrara was eind 19de eeuw dan ook een broeinest van anarchie en opstand.
Nog steeds worden grote blokken marmer uit de Apuaanse Alpen gehaald, de groeven lijken van ver op de resten van gletsjers. Een deel van die Alpen hebben nu een beschermde status als natuurpark.
Gisteren reden we langs de vestingmuren van Lucca achter een benzine lekkende auto. Het moet een flink lek zijn, want het is niet alleen een ruikbaar, maar ook een zichtbaar spoor. In deze hitte zou een vonk genoeg kunnen zijn voor een ontploffing. Met luid getoeter en wild uit het raam zwaaiende armen proberen we de auto te laten stoppen. Pas als er een politieauto met carabinieri poolshoogte komt nemen stopt de auto. Ik spring uit de onze. Een van de carabinieri vraagt wat er aan de hand is. Kijk, wijs ik, een lek, benzine, gevaarlijk. Uit de lekkende auto is een vrouw gekomen die zichtbaar verbleekt. Ze werpt haar handen in de lucht en roept: wat moet ik doen? Op aanwijzing van de politie parkeert ze op de eerste vrije plaats langs de weg. Ze laat een plas benzine achter op het wegdek. Wij rijden door naar Pisa.
Daar staan op de Piazza dei Miracoli behalve een scheve toren een Duomo en een Baptisterium, waarvoor de eerste stenen in de elfde eeuw werden gelegd. Ze vormen de gangbare drie-eenheid in de Toscaanse steden: de kerk of dom, of kathedraal; de doopkapel en de campanile. De deuren van de Dom zijn versierd met bronzen reliëfs van de lokale beeldhouwer Bonanus Pisanus. Sommige reliëfs glimmen aan de uitsteeksel van de aanraking van duizenden gelovige handen.
De scheve toren is het meest in trek bij de massa bezoekers, er staat een rij te wachten om de toren te beklimmen. Ik hoor een Indiase man in zangerig Engels aan de kaartjescontroleur vragen hoeveel het kost. Twintig euro. Voor de hele familie, vraagt de Indiër hoopvol. Nee, per persoon. Even later zie ik hem met vrouw en twee kinderen toch in de rij staan. Van bovenop de toren heb je natuurlijk wel een prachtig uitzicht op het plein en de rest van Pisa.
Aan de rand van het plein waar de stad begint prijkt op een bioscoopmuur een ET-achtige figuur, op een meer dan levensgroot in volmaakt contrast met de verstilde vormen van de gewijde gebouwen. Ernaast een overvol terras, en op een hoek een ijswinkel met ervoor een aantal paardenkoetsen, voor de toeristen die zich liever met paard en wagen door de stad laten rijden dan op elkaar gepakt in een treintje.
De scheve toren oefent ook een onverwoestbare aantrekkingskracht uit mensen die een foto willen maken, precies zó dat het lijkt alsof ze de toren omduwen of juist recht proberen te zetten. Een jongen neemt zelfs een kungfu vechthouding aan, een been de lucht in met een trappende beweging, alsof hij met een welgemikte stoot de toren hoogstpersoonlijk scheef zet. Het is een koddig gezicht, de modellen die de aanwijzingen van de fotograaf proberen op te volgen voor het perfecte plaatje (nee, nog ietsje hoger, ja, goed, nou iets naar links…).
Wij verwisselen het drukke plein voor de botanische tuin, gesticht in 1543, en daarmee een van de oudste. De tuin zelf is licht verwaarloosd, maar dat hefet wel iets charmants, en het is er koel en heerlijk rustig. We wandelen langs de perken met hun bordjes, bloemetjes en planten, en door de kassen met cactussen, bananenbomen en reuze lotusbladeren die als borden met opstaande rand op water drijven dat bijna borrelt van het leven. Achter de kassen is een rotstuin, een bamboebos en groeien en bloeien er acantussen als onkruid. Twee kikkers blazen hun wangetjes bol bij het tegen elkaar opkwaken in een vijvertje met lotusbloemen. Het museum dat bij de tuin hoort huist in een vervallen palazzo, de verf bladdert van de kozijnen. In de voorhal een vitrine met in de tuin aangetroffen vogelnestjes, met plaatjes van het bij het nestje behorende vogeltje.
Door de heuvels die de vlakte omringen volgen we een stukje van de Strada dell’ Olio, via soms onmogelijk smalle weggetjes van idyllisch dorp naar oeroud kasteel of romaans kerkje. De kerkjes staan open, je kunt er net zo lang in rondhangen als je wilt. Het is er koel (buiten is het 33 graden) en er is veel te zien: schilderijen van Maria en engelen als putti met bolle buikjes en vleugeltjes zo klein dat je je afvraagt of ze die mollige figuurtjes wel in de lucht kunnen houden, biechtstoelen met een rood gordijntje om gelovige en biechtvader te scheiden, oude houten banken met en zonder leuning. Muurschilderingen, deels verborgen achter later aangebrachte stuclagen, een akelig levensechte kwijnende Christus aan zijn kruis. En kitch, in de vorm van zoete Mariabeeldjes en plastic ruikertjes met rozen en korenaren. De dorpjes hebben oude toegangspoorten, steile steegjes met gegroefd plaveisel zodat de paarden er niet over uitgleden, tuintjes met pergola’s vol rozen, bougainville of wijnranken met zicht op de heuvels. In elke muur een nisje met een Mariabeeldje.
Aan de voet van een twaalfde vierkante eeuwse toren van een burcht zit een vrouw in de schaduw te breien. Een hond aan haar voeten.
Het landschap is overdonderend groen, ondoordringbaar bos afgewisseld met kleine olijfboomgaarden. Af en toe een sinaasappel- of citroenboom vol fruit. In de bermen een overdaad aan bloemen, klaprozen, margrieten en kleine paarse bloemetjes die lijken op akelei.
Thuis zien we vanaf het terras voor ons huisje de nacht vallen. Er schijnt een half maantje. De dichtbevolkte vlakte van de Valdarno tussen Pisa en Florence licht op door duizenden lichtjes.

