Nagekomen post – Napels

‘Napels zien, en dan sterven.’ Deze uitroep van bewondering en verlangen wordt toegeschreven aan Goethe, die hem, totaal onder de indruk van de schoonheid van de stad, in zijn dagboek noteerde. In de tweehonderd jaren die verstreken tussen Goethe’s bezoek en het mijne durf ik wel te beweren dat de stad niet aan schoonheid heeft gewonnen.
‘Sprekend India’, zegt reisgenoot S. En verdomd als het niet waar is. We logeren in een buitenwijk die net zo goed in Chandigarh of Delhi had kunnen zijn: de lichte geur van rottend afval, bladderende stuc op huismuren, stoepslapers, her en der tempeltjes – alleen de godheid in de nisjes is anders – een pokdalig wegdek, automobilisten die van geen verkeersregels willen weten, geschaafde en gedeukte vehikels alom. Bij de oprit naar een snelweg een bord met: verboden voor paard en wagens. De kleine kruideniertjes worden gerund door mensen van het Indiase subcontinent, Pakistani, Bangladeshi, hun verse waar aan het eind van een lange, zonnige dag verschrompeld en schimmelig in de schappen.
Voor een shop waar je kunt wedden op iets hangt een groepje mannen, een heeft zijn t-shirt opgeslagen en zijn bolle buik ontbloot, ook al ‘typisch Indiaas’.
Snerpend gegil van een vrouw, dat overgaat in gejammer en bezorgde buren op het naastgelegen balkon brengen me terug in Italië, net als de pizza die we eten op een terrasje in de buurt.

De ligging van Napels maakt dat de uitroep van Goethe wat minder geëxalteerd aandoet: in een grote, halfronde baai aan zee, omgeven door een cirkel van bergen, met de Vesuvius als een natuurlijk memento mori boven de stad uittorenend.
Als wij de vulkaan beklimmen is het mistig en grijs. Naarmate we hoger komen wordt de mist dikker en gaat het eerst stortregenen, en daarna hagelen. Dat heeft als bijkomstigheid dat we vrijwel alleen aan de kraterrand staan. Waar we nog geen meter naar beneden kunnen zien. Wat jammer is, je kijkt tnslotte niet dagelijks in een vulkaankrater. We blijven er, het weer trotserend, rondhangen in de hoop op opklaring. Als we tenslotte net afgedaald zijn, breekt het toch nog open, alsof de Vesuvius de spot met ons drijft. Onder een nu stalend blauwe lucht hebben we vanaf de hellingen prachtig zicht op Napels aan haar baai, de bergen eromheen, de zee en de eilandjes voor de kust.
De Vesuvius is natuurlijk vooral bekend van de uitbarsting in 79, toen as en gassen, stenen en lava Pompei, Herculaneum en andere stadjes en dorpen op en onder haar hellingen bedolven. Dat is niet de enige, maar wel de meest dramatische geregistreerde uitbarsting van de vulkaan.
Het gebied is sinds 1995 een beschermd Nationaal Park. Een van de jonge mannen die onderweg in een makeshift hokje of een standje koffie, lokale wijn (lacrima de Christi- Christustranen) en souvenirs verkopen vertelt dat er voor corona dagelijks zo’n 6000 mensen elkaar rond de krater verdrongen. Na corona zijn het er nog zo’n 3000. Per dag. Behalve op een dag waarop het bewolkt is, mistig of regenachtig is, dan haken de meeste mensen af. En als het stormt gaat het pad dicht, dan is het bovenop de 1280 meter hoge heuvel te gevaarlijk.
De souvenirs die aangeboden worden zijn interessant: behalve de ijskastmagneten, de flesjes met lokale wijn ( de druiven groeien op de flanken van de vulkaan) en minivesuviusjes in bonte kleuren, zijn er tennisbal grote zwarte kogels, die doormidden zijn gespleten hun fonkelende inhoud tonen en worden verkocht als ‘echte lava’. Ze zijn er ook in pingpongbalformaat, met net zo’n glitterinhoud. Er liggen brokken felgele zwavel, kristallen en zwarte figuurtjes gemaakt van lava. Een jonge man koopt vergenoegd een zwarte schedel voor 25 euro. Ik gun hem dat hij blijft geloven dat hij een doodshoofd van lava heeft aangeschaft.

De Vesuvius is een vulkaan in een vulkaan. Preciezer: de Vesuvius is ontstaan in de caldera (het meestal steile gat dat een na eruptie ingestorte magmakamer achterlaat) van een oudere vulkaan, de Monte Somma, waarvan je de rand rondom de krater van Vesuvius ziet liggen. Die Monte Somma was veel groter, zijn krater is gedeeltelijk ingestort tijdens de explosieve uitbarsting in 79.
De vulkaan is niet dood, en geldt als een van de gevaarlijkste, omdat er zo’n 3 miljoen mensen wonen in het bij een uitbarsting bedreigde gebied, waarvan 600.000 in de directe as, gas en lava gevarenzone. In 1944 spuwde hij voor het laatst, en verwoestte hij dorpen. Sinds die uitbarsting houdt hij zich rustig, en ontsnapt er alleen wat zwavelige rook uit de krater. Een observatorium houdt alles scherp in de gaten, en de stad Napels heeft een uitgewerkt evacuatieplan klaarliggen voor het geval dat.

Omdat we de drukte in Pompeï vrezen, kiezen we ervoor om Herculaneum te bezoeken. Kleiner, net iets minder beroemd, maar zeer goed bewaard, interessant en te behappen. Voor de uitbarsting woonden er ongeveer 5000 mensen in het stadje. Door de windrichting kreeg Pompeï de volle laag van as en stof, en werd Herculaneum door hitte en lava overmand. De bewoners vluchtten naar de boothuizen aan de kust, waar ze stierven in de verzengende hitte die door de vulkaan werd gegenereerd. Hun botten te aanschouwen in de restanten van de boothuizen. Die liggen sinds de eruptie niet meer aan zee, de uitbarsting in 79 verlegde het strand. Het stadje zelf is slechts voor een deel opgegraven, omdat het grootste deel onder moderne bebouwing ligt. Maar dat maakt het niet minder spectaculair. Er zijn villa’s met atriums en fonteinen, muurschilderingen van vogeltjes en andere dieren, een pauw met een zeer levensechte staart, goden, godinnen, alles in zachte verweerde kleuren. Er zijn restanten van winkeltjes, kroegjes, er is een badhuis voor mannen, en een voor vrouwen, er is een forum met een beeld van een keizer op een sokkel. Er zijn tuinen, watertap-punten, en waar je maar kijkt ontdek je details: kleine versieringen bij een deurpost, een gevelsteen van een engelfiguurtje, een wijnrank bij een kapiteeltje. Het is bloedheet, niet erg druk, en ik geef de beschrijver die schreef dat je echt het gevoel hebt in een Romeins stadje te lopen groot gelijk. Het geeft een wonderlijk goed bewaard gebleven inkijkje in levens die lang geleden zijn geleefd.

Op een half uurtje rijden van Herculaneum ligt Villa Poppaea, van de familie van de tweede vrouw van keizer Nero. Een complex met wel honderd kamers, uitkijkend – destijds – op de zee. Ook toen namen de machthebbers het er goed van: de villa is rijk versierd met fresco’s, mozaïeken, marmeren beelden, fonteinen en zuilengalerijen, en naar de voorwerpen in het kleine museumpje te oordelen leefden ze er goed van. Omdat het 2 juni is, de ‘Dag van de republiek’ mogen we er gratis naar binnen. Het zou mooi zijn als we in Nederland bij nationale feestdagen, in navolging van Italië, musea en andere bezienswaardigheden – en de Efteling – gratis toegankelijk zouden maken.
De topstukken van de bedolven steden en villa’s zijn te bewonderen in het Archeologisch Museum van Napels. Zaal na zaal gevuld met adembenemende, ragfijne mozaïeken, gedetailleerde schilderingen en fraai versierde voorwerpen, inclusief kasten, bedden tafeltjes op sierlijke pootjes. Een speciale zaal is ingericht met erotica: blijkbaar hadden de oude Romeinen een fetisj voor abominabel grote penissen, en werd ‘de daad’ open en bloot vereeuwigd in ooit heldere kleuren.

Buiten het museum: de stad van nu. Tegenover, aan de drukke straat, liggen de verworpenen in portieken. Er is een ruzietje: er wordt getrokken, geduwd en gescholden, maar een serieus handgemeen wordt voorkomen door aansnellende lotgenoten. De ruzie ging over eten: de ene man had het eten van de andere man opgegeten. Hij had honger.
Italië gaat vluchtelingen terugnemen uit de rest van Europa, vanwege ‘Dublin’, waar is afgesproken dat het land van binnenkomst verantwoordelijk is voor opvang van asielzoekers. Een lelijke maatregel, die de last op de schouders van enkele Europese landen – niet de rijkste – laadt, die van harte ondersteund wordt door een deel van het Nederlandse parlement. Hier in de stad zie je al waar dat toe gaat leiden: straatslapers, ontheemden in de berm, veel bedelaars. En uiteindelijk naar deprotatie van de ongewensten, naar de uitzethubs in Albanië.

We eten – pasta – in het Quartieri Spagnoli, de ‘Spaanse wijk’, hoge woonkazernes is smalle steegjes, ooit opgetrokken voor Spaanse garnizoenen in de 16de eeuw, nu een toeristische attractie, ooit een broeinest van misdaad, prostitutie en verval. (Voordat Italië Italië werd, in 1860, was Zuid Italië het lange tijd een onderdeel van Spanje).
Zonder moeite zie je hier de geniale vriendin van Ferrante rondrennen. En ook is het niet moeilijk je voor te stellen dat de maffia hier regeerde/regeert. De muren zijn volgespoten en geschilderd met allerlei hoogstaande graffiti, veel portretten van Maradonna, soms afgebeeld als held, soms als heilige – inclusief een heus tempeltje gewijd aan de voetballegende – veel voetbalvlaggen. En overal restaurantjes die de lokale keuken uitventen.
De Napolitaanse maffia, de Comorra, is gebaseerd op familieclans, die zich specialiseren in afpersing, drugs, gokken. Ze beheren een paardenrenbaan op de flanken van Vesuvius, en er zijn opmerkelijk veel punten in de stad waar je een wedje kan leggen, waar mannen die je een beter leven gunt rondhangen tussen hoop en vrees. Ook eisen ze beschermingsgeld van kleine ondernemertjes (die zich tegen betaling aan hun afpersers tegen de afpersing beschermen. Heel filmisch allemaal, alleen is de grens tussen de boven – en de onderwereld poreuzer dan elders. Toen de macht van Spanje in het zuiden van Italië begon te tanen – zo rond 1820 – namen de familieclans het lokale gezag over met instemming van de Spaanse overheersers. Ze functioneerden als politie en hadden een eigen rechtspraak systeem, Na de eenwording bleef de Comorra het lokale gezag, met goedkeuring van de nieuwe overheid. De families werden ingezet om mogelijke opstanden of afscheidingsinitiatieven de kop in drukken. Met een dip in macht en aanzien na een arrestatiegolf rond 1863, leefde de Comorra aan het begin van de vorige eeuw weer op, tot Mussolini aan de macht kwam. Die schijnt niet zo ingenomen te zijn geweest met de maffia, naar ik vermoed door de gewortelde loyaliteitscultuur die hem in de weg zat in zijn streven naar alleenheerschappij, en tijdens zijn bewind dwarsboomde hij de Comorra waar hij kon.
Na de Tweede Wereldoorlog kregen de families een rol in het herstel van het gezag, maar al rap veranderde de Comorra van een lokaal familieproject in een internationale, hiërarchisch geleide misdaadbende, waarin ook vrouwen een aanzienlijke rol spelen. De Italiaanse regering is er nu op gespitst de Comorra te breken en de bendes en hun misdaad te bestrijden. Wat geen eenvoudige opgave is, want de verstrengeling tussen de boven- en de onderwereld blijft een schier onontwarbare kluwen. Het is alsof je de corruptie die die verstrengeling met zich meebrengt aan de stad kan zien, het is vies (de afvalverwerking zou in handen zijn van de Comorra), onderkomen- niet alleen de buitenwijken, maar ook de binnenstad heeft iets haveloos, aan de rafelranden veel onafgemaakte gebouwen, waarvan je vermoedt dat ze zijn aanbesteed, dat er smeergeld is betaald, en dat die verdienste belangrijker is dan het gebouw zelf. En een aanstootgevend belabberd wegdek. Net India. Hoogst interessant, en een beetje unheimisch.

Brief uit Kokërdhok, Albanië

Een serie eendjes waggelt richting het water, ze zetten hun platte voetjes anders neer dan de kleine kippetjes die hier ook rondhippen, die hebben meer een huppende tred. Een grote haan waakt over het verzamelde kroost. Er wordt getokt, gekraaid, gekwaakt. Van overal tjirpen vogelgeluiden het terras op. Vanaf het water maken kikkers herrie. Twee varkens knorren gemoedelijk vanuit de schaduw van een boom. Af en toe klingelt een koeienbel. Voor het eerst sinds lange tijd geen geluid van auto’s of snelwegen in de verte. Het is windstil (en warm). Het hele landschap en een enkele wolk weerkaatst in het stuwmeer, dat omringd wordt door heuvels met erachter hogere bergen.

Het huis waar we verblijven – bovenverdieping van een vrijstaand huis bij het gehucht Kokërdhok, met een hemelsblauwe badkamer en een terras met verrukkelijk uitzicht, maar zonder keuken – ligt bij het stuwmeer vernoemd naar het iets grotere gehucht Ulëz, waar de dam ligt die het stuwmeer heeft gevormd. Ongeveer anderhalf uur van Tirana richting Shkodër. Wij deden er de hele dag over, omdat we ‘binnendoor’ gingen. Dat was geweldig, maar geen sinecure: onverharde, stenige karrensporen vol kuilen die zich nogal steil door de bergen heen slingeren, met her en der een huis en af en toe een alpenweide. Heerlijk was het, ik werd overspoeld door hetzelfde geluksgevoel (en een kriebelende spanning) die ik zo gemist heb sinds ik niet meer regelmatig onderweg ben in buitenlandse gebieden. Na uren hobbelen en een paar keer verdwalen was de verharde weg een welkome vriend, zeker voor onze kleine stadsauto, die zich kranig had geweerd, maar niet hoog op de banden staat.

Hier aan het meer heerst vredigheid, rust en kalmte. Onze gastheer Frani spreekt geen Engels, maar is toch uiterst communicatief. Hij onthaalt ons op zijn eigen honing – biologisch – en sappige abrikozen van een boom bij het huis. Er staat ook een pruimenboom vol fruit en een kersenboom waarvan de kersen al geplukt zijn. Frani heeft twee koeien, waarvan er een zwanger is, een stel geiten, kippen en eenden en dus die twee flinke varkens. Tussen huis en meer verbouwt hij mais, tomaten, erwten, wintervoer voor de koeien en druiven waarvan hij arak stookt. Bij aankomst verwelkomde hij ons met een glaasje van die honinggele eigengestookte sterke drank, om te proosten op ons verblijf. Zijn vrouw is er niet, die is bij zijn twee dochters die in Engeland wonen. Zijn zoon is ingenieur en werkt in Tirana. Over tien dagen komt zijn vrouw terug, met zijn twee dochters en dan is de hele familie weer samen. Frani straalt bij het idee alleen al.

Het huis aan het meer is een goede plek om even bij te komen van de overdaad aan cultuur van de afgelopen twee maanden. ‘Alsof we door Janson reizen’, merkte reisgenoot S op. H.W. Janson (voluit Hirst Woldemar), een Russisch-Duits-Amerikaanse professor, schreef in 1962 een standaardwerk waarin hij de kunst canoniseerde, dat we in het eerste jaar dat we kunstgeschiedenis studeerden zo’n beetje uit ons hoofd moesten leren. Het boek zette de westerse kunst – van Grieks en Romeins tot de renaissance en ‘onze’ Gouden eeuw schilders –  in de spotlights, ten nadele van niet-westerse kunst. Ook vrouwelijke kunstenaars kamen er bekaaid vanaf. Ik herinner me een vuistdik boek vol plaatjes. Van die plaatjes moesten we kunnen opdreunen wie de maker van het schilderij, beeldhouwwerk of gebouw was, wanneer die maker het had gemaakt, welke afmetingen het werk had, welke stijl hij gebruikte, in welke periode het paste, en, in het geval van schilderijen, welke kleuren de schilder had gebruikt. Een vraag uit het tentamen: welke kleur heeft de jurk van ‘Het Joodse Bruidje?’ (Rood, niet te verwarren met het groen van de jurk van de bruid van Arnolfini). Ik weet niet meer of het een open vraag was of een multiple choice, maar ik weet nog wel dat dit tentamen een van de redenen was waarom in uiteindelijk kunstgeschiedenis niet afmaakte en switchte naar antropologie. Nog niet zo lang geleden las ik een column in NRC of Volkskrant van een man wiens dochter kunstgeschiedenis ging studeren. Hij gaf haar een ‘Janson’ cadeau, in de overtuiging dat hij haar daarmee goed op weg hielp. ‘Pa’, zei de dochter, ‘die westerse, mannelijke blik op kunstgeschiedenis is verouderd hoor. Wij kijken nu breder’.

We zagen in Frankrijk en Italië zoveel schilderijen, fresco’s, beeldhouwwerken, oude kerkjes, doms, kathedralen en ‘ancient rubble’, dat het een verademing is om nu even alleen maar een meer te zien, groene heuvels eromheen, en af en toe een bel te horen van een dier dat tussen fruitbomen aan het grazen is. Waarmee niet gezegd is dat ik niet genoten heb van dat kunstinfuus. Het was heerlijk om tegen een vijfde eeuw baptisterium op te botsen, om de beeldenkransen rond de romaanse entrees van kathedralen en hun roosvensters te bewonderen, om het Pompeïaanse rood van de fresco’s in het echt te zien. Om te kijken naar de machtsgrandeur van het Paleis van de Pausen en van het Palazzo Vecchio, de kunstig bewerkte doopvonten, de buiten proportionele baby’s of mini oude mannetjes in de armen van de Madonna’s op middeleeuwse schilderijen, de versierde initialen in oude koorboeken, het doorschijnende groene en blauwe Romeinse glas, de gotische spitsbogen, glas in loodvensters van kerken, en de blauw geschilderde en met sterren bespikkelde kathedraalgewelven. Om te slenteren door de steegjes van steden zo oud als de bekende wereld, de geur van zeewater in havens op te snuiven, naar mensen te kijken.

We voeren met een veerboot van Bari in Italië naar Durrës in Albanië. De afvaart was gepland om 10 uur., en de tocht zou 10 uur duren. We voeren af om 12 uur en werden met een luide bel gewekt om 7 uur. We hadden een hut met een raam, zodat ik slaperig de haven van Durrës dichterbij zag komen. De boottocht was natuurlijk veel minder romantisch dan ik me had voorgesteld. Ik dacht: op het dek naar de sterren kijken en mijmerend uitzien over het zwarte, beweeglijke water. Maar door het lange wachten was de lust tot opblijven vergaan. De sterren waren verborgen achter wolken of uitgewist door de felle lampen van de boot. We maakten een korte rondgang over de boot: vliegtuigstoelen voor de zittende passagiers, een lounge met een enorme tv, een casino en een restaurant waar ze grote borden friet serveerden – en na een half doorwaakte nacht in een smal cabinbedje waren we aan de andere kant van de Adriatische zee. Erg was dat niet, want het overvaren naar een ander land is sowieso een belevenis.

Albanië heeft van 1944 tot 1985 gezucht onder het juk van Enver Hoxha. Voor de Tweede Wereldoorlog was het land achtereenvolgens onderdeel van het Byzantijnse rijk, van het Ottomaanse rijk, en was het een koninkrijk onder Koning Zog I. Al die tijd heerste er een feodale structuur van grootgrondbezitters en boeren georganiseerd in stamverbanden. Er was nauwelijks industrie, en wat er was geweest had de Italiaanse en Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. De bevolking was grotendeels analfabeet, het land straatarm.

Enver Hoxha zou zijn land de nieuwe tijd in leiden. Hij was een Stalinistische dictator, die achtereenvolgens brak met het Joegoslavië van Tito, omdat Tito zich niet naar Stalin wenste te voegen, en met de Sovjet Unie vanwege de de-Staliniserings politiek van opvolger Chroesjtsjov. Hij knoopte banden aan met het China van Mao, die hij vervolgens ook weer verbrak toen China en de VS toenadering tot elkaar zochten. Daarna gaf de dictator zich volledig over aan zijn wantrouwen en isoleerde Albanië volgens zijn Stalinistisch-Maoïstische normen en waarden.

De grootgrondbezitters werden onteigend en als het moest vermoord, verbannen of in een werkkamp gestopt. Met echte of vermeende politieke tegenstanders deed hij hetzelfde. Hij had een gevreesde geheime dienst, de Sigurimi, die op bevel afrekende met iedereen die in de weg zat. Hij verbood elke vorm van religie en liet kerken en moskeeën sluiten of afbreken. Albanië werd een zelfvoorzienende, atheïstische staat. Niemand kon er meer in of uit.

State Security is the sharp and dear weapon of our Party, because it protects the interests of the people and our Socialist State against internal and external enemies”, aldus Hoxha. Het citaat zou van Pol Pot kunnen zijn, of van de Birmese dictator Than Shwe. Uiteindelijk zijn alle dictators uit hetzelfde hout gesneden.

Begin jaren vijftig probeerden de Britse geheime dienst en de CIA Albanië te ontwrichten door anticommunistische ballingen in Albanië te droppen om het regime, dat kampte met de nasleep van de oorlog en nog niet stevig in het zadel zat, te destabiliseren. Albanië zou, als zwakste schakel in de communistische keten, de springplank worden om meer Sovjet satellieten terug te brengen tot het ‘democratische’ kamp. De operatie mislukte jammerlijk, deels omdat MI6 en de CIA de slagkracht van de ballingen overschatten, en omdat dubbelspion Kim Philby roet in het eten gooide door informatie door te spelen aan de Russen. Kim Philby is een van de zogenaamde ‘Cambridge Five’, jonge studenten met communistische sympathieën (‘de Russen stelden zich tenminste onverschrokken op tegen het fascisme en nazisme’) die aan het begin van de Koude Oorlog door de KGB werden gerekruteerd. Na hoog opgeklommen te zijn in MI6 – hij werd getipt als potentiele leider van de dienst, ontsnapte Philby in 1963 naar de Sovjet-Unie voordat de Engelse diensten hem te pakken kregen. Ik zag de serie A spy among friends over hem, maar herinner me niet dat er in die serie gewag gemaakt werd van een Albanese connectie.

Hoxha stierf in 1985. Vijf jaar na zijn dood valt het communistische regime. De grenzen gaan open, er komen verkiezingen. Dan breekt de oorlog uit die het gevolg is van het uiteenvallen van Joegoslavië. Albanese Kosovaren, verjaagd door de Serviërs, vluchten naar Albanië. NATO bombardeert Servische doelen om de Kosovaren te beschermen. Kosovo, dat voor 90 procent bevolkt wordt door etnische Albanezen, wordt een onafhankelijk land (2008). Servië erkent dat niet en ziet Kosovo als een autonome provincie. Albanië erkent Kosovo wel. De status van het kleine gebied blijft een heet hangijzer in de regio.

Vanaf 2013 is Edi Rama, namens de socialistische partij, de ministerpresident van Albanië. In 2025 werd hij herkozen voor een vierde termijn. Begonnen als kunstschilder, lokte de landelijke politiek met een burgemeesterschap van Tirana, de hoofdstad. Daar knapte hij de boel op, onder andere door de troosteloze Hoxha woonblokken op te fleuren met vrolijke kleuren, allerlei illegale bouwsels af te laten breken, het centrale Skanderbergplein te moderniseren en heel veel bomen te planten. Hij werd er populair genoeg door om tot premier gekozen te worden.

Sinds 2014 is Albanië kandidaat lid van de EU, en nog steeds het armste land van Europa. Dat wil Rama veranderen en daartoe stelt hij, bijvoorbeeld, Albanië open voor vluchtelingen die de rest van Europa niet wil hebben; Italië mag terugkeerhubs (dat is het eufemisme voor concentratiekampen voor in Europa ongewenste mensen) vestigen op Albanees grondgebied. Georgia Meloni staat breed lachend met Rama – een reus van een vent – op de foto, en ook Ursula van der Leyen laat zich graag met hem zien.

Rama wil Albanië niet alleen openstellen voor elders ongewensten (al is zijn enthousiasme hiervoor recentelijk verminderd), hij ziet ook in het toerisme een inkomstenbron voor het land. Daartoe heeft hij een eiland voor de kust, een beschermd natuurgebied, ter beschikking gesteld aan Ivanka Trump en haar echtgenoot Jared Kusher. Het geval wilde dat die twee op vakantie waren, van hun luxejacht doken en naar het eiland zwommen. Op blote voeten maakten ze samen een idyllische wandeling over het eiland. Ivanka was helemaal verliefd (op het eiland) en wilde het hebben. Kushner nodigde Rama uit op het jacht, en bemachtigde voor zijn investeringsbedrijf de vergunning om een ultraluxe vakantieresort te bouwen om de rich and famous een nieuwe wonderbestemming te geven. Ivanka droomt van state of the art architectuur, helemaal geïntegreerd in de natuur en met respect voor al wat leeft…

Alleen is eiland Sazan een natuurgebied met onder andere flamingo’s, en mag daar volgens de Albanese natuurbeschermingswet niet gebouwd worden. Om dat probleem op te lossen is de natuurbeschermingswet veranderd in een wet die natuur beschermt, behalve als het gaat om exploitatie ten gunste van toerisme.

De Albanezen vinden het allemaal net wat te toevallig: die wetsverandering, de Kushners met hun miljarden, de rol van Rama, en komen in opstand. Ze verdenken de regering Rama van corruptie en willen hun eiland houden, inclusief de flamingo’s, de zeeschildpadden en de zeehonden die er leven in het kustmoerasgebied. Er wordt dagelijks in Tirana geprotesteerd. Een klein clubje heeft geprobeerd de ontwikkelaars die al op het eiland aanwezig zijn, bulldozers hebben laten aanrukken en het te bebouwen gebied hebben afgescheiden met scheermesprikkeldraad, te verdrijven. SPAK, de anticorruptie organisatie die in 2019 met hulp van EU en VS is opgericht om het juridische systeem in Albanië te hervormen, gaat onderzoek doen, naar de wetswijziging en de vergunningverlening voor het eiland.

Uitkijkend over het stuwmeer lijken de protesten op een andere planeet plaats te vinden, zo ongerept als het hier lijkt en zo rustig als het is. Maar het stemt optimistisch, dat de Albanezen in opstand komen, en niet langer met zich laten sollen door mannen die denken dat ze met het land, en de bevolking, kunnen doen wat hen goeddunkt.

Een dagje Florence

Onderweg naar de oprit van de tolweg passeren we het huis van onze buren. Voor het hek van de villa, een geparkeerde Porsche, een Jaguar sportwagen en een Bentley. Waardoor ik me ga afvragen of het heuvelland hier, net als in delen van Frankrijk, een tweede huis paradijs is voor mensen met te veel geld.
We gaan de tolweg op bij Montecatini Terme. Je mag er 130 rijden, en dat doet dan ook iedereen. Met de ramen dicht en de airco aan. Wij laten de warme wind door onze haren blazen, en onze asfaltvlo houdt het bij 120. In Florence parkeren we onder de Mercato Centrale, de Foodhallen van de stad. Waar in Amsterdam de passage langs de in de oude tramremise van West gelegen Foodhallen vooral walmt van oud frietvet, ruikt het hier naar versgebakken brood, basilicum en tijm. In de parkeergarage klinkt klassieke muziek. Geen muzak, echte klassieke muziek. Op straatniveau, op een steenworp van de Piazza del Duomo, een markt. Voor de low budget toeristen: t-shirts (en stringetjes) met I – hartje – Firenze erop, of wat er zoal op toeristische t-shirts staat gedrukt, en ijskastmagneten. Voor de wat beter gesitueerden: leer, in de vorm van jassen, tassen in alle soorten en maten en riemen. Heel veel riemen. De meeste stalletjeshouders ogen Indiaas, maar ze komen uit Bangladesh, vertelt Bahadur Khan, een van hen. Hij is jaren geleden naar Florence gekomen, met een grote groep landgenoten. Eerst werkte hij voor Italianen, die de stalletjes bezaten en de Bangladeshi voor een schamel loontje lieten werken, terwijl ze zelf de winst opstreken. Nu is hij zelf eigenaar van twee stalletjes, eentje met riemen, de andere met t-shirts. De zaken gaan goed, te oordelen naar de bundel euro’s die in zijn portefeuille steken, die hij uit zijn zak haalt om geld voor een collega te wisselen. Hij beaamt dat: het is hard werken, maar nu hij zelfstandige is, is de wereld erop vooruitgegaan.
Verderop in de stad, in de straatjes rond de Duomo en het Palazzo Vecchio doen winkels alsof schoenen of merkhandtasjes eigenlijk topkunstwerken zijn, die het verdienen om op een sokkel te worden uitgestald en perfect te worden uitgelicht. Aangetrokken door een etalage met een chocoladefontein lopen we een ultraluxe chocolaterie in, waar we ongevraagd een chocolade kegeltje met pistachevulling, een limoncellokogeltje en een schuimkoekje met fondant krijgen aangeboden door vriendelijk glimlachende meisjes met een schortje voor.
Bij de Duomo een enorme rij wachtenden, die van achter harder aangroeit dan van voren afneemt. Maar ook aan de buitenkant valt gelukkig genoeg te bekijken.
Het Palazzo Vecchio is groots en vierkant met een de lucht in priemende toren. Aan de vorm van de kantelen op de toren (of aan de torens bij andere paleizen of villa’s) kan je aflezen of een stad of familie bij de Welfen hoorde of bij de Ghibellijnen. De Welfen – rechthoekige, rechte kantelen – waren pausgezind, de Ghibellijnen – gebogen kantelen met zwaluwstaarten – waren voor de keizer. Dat alles in de latere middeleeuwen (twaalfde, dertiende eeuw), toen Toscane een lappendeken was van rivaliserende stadsstaten onder leiding van machtige families. De Ghibellijnse families bestonden vooral uit naar de stad verhuisde landadel die leefde van pacht en belastingen. Die wilden graag het leenstelsel handhaven. Hiervoor vertrouwden ze op de keizer. De pausgezinden vonden dat de koning danwel keizer te veel macht had gekregen van Karel de Grote, die zichzelf en zijn vazallen de bevoegdheid tot het benoemen van bisschoppen had toebedeeld. De Florentijnse bisschop Hildebrand herriep dat recht in de elfde eeuw. Daarop volgde de strijd tussen de Welfen en de Ghibellijnen. Omdat de Toscaanse steden en stadsstaten in de loop van de 13de eeuw steeds rijker werden door overzeese handel en hun bankwezen, intensiveerde het conflict tussen de aanhangers van keizer en paus. Pisa en Siena waren keizer-gezind; Florence en Lucca waren voor de paus. Onder dit overkoepelende conflict gingen talloze, vaak bloedige, familievetes schuil. Dante schreef dat vanwege die vetes het bloed door de straten van Florence stroomde en de honden van de stad het bloed uit de goten oplikten. Toen de keizer (Hendrik VII) ten strijde trok om de paus te gaan afzetten, liet hij onderweg naar Rome het leven, waarmee de veldtocht wordt afgeblazen. Door de opkomst van de gilden, en de groeiende macht van de kleine luiden komt er een eind aan de macht van de koningsgezinde Ghibellijnen. Op 6 augustus 1289 wordt door het stadsbestuur van Florence, waar ook de ‘populo minuto’ zitting in hebben, de koop en verkoop van arbeidskrachten verboden en vrijheid en zelfbeschikking gegarandeerd. Het is de nekslag voor het systeem van lijfeigenen en horigen, en de eerste aanzet tot een mensenrechtenbeleid. Het brak de toch al wankelende macht van de Ghibellijnen.
De macht van de ‘kleine luiden’ is tot de dag van vandaag zichtbaar in de straten van Florence, nu in de vorm van de klandizie van de talloze toeristen die zich aan de bezienswaardigheden laven en hun dorst lessen op de ontelbare terrasjes.
Op het plein bij de Duomo wappert een Palestijnse vlag aan het gemeentehuis. Voor de deur staat een groepje jongeren bij twee op de grond liggende spandoeken met foto’s van schimmelige douches en andere viezigheid. Een van de protesterende meisjes vertelt dat er al tien dagen geen water is in hun studentencomplex, en dat de gemeente er niks aan wil doen. Er kan niet gedoucht worden, wat bij temperaturen boven de dertig graden onprettig is, en bovendien woekert de schimmel en kan ook de wasmachine niet draaien. Omdat de gemeente niet thuis geeft, zijn ze naar het plein gekomen om te protesteren. De toegang tot het stadhuis wordt geblokkeerd door een aantal carabinieri, maar die kijken eerder vriendelijk dan dreigend. Een van de jongens draagt een t-shirt met op de rug: ‘from the river to the sea, Palestine will be free’.

Het is maandag. De Uffici is gesloten. Dat helpt tegen de keuzestress, want nu hoef ik niet te kiezen of ik uren in de rij ga staan om daarna moeizaam tussen de hoofden en schouders van mijn medebezoekers een glimp van ‘de geboorte van Venus’ door Botticelli of de werken van Titiaan en andere grote schilders op te vangen.
Als alternatief is er een grote tentoonstelling van werk van Mark Rothko. Hij is beroemd geworden met zijn grote schilderijen met horizontale kleurvlakken, en de tentoonstelling belooft een overzicht van zijn ontwikkeling – hoe hij tot het vlakken schilderen gekomen is. Nooit waren er – zegt de aankondiging – zoveel schilderijen van hem bij elkaar te zien. Wij klimmen de trappen op van het Palazzo Strozzi voor de expositie. Hier geen rij, hier geen massa.
Na het bekijken van het werk uit de eerste periode van zijn schilderschap, draait mijn reisgenoot zich naar me toe en zegt met een enigszins verwonderde blik in zijn ogen: joh, die man kon niet schilderen! En ik ben geneigd hem gelijk te geven. Misschien komt het door de wijze waarop de werken zijn uitgestald – beroerde belichting – of door de hoeveelheid werken die wel heel erg hetzelfde zijn, maar er is weinig aan. De film die bij de tentoonstelling hoort vertelt dat Rothko zich heeft laten inspireren door Rembrandt en door Fra Angelico. Ik probeer het te zien, maar vergeefs.
Het ontroerendst zijn een groep volwassen mensen met het syndroom van Down, die op stoeltjes voor een van de werken zitten en bezig zijn met kleurkrijt en papier onder de liefdevolle zorg van begeleidsters. De mannen zijn een en al aandacht. Een van hen lacht naar me; zo’n lach waarbij een heel gezicht begint te stralen.
Op de terugweg komt er op de tolweg geen ticket uit de automaat. Daardoor kunnen we niet betalen. Dat is een probleem, want de Italianen zijn net zo scheutig met boete op boete als de Nederlanders, en bij pech kan een niet betaalde tol van 3 euro 10 oplopen tot een bedrag van 96 tot 334 euro. Thuisgekomen zoeken we de website van de autostrade op. De punto-service-punten waar je je voorheen met dit soort probleempjes kon vervoegen zijn sinds 2024 gesloten. Nu gaat alles per internet. We sturen dan maar een beschrijving van onze ervaringen bij de tolpoort, met de vraag hoe we ons probleem kunnen oplossen. De volgende dag krijgen we antwoord van het info@ adres: ze streven ernaar 80 procent van de binnenkomende meldingen binnen 10 werkdagen te antwoorden. Om een boete te voorkomen heb je 14 dagen de tijd om te betalen.

(afbeelding: kopie van Michelangelo’s David, voor het Palazzo Vecchio, Florence)

Brief uit Val Paraone, Savona

Terwijl in Nederland vuurwerk door de brievenbus van het D’66 kantoor wordt gepropt; ‘bezorgde burgers’ er geen been in zien brand te stichten in een opvang voor vluchtelingen en de brandweer tegen te houden als die wil komen blussen, en Premier Rob tijd blijkt te hebben om bij Bonaire in zee te zwemmen (waar een zeedier voor ons de honneurs waarneemt en hem prikt tot hij onwel wordt), zit ik aan een met zonnebloemenkleed bedekte tafel in een gehucht in Ligurië, Italië.
Het is bewolkt en fris, maar aan de schaduwen op het hellende weggetje naar het volgende huis zie ik dat de zon zich door de wolken weet te stralen. Het terras waar ik op zit hoort bij een huisje dat we voor een weekje huren in een dorp van 400 inwoners, in de heuvels, bergen van de Italiaanse Voor-Alpen. De borgo ligt aan de Strada Provinciale 35, een smalle geasfalteerde weg die op loopafstand van het huisje overgaat in een zandpad. Het is er stil, op vogelgeluiden na en af en toe een flard Italiaans uit een van de huizen rond ons optrekje. Het landschap bestaat uit glooiiende hellingen en het uitzicht is prachtig: beboste heuvels met af en toe een gehucht met een kerkje dat boven de rozigrode daken uitsteekt. Klokken klepperen vanuit verschillende torentjes de uren weg.
Bij aankomst worden we begroet door Sabrina en Flavio, die in een huis aan de andere kant van de straat wonen en onze gastgevers zijn. Op tafel in het huisje staan ter verwelkoming een schaal citroenen van eigen boom, een flesje olie van eigen olijven (met een geborduurd etiket aan de hals gebonden waarop ‘our oil’ staat) en een vaasje met artisjokken. In de houtkachel brandt een vuurtje, want het kan fris zijn ’s avonds. Flavio komt met een arm vol hout die hij in een kist naast de kachel legt, voor als we het nodig hebben (nog niet).
Het dorpje is een mengsel van oude en nieuwe huizen. Omdat deze streek aan het verarmen was (is?) hebben de bewoners een Europese subsidie kunnen aanspreken om de berggemeenschapjes te redden en moderne huizen te bouwen met waterleiding en riolering. In het dorpje nog sporen van voor die tijd: op verschillende plekken waterpunten die nu in onbruik zijn geraakt. Sabrina vertelt ons dat we het water uit de kraan kunnen drinken: het komt rechtstreeks uit de bergen. Bij een verlaten huis in de buurt komt onder onze voetstappen het kruid in de voortuin tot leven en vult de lucht zich met de geur van tijm.
Gisteren, tijdens een wandelingetje, behalve wat droog aandoende aardappelveldjes, ook olijfboomgaardjes, goed onderhouden perzik- en vijgenbomen, verwilderde kersenbomen en andere sporen van wat ooit een gemeenschap van zelfvoorzienende keuterboertjes moet zijn geweest. Veel overwoekerde terrasjes. Ritselende waterstroompjes. Ik zie voor het eerst olijven-in-de-dop aan de bomen, en ook aan de druivenplanten beginnen de vruchten al te groeien. Op en rond de paadjes in het bos sporen van dieren die aan het wroeten zijn geweest. Een man en een vrouw werken in hun veldje, ze wensen ons vriendelijk ‘una bella passeggiata’.

Vanuit Marseille volgden we eerst een weggetje dat zich door de heuvels slingerde, met afwisselend zicht op de Middellandse zee en dichtbeboste hellingen. Hoewel dat prachtig was, zijn we voordat we verzeild zouden raken in de Côte d’Azur van Saint Tropez, Cannes Nice en Monaco op tolwegen (met veel tunneltjes) verder gegaan richting Italië. De kust tussen Marseille en de Italiaanse grens lijkt – op het natuurreservaat waar we ons doorheen kronkelden – volledig overgeleverd aan het toerisme: van hoog boven de kust zien we niets dan hoteltorens, haventjes met jachten, cruiseschepen. Ik las over protesten tegen cruiseschepen omdat ze zo vervuilend zijn, en vermoed dat ook in Marseille wel geprotesteerd zal worden tegen de drijvende toeristeneilanden die er aanmeren. Elke avond zag ik er een of twee uitvaren. Ik moest denken aan de serie artikelen die ik las van Jonah Falke die met zo’n cruise meegaat en zijn ervaringen deelt. Je bent, ondanks alles, toch nieuwsgierig hoe het is, zo’n cruise, en als men me zou vragen om, net als Jonah, een reisje mee te maken en er verslag van te doen, zou ik ook geen nee zeggen. Al zien die grote witte drijvende ’s avonds helverlichte afgeknotte piramides vanuit de hoogte van de heuvels van Marseille er niet per se aantrekkelijk uit.
Eenmaal in Italië blijft de kust volgebouwd, maar minder dicht, en hoe dichter we bij onze bestemming komen, hoe minder hoteltorens ik zie. Een stuk van de weg voert langs aan de ene kant van mijn blikveld een helderblauwe zee, en aan de kant besneeuwde bergtoppen – nogal in de verte maar toch. Het gaf me een onmetelijk rijk gevoel: dat ik hier ben, tussen zee en bergen, voortrijdend naar het nog ongeziene.

Ligurië is een belangrijk economisch centrum. Toerisme is de belangrijkste sector, ‘miljoenen bezoekers worden aangetrokken door de prachtige kusten, de authentieke dorpjes en het rijke culturele erfgoed.’ Genua (onze volgende bestemming), San Remo (art nouveau casino) en Portofino (glamour en glitter en luxejachten) zijn populair. Ook is er scheepsbouw, chemische industrie en metaalindustrie. (Waar we godlof in ons dorpse lustoord niets van merken).
De haven van Genua is de grootste van Italië (daar merken we straks misschien wel wat van. Ik vind haven interessante, rare plekken, tussengebieden gewijd aan de god van de bedrijvigheid, en meestal met oude wortels waarvan je je, als je je best doet, best een voorstelling kan maken. Ik ben ooit in de haven van Jakarta scheepgegaan op een veerboot, dat helpt).
Producten als olijfolie, wijn, fruit en groenten dragen bij aan de welvaart van de regio, al merk je die niet echt, hier in het dorpje, dat er, op de geparkeerde auto’s na, in de middeleeuwen ongeveer hetzelfde moet hebben uitgezien. Misschien iets minder hoge huizen, misschien iets meer geiten, iets meer volk ook, werkzaam op de uitgehakte terrasveldjes, maar verder heb je niet echt veel fantasie nodig om de ezelkarren over de paden te horen rammelen, en de vrouwen met manden fruit op hun rug richting de kust te zien lopen om handeltjes te drijven.
Ligurië dus, het commerciële en industriële hartland van Italië. Met pittoreske havenstadjes, middeleeuwse bergdorpjes en parelwitte stranden. Die hagelwitte stranden en die jachthaventjes laten me min of meer koud. Ik word warmer van de beboste hellingen en de gehuchten en de stilte die hier hangt. In een blog over de Ligurische keuken lees ik dat die ‘authentiek en uitmuntend’ is. Het schijnt dat Italianen – de dorpse, eenvoudige variant – over het algemeen gezonder ouder worden vanwege de zongerijpte tomaten en andere groenten die ze eten en de overal overvloedig overheen gesprenkelde extra vierge olijfolie, uiteraard koud geperst.

In Marseille zochten we een plek om Bouillabaisse te eten, de echte, traditionele. Er zou een klein vissershaventje zijn aan de rand van de stad waar ze nog de originele, volgens overgeleverd familierecept etc… Dat moet echter in vervlogen tijden geweest zijn. Het haventje is er nog, vol kleine jachtjes, en rondom zoveel mensen dat ik moet denken aan zo’n strooplint dat vliegen vangt. De sfeer is er best prettig, de mensen uitgelaten en blij gezeten aan hoge ronde tafeltjes, met voor zich een bier (de mannen) of een aperol spritz, met schijfje sinaasappel en een rietje (de vrouwen), maar het is er wel heel erg druk. Je hoeft bij wijze van spreke, alleen maar je nek een beetje uit te streken om het glas van je buurvrouw via dat rietje leeg te drinken.
Volgens Chedli, de verhuurder van ons Tiny House, hadden we niets gemist, wat betreft die vissoep, en konden we die maar beter uit ons hoofd zetten. Want wat van oudsher een armeluisgerecht met visresten in van graten, koppen en staarten getrokken bouillon was, is een op toeristen gerichte luxeproduct geworden, waar je teveel betaalt voor te weinig. We grasduinen nog wat in menukaarten van bistro’s en andere eetgelegenheden, maar eten uiteindelijk Koreaans in een achterafstraatje van de Court Julien, het Quartier Latin van Marseille, met restaurantjes, bars, bedelaars, stoepslapers en muren volgespoten met grafitti.

Tegenover me zijn twee vrouwen hun planten rond het terras aan het opbinden, terwijl ze rustig met elkaar keuvelen. Rond hen huppelt een hond met een belletje om zijn nek. Om bij ons optrekje te komen moet je een trapje af langs een muur waar tussen de natuurstenen vetplanten groeien. Alles is hier steil, dus zijn er overal trappen en trappetjes. De postbode komt langs in een geel hesje. Enthousiast begroet ze de hond met het belletje. Er is nu een jonge man aangekomen die omhoog en omlaag sjouwt met planten en aarde.
Wij doen een wasje in de wasmachine en maken een uitstapje naar Albenga, aan de kust.

We parkeren in een niet al te aantrekkelijke buitenwijk tegenover een supermarkt (Intermarché locale) waar ik later verse gnocchi en echte pesto koop voor het avondmaal. De mensen in de buurt van Genua nemen hun pesto serieus. De beste wordt gemaakt met basilicum uit Pra, dat ten westen van Genua ligt en die is mild en zoet, met de beste pijnboompitten, olie van de taggiasca olijf en met vessalico knoflook. Alle ingrediënten tot een fijne saus gestampt in een marmeren vijzel met een houten stamper.

Het centrum van het stadje is oud. Albenga werd al door pre-Romeinse stammen bewoond. Ik moet er nog even aan wennen dat ik in Italië ben, het thuisland van de Romeinen, waar het dus heel gewoon is dat die er sporen achterlieten, zoals hier niet ver vandaan een van de oude via’s – de Via Julia Augusta – die het stadje verbond met zuid Frankrijk en met Spanje.
Hoge, vierkante middeleeuwse torens rond een pleintje. Een van de torens wordt met dikke banden die lijken op riemen die vrachtwagenchauffeurs gebruiken om hun lading mee vast te sjorren bij elkaar gehouden. Bij de torens een kerkje (Albenga had in de 5de eeuw een bisschop en was in de laatantieke tijd een belangrijke haven- en handelsplaats). Die kerk is van binnen een interessante mengeling van zichtbaar oude fundamenten en bogen, en minder oude heiligenbeelden. In een soort vitrine onder een altaartje is het lichaam van Christus uitgestald, druipend van het bloed uit zijn kruisigingswonden; verderop verschijnt Maria in een grot die lijkt te zijn gemaakt van papier maché aan Bernadette of een andere heilige.
Langs de kerk lopend komen we bij een gebouw dat in de grond weggezakt lijkt. Het is afgesloten met een hek, maar we hebben geluk: er staan een paar mensen binnen rond een vrouw met een sleutel in de hand. De mensen gaan vrij snel weg, maar wij mogen blijven kijken. Het is een wonderschoon baptisterium uit de vijfde/zesde eeuw dat heel goed bewaard is gebleven. Behalve dan de originele dakbedekking, die de restaurerende Portugese architect in de 19de eeuw voor nep aanzag en dus heeft vervangen, vertelt de Italiaanse met de sleutel, maar ik begrijp pas echt wat ze zei als ik het later nalees.
Middenin bevindt zich nog het bassin waarin de dopeling in zijn geheel werd ondergedompeld. In een van de nissen een geweldig mozaïek in overwegend blauw en wit met wat goud, van twee lammeren in een bloeiende weide aan weerzijden van een kruis. Erboven een cirkel van twaalf duiven rond het Christusmonogram. Op een stenciltje in het Duits lees is dat de lammeren het gelovige volk zijn in de weide die het paradijs symboliseert en het kruis het offer van de heiland. De duiven staan voor de apostelen en de heilige geest.
In hetzelfde stencil staat ook dat de kapel niet weggezakt is, maar op laatantieke straathoogte staat en de rivier die door de stad stroomde in de middeleeuwen zijn loop heeft verlegd, waardoor de haven van Albenga dichtslibde. De stad deed onder eigen vlag mee aan de eerste kruistocht, maar na de middeleeuwen was het gedaan met de glorie, en in de moderne tijd is Albenga nooit zo’n bloeiende badplaats geworden dan andere plaatsen aan de Italiaanse Rivièra. Het zal voor de van toeristen levende bewoners een bittere pil zijn, maar ik ben er stiekem wel blij om.

(afbeelding uit kerkje in Albenga, mei 2026)

Brief uit Marseille

Ik zit op de veranda van een houten tiny house, in het voorjaarszonnetje. Om me heen bomen, bloemen en moestuinterrasjes. Aan mijn voeten een aanhalige kat met drie poten. Beneden me weet ik Marseille. De stad die op onverklaarbare wijze tot mijn verbeelding spreekt. Door de bomen zie ik de Mediterranée. Twee enorme kranen die de containers van schepen lossen aan een lange pier. Ik kijk uit op het noordeinde van de baai, waar de bedrijvigheid die niet per se toeristisch is zich afspeelt. Gister zagen we drie grote boten vertrekken, veerboten denk ik, hun toeters schalden een melancholisch afscheid over het water. Twee cruiseschepen liggen als witte schiereilanden in de daartoe aangewezen haven.De geluiden van de stad dwarrelen omhoog naar mijn heuvel: claxons, een trein die voorbijkomt, nondescript geroezemoes van duizenden mensen.
Marseille is onze laatste stop in Frankrijk. Via Reims, de Morvan, Lyon en Avignon zijn we hier beland. Veel kerken, kathedralen, baselieken gezien. Kunst van Cézanne, Degas, van Gogh tot Botticelli en 12de eeuwse meesters. Veel ook van wat ik gemakshalve samenvat onder de naam ‘ancient rubble’: al dan niet door de tijd aangetaste overblijfselen van de Romeinen. Al zijn ze gladgestreken beschadigd, ik hou ervan!
Gisteren bezochten we de oude haven, een inham in de baai, nu vol met zeilboten en jachten, met aan weerskanten de verworvenheden van het moderne toerisme: bistros, cafes, pubs, hotels, souveniershops en zeepwinkels. Marseille is beroemd om haar zeep, naar het schijnt. Met 72% olijfolie. Vet ontvetten met vet. Je moet het maar verzinnen.
We varen met een veerbootje van de ene kant van de haven naar de andere kant. Een rondborstige kapitein rekent 50 cent per passagier.
Ik sla alles in me op, maar ik zie wat anders: ik zie hoe uit grote schepen met de hand de koloniale kostbaarheden worden gelost door sjouwers, aangespoord door voormannen met haast. Ik zie dames met parasolletjes die hun nieuwsgierigheid niet kunnen bewingen en zich tussen het werkvolk wagen. Ik zie een rij geketende mannen die naar de galleien of de verbanning worden gedreven. Ik hoor nog vaag de stemmen van de kruisvaarders van de orde van Johannes, die in het fort Saint Jean links aan het havenhoofd zetelden, ze worden bijna overstemd door het geschreeuw van de revolutionaire meute die eind 18de eeuw vanuit het fort de guillotines voedden.
Ik zie Edmond Dantès, de latere graaf van Monte Christo na het verraad weggesleept worden naar de krochten van Chateau d’If, het gevangeniseiland vlak voor de kust van Marseille. Ik had niet gedacht dat het zo dichtbij lag. Het is een klein eilandje, met een bunkerachtig gebouw erop, en in de rotsen uitgehakte kerkers. Daar kwijnt de onschuldige Edmond weg, tot hij via een slimme list weet te ontsnappen, een schat zoekt en vindt en terugkeert naar Marseille om genadeloos wraak te nemen op zijn veraders. Ter voorbereiding zette ik de roman van Alexandre Dumas over de onfortuinlijke Edmond en zijn wraakoefeningen op mijn e-reader, en het is precies de juiste lectuur voor hier.
Je kunt met een veerboot naar het gevangeniseiland, maar daar zie ik vanaf. De verbeelding moet in sommige opzichten aan de macht blijven. Onze held Edmond is tenslotte een romanfiguur!
Ik lees dat Dumas père, de schrijver, het plot van de Graaf van Monte Christo deels uit gevangenisarchieven heeft opgeduikeld, en dat hij een gemakzuchtig schrijver was, die grote delen van zijn werk door anderen liet schrijven, die hij ook nog opjoeg om voort te maken. Oorspronkelijk verschenen als een krantenfeuilleton, elke dag een stukje, de lezers hingen van ver buiten de Franse landsgrenzen aan zijn lippen.
Het is leesvoer om te smullen, en je kan het zonder kouwen broksgewijs doorslikken.
Ook zie ik Varian Fry, leunend tegen de muur van het fort, wachtend op een handlanger die hem uitreisvisa voor zijn beschermelingen brengt. Fry was een Amerikaan, die na de capitulatie van Frankrijk via, of eigenlijk beter ondanks, het in de VS gevestigde ‘Emergency Rescue Committee’ in Marseille de groten en minder groten van de Franse culurele en literaire elite probeerde te helpen de nazi’s te ontvluchten. De vluchtroute loopt over de Pyreneen, en Walter Benjamin is een van de ‘clienten’. Als hij, puffend, de tocht onderneemt, onder begeleiding van Lisa Fittko, een Hongaars-joodse verzetstrijdster die met Fry samenwerkt, blijkt dat precies die dag Spanje de grens heeft gesloten. Benjamin, toch al zwaarmoedig, is ten einde raad en maakt die nacht een eind aan zijn leven. De volgende dag gaat de Spaanse grens weer open. Het manuscript dat Benjamin meedroeg in een aktetas wordt gered.
Fry huurde even buiten Marseille de villa Bel Air, waar Andre Breton en andere surrealisten vaste gast zijn, waar Chagall en Hannah Arendt op hun vlucht voor de nazi’s langskomen. De villa bestaat helaas niet meer. Varian Fry en zijn helpers (onder andere ook Mary Jayne Gould – een Amerikaanse die het geld van haar superrijke vader ter beschikking stelt) zijn sowieso ondergewaardeerd, al is er nog niet zo lang geleden een tv serie over hen gemaakt. Maar tv series doen door de bank genomen geen recht aan een werkelijkheid waar moed en wanhoop hand in hand gaan.

(Afbeelding: ‘de strijd gaat door’, poster gezien in MuCem, Marseille)