Schindler’s Lift

De afgelopen vier jaar heb ik minstens één keer per week aan Schindler gedacht. Oskar Schindler. Wekelijks stap ik in een lift in die zijn naam draagt, en onderweg naar de twaalfde verdieping van een groot kantoorgebouw volgen mijn gedachten een eigen parcours: via een filmstill van Liam Neeson als Oskar en de Schindlerjoden glijdt mijn blik vluchtig over kamp Plaszov, waar commandant Amon Göth van zijn balkon aan het schieten is op zijn gevangenen. Door een lommerrijke omgeving naar het grauwe getto van Krakau, waar ik de vrouw van Hans Frank, de gouverneur van het door de nazi’s bezette Generaal Gouvernement volg bij het boodschappen doen. Zij shopte graag in het getto: de hemdjes waren er nog van ouderwetse kwaliteit en de bontjassen spotgoedkoop.

Oskar Schindler, door Steven Spielberg vereeuwigd in de film Schindler’s list, was een Sudetenduitser die niet erg succesvol was in zaken, maar dat wel heel graag wilde zijn, zonder zich daarvoor teveel te hoeven inspannen. De bezetting van Polen door de Duitsers bood hem een unieke kans. Schindler werd in 1939 lid van de NSDAP, en kon in Krakau een onteigend joods bedrijf voor een koopje overnemen. Arbeid kostte geen vermogen: loon werd er niet betaald, er waren slechts een luttel aantal marken per dwangarbeider per dag verschuldigd aan de nazi regering. Wel moest je om mee te draaien in het systeem regelmatig drinken in het gezelschap van beulen als Amon Göth en zijn geuniformeerde vrienden, maar dat had Oskar er voor over.

Hij ontfermt zich over de Deutsche Emailwaren Fabrik (DEF), waar potten en pannen worden geëmailleerd. Om de fabriek weer op de rails te krijgen stelt hij een van de voormalige joodse eigenaren aan als bedrijfsleider. Onder diens bezielende leiding, en aangespoord door boekhouder Itzhak Stern, ontpopt Schindler zich tot redder van zijn arbeiders. Met slijmerij en fusten cognac, omkoping en de nodige mazzel weet hij zijn arbeiders uit de raderen van de moordmachinerie om hen heen te houden. Zijn geld verdient hij meer op de zwarte markt dan door zijn fabriek.
Hij krijgt het voor elkaar om zijn arbeiders bij de werkplaats in een eigen kamp te mogen onderbrengen. Zo houdt hij ze veilig als het gettto ontruimd wordt, en ontsnappen ze aan de wrede willekeur van Plaszov. Als aan het eind van de oorlog liquidatie dreigt, begint hij een nieuwe fabriek annex kamp in Brünnlitz. Zijn arbeiders neemt hij mee. 300 van zijn vrouwelijke arbeiders worden tijdens het transport naar Brünnlitz per abuis naar Auschwitz gevoerd. Schindler weet ze terug te halen. Ze overleven de oorlog.
Hij wordt, als nazipartijlid en vermeend intimus van Göth en trawanten na de oorlog, berooid en beschadigd, gearresteerd. Op voorspraak van ‘zijn joden’ wordt hij vrijgelaten. Door Schindler’s List is zijn nagedachtenis afgestoft, en krijgt de opportunist die een geweten ontwikkelde én ernaar handelde een ereplek op het podium van de ‘rechtvaardigden onder de volken’. Ongeveer 1200 mensen danken zijn leven aan hem.

In Krakau is zijn fabriek vast onderdeel van de ‘jodenvervolgingroute’. Je kunt tripjes boeken die beloven je in één dag langs de hoogtepunten van de Holocaust te voeren: stop 1- het bij Krakau gelegen vernietigingskamp Auschwitz, stop 2- Schindler’s fabriek en alle locaties waar ‘de film’ is opgenomen en tenslotte, stop 30- een restant van de gettomuur. Desgewenst kan de dag worden afgesloten met een bezoek aan de beroemde Wieliczka zoutmijn, waar uit het zout sculpturen en kapellen zijn gehakt. 

Omdat Schindler en de verhalen rond hem al zo lang in mijn hoofd wonen, sluit ik tijdens mijn bezoek aan Krakau aan in de rij voor zijn fabriek, nu museum. De rij gaat uiterst traag vooruit richting ingang, die omkranst wordt door portretjes van de door Schindler geredde mensen. Het is warm. Ik voel me steeds minder op m’n gemak daar in die rij in de hitte, en besluit dat ik eigenlijk niet zo nodig naar binnen hoef om Schindler en de geschiedenis recht te doen.
Een paar meter verderop is de onopvallende ingang van MOMAK, het museum voor moderne kunst. Net als het Schindler Museum gevestigd in een van de hallen van de zorgvuldig gerestaureerde voormalige emailleerfabriek.
Met elk schilderij dat ik bekijk verdwijnt er meer van het beklemmende gevoel dat me bekroop in de rij voor DEF, aangejaagd door het getoeter en de flarden geschiedenis uit de speakertjes van de af- en aan rijdende golfkarretjes vol Schindler toeristen. Het museum is een verademing, groots opgezet en interessant. Ik neem de beelden mee voor als ik straks weer de Schindler lift in zal stappen.

Afbeelding: Paulina Stasik (1990), MOMAK, Krakau 

Overbodige eters

De eerste gaskamer die ik zag was witgepleisterd. In de ruimte stonden portretten op ijzeren staven, wat me deed denken aan hoe sommige mensen ansichtkaarten als decoratie neerzetten. De portretten waren van mensen die in de gaskamer waren vermoord; mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking.
Het was in Pirne, in Sonnenstein, een van de oudste psychiatrische inrichtingen in Duitsland, in de duistere jaren een van de centra waar Aktion T4, een eugenetische operatie om het Duitse ras gezond te houden, in 1940 en 1941 werd uitgevoerd. De naam T4 verwijst naar het hoofdkwartier van de Aktion aan de Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, want er waren meer van dit soort centra. Zeker 70.000 mensen werden in die twee jaren in tot gaskamers omgebouwde kelders, vrachtwagens of door dodelijke injecties vermoord omwille van het idee van raszuiverheid.
De Gedenkstätte is nieuw, in de DDR-tijd was er weinig aandacht voor slachtoffers die niet als antifascistisch konden worden gekwalificeerd, en wat herdenken betreft had men zowel in Oost als in West sowieso de handen vol aan de Holocaust.
Het instituut is nog steeds een ziekenhuis. Op het plein voor de herdenkingskelder zitten bewoners op een bank in de zon. Een van hen graait met zijn handen in de lucht en vertelt met verve een verhaal in een klankenpalet waarvan ik de betekenis niet ken. Zijn publiek luistert met open mond.

Eugenetica – het manipuleren van menselijk leven – is geen uitvinding van de nazi’s, en is ook niet in 1945 ter ziele gegaan. Het idee dat mensen maakbaar zijn, en ‘vlekjes’ kunnen of moeten worden weggepoetst is wijdverbreid.
In Amerika bedachten schedelmetende onderzoekers en veeboeren met een voorliefde voor raszuiverheid dat je, als je het perfecte rund kon creëren door natuurlijke selectie een handje te helpen, je die kennis ook op mensen moest kunnen toepassen.
De Brit Galton, antropoloog en neef van Darwin, zag eind negentiende eeuw wel wat in het toepassen van de survival of the fittest theory op zijn medemens.
In Australië probeerde de blanke indringers nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Aboriginal bloed uit de oorspronkelijke bewoners te fokken. Er was ontdekt dat sommige Aboriginal kindjes blond haar hadden. Dat was genoeg voor de raszuiverheidspioniers om ervan uit te gaan dat er dus toch iets van waarde in het genetisch materiaal van de oorspronkelijke bewoners moest zitten, dat verdund was geraakt in de loop der tijd. Het onterende experiment was erop gericht die verdunning terug te draaien.
In India werden tijdens de Emergency onder leiding van Sanjay, zoon van toenmalige minister president Indira Gandhi, op grote schaal gedwongen sterilisaties verricht, niet toevallig vooral bij lage kaste-hindoes en moslims; een praktijk die ook nu in verschillende landen nog populair is om groei van bepaalde minder gewenste bevolkingsgroepen te beperken.
Ook in Nederland zijn mensen gedwongen onvruchtbaar gemaakt om te voorkomen dat ze in staat zouden zijn zich voort te planten. Het was tot 2014 standaardpraktijk bij mensen die een geslachtsverandering ondergingen. Bij tijd en wijle laait de discussie over eugenetica weer op, bijvoorbeeld rondom abortus bij erfelijke ziekten of vastgestelde afwijkingen aan de foetus.

Al is de moeite die de nazi’s hadden met mensen die niet voldeden aan de door hen verbeelde ‘gezonde geest in een gezond lichaam’ dus niet uniek, hun oplossing was karakteristiek meedogenloos.
Aktion T4 begon in 1939. Bij iedereen die afweek van de nazinorm en het Germaanse ras door voortplanting kon verzwakken, moest voorkomen worden dat het ondeugdelijke genetisch materiaal kon worden doorgegeven. Elk leven dat in de ogen van de nazi’s niet volwaardig was, kon maar beter worden beëindigd. De genade dood noemde men dat, ter voorkoming van onnodig lijden. En passant werd zo ook afgerekend met ‘nutteloze eters’, mensen die onderhouden moesten worden zonder dat ze er iets voor terug gaven.
Het programma stond onder leiding van artsen die de patiënten beoordeelden op aandoening, eventuele bruikbaarheid en mate van lijden, met een scherp oog voor de kosten die bespaard konden worden als er niet behandeld werd. Verpleegkundigen hielpen gedwee mee om de mensen die met bussen vanuit hun instellingen werden aangevoerd na de keuring de gaskamer in te leiden.
Af en toe werden er zieken uit concentratiekampen opgebracht, dat waren immers als ze niet meer konden werken ook nutteloze eters.
In 1941 werd vanuit de katholieke kerk bezwaar gemaakt tegen het doden van onschuldige Duitse burgers, en omwonenden klaagden in toenemende mate over de stank van het crematorium en andere overlast. De commotie had enig effect, maar Aktion T4 werd niet opgeheven; het ging op een lager pitje door, waarbij uithongering de plaats van vergassing innam. De patiënten stierven in hun eigen instellingen, verspreid over het land, zodat het minder in het oog liep.

Ondertussen prepareerden de centra van T4 personeel dat gewend raakte aan het transporteren, selecteren en ombrengen van onschuldige, weerloze mensen. Mensen die experimenteerden met vergassing; die de voors- en tegens van koolmonoxide overwogen en zich afvroegen wat nou efficiënter was: een vaste  gaskamer of rijdende gasbussen. Die uitvonden hoeveel van het bestrijdingsmiddel Zyklon B nodig was om mensen dood te maken, en hoe lang dat dan duurde.
Elke handeling werd uitgevoerd door in de praktijk geschoold personeel, dat zijn nut en dienstbaarheid bewezen had en na de ervaring opgedaan bij T4 rijp was  voor verdere arbeid in Polen. Daar pasten ze de kennis toe en perfectioneerden de moordmethoden in de vernietgingskampen van Aktion Reinhard: Belzec, Treblinka en Sobibor, waar in 1942 en 1943 anderhalf tot twee miljoen mensen werden omgebracht. Poolse burgers, joods en niet-joods, uit het directe zicht van de Heimat.