‘Napels zien, en dan sterven.’ Deze uitroep van bewondering en verlangen wordt toegeschreven aan Goethe, die hem, totaal onder de indruk van de schoonheid van de stad, in zijn dagboek noteerde. In de tweehonderd jaren die verstreken tussen Goethe’s bezoek en het mijne durf ik wel te beweren dat de stad niet aan schoonheid heeft gewonnen.
‘Sprekend India’, zegt reisgenoot S. En verdomd als het niet waar is. We logeren in een buitenwijk die net zo goed in Chandigarh of Delhi had kunnen zijn: de lichte geur van rottend afval, bladderende stuc op huismuren, stoepslapers, her en der tempeltjes – alleen de godheid in de nisjes is anders – een pokdalig wegdek, automobilisten die van geen verkeersregels willen weten, geschaafde en gedeukte vehikels alom. Bij de oprit naar een snelweg een bord met: verboden voor paard en wagens. De kleine kruideniertjes worden gerund door mensen van het Indiase subcontinent, Pakistani, Bangladeshi, hun verse waar aan het eind van een lange, zonnige dag verschrompeld en schimmelig in de schappen.
Voor een shop waar je kunt wedden op iets hangt een groepje mannen, een heeft zijn t-shirt opgeslagen en zijn bolle buik ontbloot, ook al ‘typisch Indiaas’.
Snerpend gegil van een vrouw, dat overgaat in gejammer en bezorgde buren op het naastgelegen balkon brengen me terug in Italië, net als de pizza die we eten op een terrasje in de buurt.
De ligging van Napels maakt dat de uitroep van Goethe wat minder geëxalteerd aandoet: in een grote, halfronde baai aan zee, omgeven door een cirkel van bergen, met de Vesuvius als een natuurlijk memento mori boven de stad uittorenend.
Als wij de vulkaan beklimmen is het mistig en grijs. Naarmate we hoger komen wordt de mist dikker en gaat het eerst stortregenen, en daarna hagelen. Dat heeft als bijkomstigheid dat we vrijwel alleen aan de kraterrand staan. Waar we nog geen meter naar beneden kunnen zien. Wat jammer is, je kijkt tnslotte niet dagelijks in een vulkaankrater. We blijven er, het weer trotserend, rondhangen in de hoop op opklaring. Als we tenslotte net afgedaald zijn, breekt het toch nog open, alsof de Vesuvius de spot met ons drijft. Onder een nu stalend blauwe lucht hebben we vanaf de hellingen prachtig zicht op Napels aan haar baai, de bergen eromheen, de zee en de eilandjes voor de kust.
De Vesuvius is natuurlijk vooral bekend van de uitbarsting in 79, toen as en gassen, stenen en lava Pompei, Herculaneum en andere stadjes en dorpen op en onder haar hellingen bedolven. Dat is niet de enige, maar wel de meest dramatische geregistreerde uitbarsting van de vulkaan.
Het gebied is sinds 1995 een beschermd Nationaal Park. Een van de jonge mannen die onderweg in een makeshift hokje of een standje koffie, lokale wijn (lacrima de Christi- Christustranen) en souvenirs verkopen vertelt dat er voor corona dagelijks zo’n 6000 mensen elkaar rond de krater verdrongen. Na corona zijn het er nog zo’n 3000. Per dag. Behalve op een dag waarop het bewolkt is, mistig of regenachtig is, dan haken de meeste mensen af. En als het stormt gaat het pad dicht, dan is het bovenop de 1280 meter hoge heuvel te gevaarlijk.
De souvenirs die aangeboden worden zijn interessant: behalve de ijskastmagneten, de flesjes met lokale wijn ( de druiven groeien op de flanken van de vulkaan) en minivesuviusjes in bonte kleuren, zijn er tennisbal grote zwarte kogels, die doormidden zijn gespleten hun fonkelende inhoud tonen en worden verkocht als ‘echte lava’. Ze zijn er ook in pingpongbalformaat, met net zo’n glitterinhoud. Er liggen brokken felgele zwavel, kristallen en zwarte figuurtjes gemaakt van lava. Een jonge man koopt vergenoegd een zwarte schedel voor 25 euro. Ik gun hem dat hij blijft geloven dat hij een doodshoofd van lava heeft aangeschaft.
De Vesuvius is een vulkaan in een vulkaan. Preciezer: de Vesuvius is ontstaan in de caldera (het meestal steile gat dat een na eruptie ingestorte magmakamer achterlaat) van een oudere vulkaan, de Monte Somma, waarvan je de rand rondom de krater van Vesuvius ziet liggen. Die Monte Somma was veel groter, zijn krater is gedeeltelijk ingestort tijdens de explosieve uitbarsting in 79.
De vulkaan is niet dood, en geldt als een van de gevaarlijkste, omdat er zo’n 3 miljoen mensen wonen in het bij een uitbarsting bedreigde gebied, waarvan 600.000 in de directe as, gas en lava gevarenzone. In 1944 spuwde hij voor het laatst, en verwoestte hij dorpen. Sinds die uitbarsting houdt hij zich rustig, en ontsnapt er alleen wat zwavelige rook uit de krater. Een observatorium houdt alles scherp in de gaten, en de stad Napels heeft een uitgewerkt evacuatieplan klaarliggen voor het geval dat.
Omdat we de drukte in Pompeï vrezen, kiezen we ervoor om Herculaneum te bezoeken. Kleiner, net iets minder beroemd, maar zeer goed bewaard, interessant en te behappen. Voor de uitbarsting woonden er ongeveer 5000 mensen in het stadje. Door de windrichting kreeg Pompeï de volle laag van as en stof, en werd Herculaneum door hitte en lava overmand. De bewoners vluchtten naar de boothuizen aan de kust, waar ze stierven in de verzengende hitte die door de vulkaan werd gegenereerd. Hun botten te aanschouwen in de restanten van de boothuizen. Die liggen sinds de eruptie niet meer aan zee, de uitbarsting in 79 verlegde het strand. Het stadje zelf is slechts voor een deel opgegraven, omdat het grootste deel onder moderne bebouwing ligt. Maar dat maakt het niet minder spectaculair. Er zijn villa’s met atriums en fonteinen, muurschilderingen van vogeltjes en andere dieren, een pauw met een zeer levensechte staart, goden, godinnen, alles in zachte verweerde kleuren. Er zijn restanten van winkeltjes, kroegjes, er is een badhuis voor mannen, en een voor vrouwen, er is een forum met een beeld van een keizer op een sokkel. Er zijn tuinen, watertap-punten, en waar je maar kijkt ontdek je details: kleine versieringen bij een deurpost, een gevelsteen van een engelfiguurtje, een wijnrank bij een kapiteeltje. Het is bloedheet, niet erg druk, en ik geef de beschrijver die schreef dat je echt het gevoel hebt in een Romeins stadje te lopen groot gelijk. Het geeft een wonderlijk goed bewaard gebleven inkijkje in levens die lang geleden zijn geleefd.
Op een half uurtje rijden van Herculaneum ligt Villa Poppaea, van de familie van de tweede vrouw van keizer Nero. Een complex met wel honderd kamers, uitkijkend – destijds – op de zee. Ook toen namen de machthebbers het er goed van: de villa is rijk versierd met fresco’s, mozaïeken, marmeren beelden, fonteinen en zuilengalerijen, en naar de voorwerpen in het kleine museumpje te oordelen leefden ze er goed van. Omdat het 2 juni is, de ‘Dag van de republiek’ mogen we er gratis naar binnen. Het zou mooi zijn als we in Nederland bij nationale feestdagen, in navolging van Italië, musea en andere bezienswaardigheden – en de Efteling – gratis toegankelijk zouden maken.
De topstukken van de bedolven steden en villa’s zijn te bewonderen in het Archeologisch Museum van Napels. Zaal na zaal gevuld met adembenemende, ragfijne mozaïeken, gedetailleerde schilderingen en fraai versierde voorwerpen, inclusief kasten, bedden tafeltjes op sierlijke pootjes. Een speciale zaal is ingericht met erotica: blijkbaar hadden de oude Romeinen een fetisj voor abominabel grote penissen, en werd ‘de daad’ open en bloot vereeuwigd in ooit heldere kleuren.
Buiten het museum: de stad van nu. Tegenover, aan de drukke straat, liggen de verworpenen in portieken. Er is een ruzietje: er wordt getrokken, geduwd en gescholden, maar een serieus handgemeen wordt voorkomen door aansnellende lotgenoten. De ruzie ging over eten: de ene man had het eten van de andere man opgegeten. Hij had honger.
Italië gaat vluchtelingen terugnemen uit de rest van Europa, vanwege ‘Dublin’, waar is afgesproken dat het land van binnenkomst verantwoordelijk is voor opvang van asielzoekers. Een lelijke maatregel, die de last op de schouders van enkele Europese landen – niet de rijkste – laadt, die van harte ondersteund wordt door een deel van het Nederlandse parlement. Hier in de stad zie je al waar dat toe gaat leiden: straatslapers, ontheemden in de berm, veel bedelaars. En uiteindelijk naar deprotatie van de ongewensten, naar de uitzethubs in Albanië.
We eten – pasta – in het Quartieri Spagnoli, de ‘Spaanse wijk’, hoge woonkazernes is smalle steegjes, ooit opgetrokken voor Spaanse garnizoenen in de 16de eeuw, nu een toeristische attractie, ooit een broeinest van misdaad, prostitutie en verval. (Voordat Italië Italië werd, in 1860, was Zuid Italië het lange tijd een onderdeel van Spanje).
Zonder moeite zie je hier de geniale vriendin van Ferrante rondrennen. En ook is het niet moeilijk je voor te stellen dat de maffia hier regeerde/regeert. De muren zijn volgespoten en geschilderd met allerlei hoogstaande graffiti, veel portretten van Maradonna, soms afgebeeld als held, soms als heilige – inclusief een heus tempeltje gewijd aan de voetballegende – veel voetbalvlaggen. En overal restaurantjes die de lokale keuken uitventen.
De Napolitaanse maffia, de Comorra, is gebaseerd op familieclans, die zich specialiseren in afpersing, drugs, gokken. Ze beheren een paardenrenbaan op de flanken van Vesuvius, en er zijn opmerkelijk veel punten in de stad waar je een wedje kan leggen, waar mannen die je een beter leven gunt rondhangen tussen hoop en vrees. Ook eisen ze beschermingsgeld van kleine ondernemertjes (die zich tegen betaling aan hun afpersers tegen de afpersing beschermen. Heel filmisch allemaal, alleen is de grens tussen de boven – en de onderwereld poreuzer dan elders. Toen de macht van Spanje in het zuiden van Italië begon te tanen – zo rond 1820 – namen de familieclans het lokale gezag over met instemming van de Spaanse overheersers. Ze functioneerden als politie en hadden een eigen rechtspraak systeem, Na de eenwording bleef de Comorra het lokale gezag, met goedkeuring van de nieuwe overheid. De families werden ingezet om mogelijke opstanden of afscheidingsinitiatieven de kop in drukken. Met een dip in macht en aanzien na een arrestatiegolf rond 1863, leefde de Comorra aan het begin van de vorige eeuw weer op, tot Mussolini aan de macht kwam. Die schijnt niet zo ingenomen te zijn geweest met de maffia, naar ik vermoed door de gewortelde loyaliteitscultuur die hem in de weg zat in zijn streven naar alleenheerschappij, en tijdens zijn bewind dwarsboomde hij de Comorra waar hij kon.
Na de Tweede Wereldoorlog kregen de families een rol in het herstel van het gezag, maar al rap veranderde de Comorra van een lokaal familieproject in een internationale, hiërarchisch geleide misdaadbende, waarin ook vrouwen een aanzienlijke rol spelen. De Italiaanse regering is er nu op gespitst de Comorra te breken en de bendes en hun misdaad te bestrijden. Wat geen eenvoudige opgave is, want de verstrengeling tussen de boven- en de onderwereld blijft een schier onontwarbare kluwen. Het is alsof je de corruptie die die verstrengeling met zich meebrengt aan de stad kan zien, het is vies (de afvalverwerking zou in handen zijn van de Comorra), onderkomen- niet alleen de buitenwijken, maar ook de binnenstad heeft iets haveloos, aan de rafelranden veel onafgemaakte gebouwen, waarvan je vermoedt dat ze zijn aanbesteed, dat er smeergeld is betaald, en dat die verdienste belangrijker is dan het gebouw zelf. En een aanstootgevend belabberd wegdek. Net India. Hoogst interessant, en een beetje unheimisch.

