Waarom ik bij het bezoek van Reza Pahlavi aan Ulrike Meinhof moest denken

 Door het bezoek van de Iraanse oud-kroonprins Reza Pahlavi moest ik denken aan Ulrike Meinhof. Hoe dat zit komt later. Eerst een beetje achtergrond en context.

Ulysse Ellian, geboren in 1988 in Kabul, Afghanistan is sinds 2021 lid van de Tweede Kamer voor de VVD. Hij kwam in 1989 met zijn Iraanse vader Afshin naar Nederland, waar het gezin politiek asiel kreeg. Vader Afshin, nu hoogleraar aan de rechtenfaculteit in Leiden en columnist voor Elsevier, is door de oud-kroonprins in maart 2026 benoemd tot lid van het Iraanse overgangscomité voor justitie, voorsorterend op een glorieuze terugkeer van de dynastie met, net als in 1953, hulp van de Amerikanen. Zoon Ulysse nodigde vanuit zijn positie als Tweede Kamerlid Reza Pahlavi uit voor een bezoek aan het parlement. Omdat niet iedereen zo enthousiast is over het bezoek van de wannabe sjah, werd hij ingebed in een breder programma, waar hij in een besloten commissie mocht spreken.

Reza Pahlavi is de zoon van Mohammed Reza Pahlavi, formeel de laatste sjah van Perzië, nu Iran. Mohammed volgde zijn vader op, een gewone man die groot geworden was in het leger, en zich na een coup door het parlement tot sjah liet uitroepen (1925). Opa moest in 1941 het veld ruimen omdat hij iets te vriendschappelijk omging met nazi-Duitsland. Zijn zoon mocht de pauwentroon overnemen, maar moest de absolute macht delen met het parlement.
Mohammed Mossadegh, sinds 1923 parlementslid, werd in 1951 gekozen tot premier. Omdat hij de olie-industrie van Iran wilde nationaliseren en de corruptie wilde aanpakken, werd hij afgezet in een door de CIA gesteunde coup.
Na die coup bleef Mohammed Reza het hoofd van een militaire regering. De olie bleef in handen van de grote oliemaatschappijen. De geheime politie hield mogelijke tegenstanders in het gareel.
In 1967 liet Mohammed Reza, die steeds meer macht naar zich had toegetrokken, zich kronen tot sjah. Op een staatsieportret bij die gelegenheid gemaakt zie je kroonprins Reza, toen 7 jaar oud, in militair uniform voor zijn vader en moeder staan. De gouden epauletten op zijn schouders bijna net zo groot als zijn hoofd.
De islamitische revolutie maakte een eind aan de heersersdroom van de Pahlavi’s. In 1977 vertrok Reza naar de VS. Twee jaar later volgden zijn vader, en zijn moeder, die Farah Diba heette en zich keizerin liet noemen.

Farah Diba, die de plaats van de kinderloze Soraya, de eerste vrouw van Mohammed Reza, had ingenomen, was populair zoals mooie vrouwen getrouwd met machtige mannen en met een tot de verbeelding sprekende titel populair zijn. In 1967 bracht het echtpaar Pahlavi een bezoek aan Berlijn. Ter gelegenheid van dat bezoek, omstreden vanwege de zelfverrijking van de sjah en de martelpraktijken van zijn geheime politie, verscheen er een verhaal in het boulevardblad Neue Revue waarin Farah Diba vertelt over het leven in Iran in Marie Antoinette-stijl: hoe druk haar man het heeft, hoe de Iraniërs verpozen aan het strand, hoe goed het gaat in Iran onder de bezielende leiding van haar man en haar verdere sprookjesleven.
Ulrike Meinhof, de gevierde journaliste van het linkse blad Konkret, schreef als reactie op die artikelen een open brief aan Farah Diba, waarin zij op vriendelijk superieure wijze de vloer aanveegt met Farahs geprivilegieerde oneigenlijke weergave van de verdiensten van haar man en het leven in Iran onder zijn dictatuur.

Tegen het dictatoriale bewind van de sjah en de mensenrechtenschendingen onder zijn bewind werd tijdens zijn bezoek massaal gedemonstreerd. In West-Berlijn liep dat finaal uit de hand. De politie sloeg er genadeloos op los. De student Benno Ohnesorg werd door een politieagent doodgeschoten. Het optreden van de politie joeg de woede van de antifascisten in Duitsland aan. De gevierde vriendschap met een dictator bevestigde voor radicaal links dat de macht in Duitsland nog altijd in handen was van nazi’s.

Na de dood van Ohnesorg (2 juni 1967) radicaliseert de Duitse APO – de buitenparlementaire oppositie.
Ook Ulrike Meinhof radicaliseert. Na de scheiding van Klaus Rohl, die als hoofredacteur van Konkret een Ulrike onwelgevallige kant op wil, verruilt ze in 1969 het tijdschrift voor de TV, en Hamburg voor West-Berlijn. Een jaar later neemt ze deel aan de bevrijding van Andreas Baader en wordt mede-oprichter van de Rote Armee Fraktion.
Zo is er een lijn te trekken van het bezoek van de sjah in 1967, via de dood van Ohnesorg naar de oprichting van de RAF tot de Duitse Herfst van terreur, stadsguerrilla en staatsterreur. En zo kwam het dat ik dacht aan Ulrike, toen ik de oud-kroonprins zo vriendelijk ontvangen zag worden door Ulysse Ellian en zijn vrienden.

Vlerkje de vleermuisbaby

Vlerkje

We zitten rond een uur of tien in de avond – het is eindelijk zover afgekoeld dat het aangenaam is op ons terras – wanneer er iets in strijkvlucht op onze rubberen terrasmat ploft.
‘Wat is dat?’
‘Een tor, een dikke langpootmug? Doe de deur maar dicht.’
Niet veel later beweegt er een donker dingetje op de mat. We buigen ons eroverheen: het is een vleermuis! Ongeveer vijf centimeter, alles erop en eraan: kopje, oortjes, oogjes, bekje, pootjes, vleugeltjes. Piepjong is ie, zo jong dat hij nog niet goed kan vliegen. Per ongeluk van zijn moeder afgevallen.
Vleermuizen krijgen levende jongen, die ze zogen en die vastgeklampt aan mama mee uit jagen gaan.
S raapt het diertje voorzichtig op. Het ligt kalm in de palm van zijn hand, zijn kleine pootjes naast zijn lijfje. Hij maakt zachte piepgeluidjes. We noemen hem Vlerkje, want onze onvoorziene gast hoort direct een beetje bij ons. S aait hem zachtjes over zijn ruggetje, waardoor hij kalmeert en zelfs in slaap lijkt te vallen.
Maar wat doe je met een babyvleermuis? Wat moet hij eten? Drinkt hij water? En waar laat je hem?
Google zegt dat vleermuizen in Slovenië beschermd zijn, en dat je een kleine vondeling zo snel mogelijk aan moet melden bij de professionals. Dat willen we met plezier doen, maar waar vind je die professionals?
We lezen verder: je kunt het diertje voeren met glucosewater en met water aangelengd kattenvoer. Kom er maar om, het is inmiddels half elf ‘s avonds in een dorpje op een half uur rijden van Ljubljana.
De kleine Vlerk is een levendig diertje. Hij verkent de hand van S en probeert zijn vleugeltjes: doorschijnende schermpjes met aan het uiteinde een extra teentje. Hij piept nog steeds aandoenlijk. We proberen een paar adressen te bellen, maar de telefoon maakt geen verbinding met de gekozen nummers, of er wordt niet opgenomen.
We sturen tegen middernacht een mail naar het enige mailadres dat we kunnen vinden, met de vraag wat we kunnen en moeten doen met Vlerkje.

Je moet een vondeling op een hoge plek zetten, waar het donker is, zodat zijn moeder hem terug kan vinden, lezen we. Dat klinkt logisch, al voelt het niet prettig zo’n wurm helemaal alleen op een dak achter te laten. We klimmen bij het golfplaten afdak boven ons terras op een ladder, zetten Vlerkje op een plank waar hij ook onder kan schuilen als het moet, en schuiven hem voorzichtig naar het midden. (Bij ons verblijf is de open parkeerplaats annex hobbyschuur van de eigenaar, daarin vinden we trapleer en plank).

De volgende ochtend ligt Vlerkje nog steeds op de plank. Hij is niet meer zo beweeglijk, maar er zit overduidelijk leven in het diertje, al piept hij niet meer. We zetten hem in de doos van de waterkoker, met het deksel van een jampot met wat water erin (hij zal wel dorst hebben) en leggen wat proppen keukenpapier in de doos. Daar kan hij zich aan vast klemmen.
Maar wat nu?
Gelukkig krijgen we antwoord op onze middernachtelijke email, die naar de lokale dierentuin bleek te zijn gestuurd. Ze verwijzen ons naar twee adressen, een van een vleermuizenopvang in Oostenrijk, en een van de exotische dierenopvang van de Universiteit van Ljubljana. We moeten vandaag toch richting Oostenrijk, dus de dierenopvang daar is een optie, maar we maken ons zorgen over Vlerkje: zal hij de tocht naar Oostenrijk overleven? Dat is zeker wel twee, twee-en-een-half uur rijden. En al vanaf 10 uur gisteravond heeft hij niks te eten en niks fatsoenlijks te drinken.
Dus kiezen we voor de exotische dierenopvang.
Het opgegeven adres blijkt een dierenartsenpraktijk, waar het meisje achter de balie ons doorverwijst naar drie gele gebouwen, ongeveer 100 meter verder. Van die drie gebouwen moeten we het meest linkse hebben. We rijden het terrein op. Er staan een heleboel auto’s geparkeerd, maar er is niemand te bekennen. Alle deuren in het meest linkse gele gebouw zijn dicht.
In een ander geel gebouw zit een vrouw achter de balie, zij wijst ons terug en zegt dat we eerst een deur door moeten, dan een wachtkamer door, en dan kloppen op de volgende deur.
Dat doen we. Een ernstig kijkende vrouw steekt haar hoofd om de hoek: ‘Ja?’
‘We hebben een babyvleermuis gevonden.’
De vrouw wil in een reflex naar het formulier wijzen dat op een tafel in de wachtkamer ligt, maar heeft dan door dat we buitenlanders zijn, zegt: ‘wacht maar even’, en trekt de deur weer dicht. Wij blijven wat verbouwereerd achter.
Niet lang daarna is ze terug. Ze kijkt naar Vlerkje in zijn doos en haalt hem er voorzichtig uit. Zacht zegt ze lieve dingen tegen hem.
‘Wat is ie nog klein’, zegt ze tegen ons.
Wij knikken alsof we de trotse ouders zijn.
Op het formulier wordt ingevuld waar en wanneer we Vlerkje hebben gevonden. De vrouw vraagt nog of we hem mee kunnen nemen naar de opvang in Oostenrijk, maar als wij zeggen dat we denken dat Vlerk direct hulp nodig heeft, kijkt ze nog eens naar het diertje en zegt: ‘ja, dat klopt, we nemen hem hoor.’
Vlerkje komt in een vleermuizencouveuse en krijgt glucosewater en surrogaat vleermuizenmoedermelk tot hij is aangesterkt. Daarna zal hij met lotgenootjes naar de opvang in Oostenrijk gebracht worden.
Opgelucht staan we even later weer buiten. We stellen ons Vlerkje voor in zijn couveuse, we hadden er graag naast gaan zitten, maar moeten helaas verder.

Intermezzo in Lukovica

Als we de parkeerplaats oprijden van ons verblijf niet ver van Ljubljana, komt de verhuurder ons tegemoet. Lange, forse man, korte broek, T-shirt om stevige schouders, robuuste kop. Hij laat ons binnen in het begane grond appartement. Ruim opgezet en spaarzaam ingericht. ‘Alles IKEA’ roept de man. ‘Vroeger moesten we naar Graz of Zagreb, maar sinds kort hebben we een eigen IKEA.’ Hij wijst op de tweepits kookplaat: inductie! En alle pannen kunnen erop. Hij heeft de kookplaat en de oven zelf gemonteerd.
‘Uit de IKEA, want alles wat van IKEA komt is voor iedereen makkelijk te bedienen,’ zegt hij.
In een overdaad aan over het aanrecht hangende keukenkastjes, borden, kopjes en glazen. Van alles vier stuks. Op het aanrecht de niet meer weg te denken magnetron en waterkoker. Dubbele gootsteen. Een reuzenkoelkast. Witte vitrage met gouden zoom en dunne overgordijnen met en onduidelijk motief in roze en oranje voor het raam in de woonkamer/keuken. Voor de rest van de ramen luxaflex. Twee oranje stoelen, en twee gele met daarop roze kussentjes rond een tafel. Uitschuifbaar, die tafel. Allemaal IKEA.

Voor de glazen pui een overdekt terras met een tuintafel en vier stoelen op een vloer van rubberplaveisel. Ernaast, gescheiden van ‘ons’ terras door een struik rozemarijn, lavendel en een muurtje met vetplanten: een zwembad. Twee bij drie meter, de trots van het appartementencomplexje. Met haar hoofd in het enige stukje schaduw voor de ronde ton die als sauna dient ligt een jonge vrouw in bikini op een veldbed in de nog steeds brandende zon.

De man houdt tijdens de rondleiding een heel verhaal, dat hij morgen wel gordijnen wil ophangen in de slaapkamer, want gasten hebben erover gezeurd dat de slaapkamer in de vroege ochtend al baadt in het licht. ‘Nee, nee,’ zeggen we haastig, ‘niet nodig hoor.’
‘En ik zegt het nu maar vast,’ zegt hij, ‘kunnen jullie een positieve recensie achterlaten, want dat is heel belangrijk voor mij. Sommige gasten zijn gewoon pietluttig, zoals over gordijnen in de slaapkamer en dat is niet goed voor mijn klandizie.
Ja, ja, knikken wij, empathie veinzend.
De man vraagt dan of we het binnen niet vies willen maken, want hij is een one man band, en maakt zelf schoon. En nee, dan doet hij niet met een doekje ook de bovenkant van de keukenkastjes, dat doe je thuis toch ook niet elke keer? Hij haalt een wijsvinger over de ijskast en zegt: ‘stof.’ Hij trekt zijn neus op: ‘Ja, sommige gasten zijn zo …’
‘En,’ zegt hij met een nog viezer gezicht: ‘sommige oudere stellen klagen over overlast van spelende kinderen in het zwembad. Daar moet ik niks van hebben. Ik houd van kinderen. Ik heb er zelf zes. Nu het huis uit, maar ik ben blij als er kinderen bij mij logeren.’
Wij mompelen iets als dat we heel rustig zijn hoor, geen zeurpieten en dat we heus wel van kinderen houden.
Zodra hij weg is checken we of de glazen pui voldoende isolatie biedt tegen geluid, van ‘spelende’ kinderen bijvoorbeeld. Wat een ontiegelijke ouwehoer is dat, zegt S., en zet alle luxaflex op ondoorzichtig.

Als ik ‘s avonds sta te koken, houdt de kookplaat er na een minuut of tien mee op. Uien net gefruit, spinazie al half geslonken, zalm uit de verpakking …
Ik haal de man erbij, die héél vaak zegt dat het nog nooit eerder gebeurd is, echt nooit, dat hij er niks van begrijpt. Hij doet van alles, maakt de plaat schoon – die natuurlijk helemaal niet vies is – zet het ding aan en uit en aan en uit, wat niet helpt. Ondertussen blijft hij in een zenuwachtig makend tempo praten. Ten einde raad zeg ik: ‘Ach, het is oké. Het komt wel goed. Ik kom er wel uit,’ want ik heb ondertussen in de gaten waar het aan zal liggen: die tweepits IKEA kookplaat is te klein om zowel een pan voor pastawater én een normale koekenpan tegelijk te verwarmen. Zodra ik hem de deur uit heb gewerkt blijkt mijn idee te kloppen. (Voor het perspectief: het keukenblok telt veertien (14!) kastjes en vier laden)
Ik gooi de inhoud van de koekenpan in een kookpannetje, maak het gerecht af, hussel de sla door elkaar, en weldra zitten we aan de maaltijd, op de gele stoeltjes met de roze kussentjes, aan de uitgeschoven tafel. Buiten op het terras is het te heet om te zitten.

De volgende dag spreekt Man me aan, zijn kleine zwembroek nog druipend van het zwembadwater: ‘Moet ik een nieuwe koekenpan kopen? Zo gek! Deze is van IKEA en zou het gewoon moeten doen…’
‘Nee hoor, niet nodig, ik red me wel,’ zeg ik.
‘Is het avondeten nog gelukt gisteren?
’Ja! Prima.’
‘God zij dank,’ zegt Man met pathos, en werpt zijn armen in de lucht.
Ik haast me naar binnen. Ik leg Man niet uit wat het euvel was, vertel niet dat die koekenpan gewoon werkt als er maar geen andere pannen op zijn miniatuur IKEA kookplaat staan. Ik trek me schielijk terug, achter de gesloten luxaflex …

Brief uit Zagreb

Half Zagreb staat in de steigers. De twee torens van de kathedraal zijn ingepakt in een vlechtwerk van ijzer. Binnen is ongeveer alles wat er te zien is ombouwd met spaanplaat. De Sint Markus kerk, met op het dak de twee wapens van stad en land in kleurig mozaïek, krijgt een fikse opknapbeurt, en is daarom niet toegankelijk. We verkennen het centrum van de stad in slow motion vanwege de hitte. We bezoeken een museum waar we door de geschiedenis van Zagreb geloodst worden.
In de elfde eeuw sticht een bisschop het bisdom Kaptol, op een heuvel aan de rivier de Sana, met de kathedraal als middelpunt. Op een tweede heuvel, voor het werkvolk en de gilden, wordt een wereldlijke tegenhanger gesticht: Gradec, dat in 1242 een fiefdom wordt van koning Bela de Vierde, getuige de zogenaamde Golden Bull, het document dat deze overeenkomst vastlegt. De inwoners van het feodale leengoed mogen wel hun eigen ‘overheid’ kiezen. Gradic wordt ommuurd. De Stone gate, in het centrum van de oude stad, is de poort die van die ommuring is overgebleven, is nu het spirituele centrum van de stad. Het verhaal gaat dat er in de zeventiende eeuw een grote brand is geweest die de poortgebouwen verwoestte, behalve een icoon met een afbeelding van de Madonna met kind. Het wonder wordt herdacht in de Stenen Poort, met een kapel met de icoon achter een smeedijzeren hek, en houten banken waarop de gelovigen kunnen bidden. Enkele nonnen zorgen voor het heiligdom. De muren van het poortgebouw zijn bekleed met votifplaatjes. Op een ervan staat in blokletters Maria hat geholfen. Op veel andere plaatjes staat Hvala (dank je). Lokale mensen die langslopen slaan een kruis bij het kapelletje. Er zitten op de banken mensen te bidden en er worden kaarsjes aangestoken. De gewelven van de poort boven de kaarsenstandaard zijn zwartgeblakerd.
Het bisdom en Gradic versmelten tot het huidige Zagreb en deel gaan uitmaken van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Novi Zagreb, de nieuwe stad, wordt erbij gebouwd. Er wonen nu een kleine miljoen mensen in het gebied, waaronder veel boeren die van het platteland naar de stad getrokken zijn, op zoek naar een beter leven.

De nieuwe stad is groots opgezet, brede straten, veel parken, grote gebouwen, zoals het nationaal theater, een parel van Habsburgse neobouwkunst in licht oker. Het oude centrum is prettig klein met gezellige straatjes en zoveel terrasjes als ik nog nooit bij elkaar gezien heb. Wij hebben inmiddels een favoriet: onder bomen, bij een klein speeltuintje en tegenover een miniparkje. Daar is het onder de parasols net uit te houden, want ook in Kroatië is het warm en tikt het kwik de 40 graden bijna aan.

Het stikt in de stad van de musea. Er is een stropdasmuseum, want we danken ‘de belangrijkste modeaccessoire voor mannen’ aan Kroatische soldaten uit de zestiende eeuw. De eenvoudige voetsoldaat droeg toen een linnen lap om zijn nek, de hogeren in rang sierden zich met bontere halsdoeken, soms versierd met kant. Daar is de cravatte uit ontstaan, de das ‘op de wijze van de Kroaten’.
Er is een chocolade museum, waar je bij de aanschaf van een toegangsticket een verwenpakket chocolade krijgt en tijdens je bezoek mag snoepen aan chocoladefonteinen. Een martelinstrumenten museum waar ik verder geen woorden aan vuil maak. Er is het gehypete museum van verbroken relaties, waar je een verzameling objecten kunt zien en de bijbehorende verhalen kunt lezen van gewone mensen van over de hele wereld en hun stukgelopen relaties. Je mag er zelf een object doneren en je verhaal achterlaten. Ik kom in de verleiding om het relaas van hoe we aan onze Muis, de auto waarmee we reizen, gekomen zijn te doneren aan het museum: een autosleutel als object en een verhaal over een dertig jaar oude vriendschap die om een misverstand over een al dan niet afgevulde benzinetank werd verbroken. Ik weersta de aandrang zonder veel moeite. Er is een selfie museum, ik neem aan dat je daar jezelf kunt tentoonstellen. Er is een museum voor vergeten verhalen, eentje voor katers – niet de katten, maar wat je hebt als je teveel gedronken hebt. Er is een museum waar je je kunt verplaatsen in de wereld van de visueel gehandicapten, een new wave museum, een treintjes museum, een cannabis museum en een jaren tachtig museum.
Die bezoeken we allemaal niet.

We willen naar het kunstnijverheidsmuseum. Dat is dicht vanwege herschikking van de objecten. Dan maar het etnografisch museum. Daar is de vaste collectie niet toegankelijk, er is alleen een tentoonstelling te zien over de relatie van de mens met de grond waarop hij leeft. De derde optie, het kunstpaviljoen, is zonder opgaaf van reden gesloten tot nader order. Het museum voor moderne kunst? Dicht vanwege renovatie.
Na deze treurige tocht in de verzengende hitte belanden we in het museum voor naïeve kunst. Daar leven we op bij een fijne verzameling kunst gemaakt door mensen die geen kunstopleiding hebben gevolgd, de peasant painters, uit de Hlebine School. De Kroatische schilder Krsto Hegedusic, oprichter van het Zemlja collectief van kunstenaar die op zoek waren naar een eigen Kroatische uitdrukkingsvorm, woonde in Parijs, maar bracht zijn zomervakanties door in Hlebine, het geboortedorp van zijn vader. Daar ontmoette hij in 1930 twee boerenjongens, Ivan Generalic en Franjo Mraz, die religieuze plaatjes en ansichten naschilderden met uitzonderlijk talent. Hij moedigde ze aan om vrij te schilderen, wat ze zagen, wat ze meemaakten, wat ze voelden. De dieren, het dorp, het boerenleven, het onrecht, want Hegedusic was zich bewust van de sociale achterstelling en armoede op het Kroatische platteland. Hij trainde de twee jonge mannen in techniek en thematiek, zonder ze te knevelen in het keurslijf van een formele opleiding. De twee kregen navolging van anderen. Een tweede generatie groeide op onder mentorschap van Generalic. Het werd een stroming. Het levert geweldige schilderijen op.

Novi Zagreb is een stad gemaakt om te flaneren, met veel parken, brede lanen met groene middenstroken, een botanische tuin en, volgens een reisblog, een van de mooiste begraafplaatsen van Europa. Maar bij deze hitte is de lol er snel af, van flaneren: binnen de kortste keren druip je van het zweet, je wangen zien eruit als twee overrijpe tomaten, je enkels zwellen alsof je elefantiasis hebt en je haar kleeft op je hoofd als nat spinrag.
Dus pakken we de tram naar het museum voor contemporaine kunst, dat wonder boven wonder wel open is. Een kunstpaleis met airconditioning waar wij de enige bezoekers zijn. We kunnen dus ongehinderd praten, becommentariëren, nog eens teruglopen, eindeloos plaatjes schieten, beetje voor ons uit murmelen of zacht zingen zonder anderen te hinderen. Beter wordt het niet. Na de eerste drie verdiepingen drinken we een Americano, een met heet water aangelengde espresso, in het naastgelegen restaurant, waarna we de resterende twee verdiepingen bezichtigen. Zoals in elk museum voor kunst van nu hangt er een bonte verzameling werk, soms aandoenlijk (werk van een Finse die op foto’s tandenborstels, barbiepopjurkjes en haarspeldjes met klodders lijm vastplakt en over achterkanten van lijstjes kapotte netkousen en dito hemdjes trekt); soms would be (een in glimmend zwart uitgevoerde nar met een opgezet vogeltje op zijn puntige schoen); soms gewoon goed (linosnedes van gestileerde soldaten); soms gewoon lelijk (een soort aan de muur opgehangen scrotums in wit plastic met rode druppels eraan); soms leuk en herkenbaar (bladeren uit een herbarium). We zijn er uren zoet.

Terug rijdt de tram ons in een keer naar vlak bij de Sparsuper en het huis waar we verblijven. Op de heenweg was er halverwege een stroomstoring en stonden we onder een fly-over te bedenken wat we zouden gaan doen: een klein halfuurtje lopen in de zon of wachten op een terugkeer van de stroom, toen er aan de overkant van de weg een bus verscheen die ons tot vlak bij het museum bracht.

Gisteren was er opnieuw een stroomstoring. We liepen het kwartier naar het archeologisch museum hoppend van schaduwzijde naar schaduwzijde. In het museum voerde een ouderwetse kooilift, de kooi versierd met paardmotieven en krullen ons naar de derde verdieping. Via neolithische vondsten, Egyptische mummies, Griekse vazen, Romeins glaswerk, middeleeuws aardewerk en krijgstenues kwamen we terug op de begane grond. (De tweede verdieping, die van de Etrusken, was dicht vanwege herinrichting.) In de jaren tachtig heeft de aarde hier gebeefd. Het archeologisch museum is daarbij zwaar getroffen. Ik zag foto’s van vitrines vol Griekse vazen aan gruzelementen. Ze hebben het fraai gerestaureerd.
We drinken meer Americano’s. Je krijgt er een glas koud water bij, met ijsklontjes erin. Dat water drinken we op, en gieten er de koffie uit het kopje in om het nog meer te kunnen aanlengen met heet water uit de meegesleepte thermosfles. Die warme slappe bak werkt dorstlessend en koelt ook af – je gaat er extra van zweten, en door het windje onder de bomen op ons favoriete terras verdampt dat zweet, wat warmte aan je lichaam onttrekt. Het schijnt dat het beter werkt als je erin gelooft.
De burgemeester van Zagreb heeft verordonneerd dat alle stadsmusea dit weekend gratis toegankelijk zijn voor iedereen, vanwege de hitte. De tram rijdt weer niet, en we komen oververhit aan bij het museum voor natuurlijke historie. De koffiebar is dicht, maar de toegangsdeur niet. Wij trekken twee stoelen aan een tafel en drinken ons meegebrachte koude water om af te koelen. Daarna beleven we een uur of wat plezier aan de tentoongestelde mineralen, stenen en fossielen. Er zijn met spelden opgeprikte insecten; slangen, wormen en kikkers op sterk water en grotere opgezette dieren. Van dat laatste houd ik niet zo, maar die dieren op sterk water zijn mijn guilty pleasure. Geen idee waarom, maar het fascineert me. Net als fossielen van vissen en bladeren. Daar kan ik geen genoeg van krijgen.
De pronkstukken van de verzameling zijn Neanderthaler resten. Niet ver van hier zijn in een grot een grote hoeveelheid overblijfselen van onze verre voorouders gevonden, met vuistbijlen en andere gebruiksvoorwerpen. De beenderen en resten van schedels zijn geassembleerd tot complete skeletten met behulp van rood koperdraad en klei. Er staat een nagemaakte Neanderthalervrouw met een dierenvel om in een vitrine, met klein meisje en een kind dat op de grond zit als een dier. Het geheel wordt omlijst met filmpjes en animaties.
Via een Turkse koffie voor het lekker op een terras met een grote ventilator, en later een Americano tegen de dorst bij een alleraardigst meisje bij een cafeetje onder een boom – zij bracht ons de koffie direct in een groot glas, met een extra groot glas water erbij – lopen we langzaam terug naar huis, zoveel mogelijk aan de schaduwkant van de straat.

Afbeelding: Gypsy and Gypsy woman, geschilderd door Martin Mehkek, olie op glas, 1967, Museum voor Naïeve Kunst, Zagreb, Kroatie, 2026

Brief uit Kozice

De tocht naar Kozice was avontuurlijk. Zeker twee uur reden we van het kastje naar de muur over onverharde wegen door een uitgestrekt niemandsland, waar alle dichtbegroeide heuvels op elkaar leken, en waar slechts af en toe een huis opdook tussen het weelderige groen. ‘Slepke’, zoals we onze navigatie noemen, was stilgevallen, en met de schaarse personen die we tegenkwamen deelden we geen taal.
Aan het eind van een doodlopend pad, stuitten we op een vervallen huisje, omringd door grazige weitjes en fruitbomen. Er was niemand, maar de deur stond open. Binnen een bed dat eruitzag als een nest, dekens en wat kleren. Een keukentje dat uit de middeleeuwen leek te stammen. Ik moest denken aan al die vluchtelingen die zich hier in de uitgestrekte bossen schuilhouden voor de lokale politie, vigilantes en milities die de buitengrenzen van Europa met stroomstootwapens, afranselingen en berovingen voor ons bewaken. Die bivakkeren in precies dit soort verlaten huisruïnes of gewoon in het bos. Hier zitten in een schuurtje echter een stel varkens, dus er moet een reguliere bewoner zijn die zich elke dag met de dieren bezighoudt.
We keren om en rijden wat later een erf op waar een vervaarlijk uitziende hond ons toeblaft. Een man of vijf, zes zitten aan een tafel onder een afdak. Ze springen op en komen naar ons toe; wijzen enthousiast verschillende kanten op, en de jongste van het gezelschap weet te melden dat het ‘foenf’ een van die kanten op is. Het is een uitgelaten gezelschap, en ze lijken niets liever te willen dan dat we ons bij hen voegen, rond de fles met schnaps. Aanlokkelijk, maar de avond begint te vallen, en we weten nog steeds niet waar ons onderkomen voor de nacht is. Ik stuur een bericht naar de verhuurder, al heb ik geen bereik. Als we bij een volgend huis weer gaan vragen, worden we opgevangen door de verhuurder, die ons herkent aan het Nederlandse nummerbord van Muis. We rijden achter hem aan, slaan na een kwartiertje een smal zijpad in en stoppen voor een huis gelegen in sprookjesland.
Het is een nieuw huisje, de eigenaren hebben onlangs besloten de onderste etage van hun huis als vakantiehuis te verhuren, en wij zijn de eerste gasten.
Het huisje zelf is vol liefde volgestouwd met snufjes en tierlantijntjes in de stijl van ‘a coffee a day keeps the docter away’ en ‘in dit huis respecteren we elkaar’. Onder kleine glazen stolpjes op de vensterbank kaarsen die eruitzien als gebakjes. Elk hoekje is bezet of behangen met ‘gezellige dingetjes’. Horror vacui. Op de bedden liggen stapels kussens. En een donzen dekbed. Op de tafel een vaas met veren. De keuken is uitgerust met een twaalfdelig servies, glazen voor een weeshuis, een sodastream en een sapcentrifuge en een pannenset om u tegen te zeggen. In de badkamer ‘natural body butter’ en spul voor een ‘complete scrub experience’.
Je kan je kont niet keren (wij zetten zoveel mogelijk prullaria opzij en leggen de overtollige bedkussens op een hoop naast de bank) maar het is vooral aandoenlijk, zoals de verhuurders het hun gasten naar de zin hebben proberen te maken. Hij is een Duitser, zij een Servische, geboren in dit dorp dat bestaat uit drie huizen. Ze wonen in Duitsland en dit is hun buitenverblijf.

Er loopt een man voorbij met een glimmende drietandige riek, wat me doet denken aan een scene uit de film Novecento, waarin de door Donald Sutherland gespeelde smerige lokale fascist aan het eind van de oorlog door de buren die hij jaren heeft gekweld met een soortgelijke riek wordt neergestoken. Er wordt hier nog traditioneel keuterboerenlandbouw bedreven. Ik zie mannen en vrouwen hooien met een houten vork, met een hak de aarde bewerken. De tractortjes lijken op die uit de jaren vijftig en bij elk huis is een groentenkasje, lopen een paar kippen, een paar varken, schapen en geiten.
Gisteren gingen we boodschappen doen – ruim een half uur rijden over macadam weggetjes en asfalt naar het dichtstbijzijnde stadje, Sanski Most, tussen Kljuc en Prijedor. Het stadje ligt in de Federatie Bosnië-Herzegovina, op de grens met de Republika Srpska. Langs het macadam wappert trots de vlag van die Republika en worden we welkom geheten in Servisch gebied. Op een van de heuvels waar we op uitkijken staat een groot christelijk kruis dat oplicht in de avondzon. Midden in het niets een klein orthodox kerkje.

Op de brug waar we overheen rijden richting supermarkt zijn in de laatste oorlog 19 Bosniakken door Servische nationalisten vermoord en in het water van de Sana rivier gegooid. Er is een gedenkteken. Het wemelt in dit land van de gedenktekens en van de kleine begraafplaatsen van slachtoffers van de laatste grote geweldsgolf.
Het dorpje Kozica waar we logeren was in de Tweede Wereldoorlog een van de plekken waar de Kroatische Ustase, die heulden met de nazi’s en zich qua wreedheid met hen kon meten, huishield onder de Serviërs. Er vielen duizenden slachtoffers.
Aan het eind van die oorlog werd hier, tijdens een bijeenkomst van de Antifascistische Staatsraad voor de Nationale Bevrijding van Bosnië en Herzegovina (ZAVNOBiH) verklaard dat in de toekomst Bosniakken, Kroaten en Serven gelijk zouden zijn.
Onder Tito werd die gelijkheid afgedwongen, maar door de laatste oorlog is al het oude en nieuwe zeer weer een open wond. De scheiding van het land in twee delen heeft niet bijgedragen aan verbroedering.

En wij zitten hier met volle teugen te genieten van de serene stilte. Je hoort geen auto’s, niet het geluid van een snelweg op de achtergrond, geen vliegtuigen en dat is op zich al heel bijzonder. Overal vogelgekwetter en het zoemen van bijen en andere vliegende insecten. Het ronken van een machine op een veld in de vallei beneden die rechthoekige strobalen maakt verdiept de stilte eerder dan dat ze wordt verstoord. Het is warm, maar er waait een windje dat het buiten zitten in de schaduw net draaglijk maakt. Een kleine geit speelt met een groot roze varken. Er kraait een haan. De hond van de eigenaar komt eens kijken en geeft me een lik over mijn hand.
Boven op een van de bergen is een groot plateau waar een prehistorische stad is gevonden, die nog niet is blootgelegd. Er is opgegraven, maar door geldgebrek is de onderneming weer gestaakt. Er zijn sporen van neolithische bewoning in dit gebied. In het museum in Sarajevo zag ik een overdadige verzameling vuistbijlen, stenen pijlpunten en messen.
Tachtig procent van het grondgebied in Bosnië bestaat uit bos, zegt Ralf, de man van Sladana. Het zijn de longen van Europa, meent hij, en ik wil hem graag geloven. S zoekt het op, Ralf doet aan romantische overdrijving, het percentage bos is zo’n 53%. Ter vergelijking: in Nederland is het 11%.
In de uitgestrekte bossen zwerven wolven en beren, herten en wilde zwijnen. En jakhalzen. Die laatste zitten niet ver weg, en doen de honden ‘s-nachts blaffen. Er mag niet op de beren gejaagd worden, maar dat houdt de jagers niet tegen.
Het is nu dicht begroeid, zegt Sladana, maar in de winter, als alles kaal is, kan je hier overal nog de skeletten van verwoeste huizen zien. De oorlog was hier heel erg. Sladana is op haar elfde met haar ouders naar Duistland vertrokken, toen Joegoslavië uiteen begon te vallen. Ralf en Sladana maken zich zorgen over de ontwikkelingen. De verrechtsing, de soms directe, dreigende oorlogstaal. Ze spreken over thuis, in Duitsland. Maar, zegt Ralf, als er thuis, in Europa, een oorlog uitbreekt, trekken we ons hier terug. We hebben een generator, hout, kaarsen, een moestuin. We kunnen hier best overleven als het moet.

Van Kozica rijden we via Prijador naar de Kroatische grens. Twee grensposten in elkaars verlengde. Zonder niemandsland te doorkruisen rijden we de EU binnen. Of we iets aan te geven hebben? Schnaps? Sigaretten? We mogen passeren, zonder dat iemand een blik heeft geworpen op onze volgepakte auto, waar toch met gemak een mud sigaretten en een kleine destilleerderij onder de paardendeken verstopt had kunnen zitten. Of een vluchtelingenechtpaar met twee kleine kinderen…
Op het kasteel bij de grenspost wappert fier de Kroatische nationale vlag.

Niet ver na de grens zien we huisjes met authentiek houtsnijwerk aan de pui, met dakpannen die lijken op de schubben van een hele grote draak, stenen onderbouw met houten bovenkant, uitbouwtjes, balkonnetjes van hout versierd met schilderingen.
Dat zag je in Bosnië niet, daar zag je verlaten, vervallen, en overgroeide huizen, kogelgaten in de muren. En nieuwbouw, opgetrokken uit grote blokken rood gasbeton, grof gemetseld, soms half afgemaakt en weer verlaten. Niet altijd gestuct en geschilderd. Al het authentieke is er in de vier-vijf jaren geweld weggevaagd. Kroatië is minder zwaar getroffen, en dat zie je aan de dorpjes langs de weg.

Tito nostalgie

We zijn neergestreken in café Tito, in Sarajevo, een café achter het historisch museum, waar ik een expositie bezocht die ‘Who is Walter’ heet, en gaat over verzet tegen fascisten. Er hangt een verzameling anti-fascistische posters uit verschillende landen, het partizanenverzet wordt gevierd als het omvangrijkste verzet tegen de nazi’s. Een verdieping hoger een expo over de jarenlange belegering van Sarajevo die erg veel wegheeft van expo’s over ‘onze bezettiningstijd’: olielampen, houtkacheltjes, vaak opgelapte kleren en andere overlevingsinventiviteit.
Sarajevo had een tunnel om het hongerende volk in de stad te verbinden met de buitenwereld. De tunnel liep onder het vliegveld door, wat gedoogd werd door de VN vredesmacht, en was de aanvoerroute van eten, wapens en andere zaken die van belang zijn in een belegerde stad, zoals informatie. De tunnel is voor een deel bewaard gebleven en wordt nu getoond als een teken van het standvastige verzet van de stad en de stedelingen tegen de belegering door de Serviërs.

Vlak bij café Tito staat het ‘Ingeblikte vlees monument’, een manshoog beeld van de Sarajevaanse kunstenaar Nebojsa Serić Soba in de vorm van een conservenblik, dat in bescheidener formaat door de Amerikanen vanuit de lucht aan de hongerende bevolking van Sarajevo werd gegeven tijdens het beleg van de stad. Er zou niet al te enthousiast gereageerd zijn om die gave: de blikken waren ver over de datum; de inhoud was niet te vreten, zelfs de honden bliefden het niet. Het waren restanten nog uit de tijd van de Vietnamoorlog, en bovendien zat er varkensvlees in, wat niet getuigt van culturele gevoeligheid. Men vond de mensen in Sarajevo ondankbaar, maar honger maakt niet alle rauwe bonen zoet.
Het beeld staat er sinds 2007. In 2022 heeft het een nieuwe verflaag gekregen: op een bleekgouden achtergrond staat behalve de sterrencirkel van de EU nu ook in grote letters: “canned beef”. Als het lijkt op de korrelige cornedbeef of gladde spam die ik als kind wel gegeten heb, kan ik me het non-enthousiasme van de Sarajevanen levendig voorstellen.
Op de sokkel wordt de internationale gemeenschap op ingehouden cynische wijze bedankt voor hun hulp aan de belegerde stad.

Voor het Tito café staat een assortiment roestige relicten uit WOII. Op een jeep met half ingegraven banden zit een klein meisje met een stralende glimlach.
Het café zelf is volgehangen met portretten van De Maarschalk, van de fascisten bestrijdende partizaan tot de oude, gelauwerde leider. Er zijn krantenknipsels over Tito, een ingelijste cover van Time magazine met zijn portret, gebruiksvoorwerpen uit de late Tito-tijd die me heel vertrouwd voorkomen (zoals een platenspeler). Er is een theeservies met Tito’s beeltenis erop en meer van dat soort parafernalia.
We worden bediend door een jonge man, in een rood t-shirt met als opdruk een gestileerde Tito in zwart. Hij, laten we hem Hamid noemen, is dertig en geeft volmondig toe dat hij lijdt aan Tito nostalgie. Alles was beter in die tijd, meent hij. Er was niet zo veel gedoe over religie. Zelf identificeert hij zich als moslim, uit respect voor zijn gelovige zus en zijn familie, maar eigenlijk is hij een ongelovige. Geloof en geld, beiden brengen niets dan ellende. Hij noemt Tito een ‘gentle dictator’, die wist op te treden als dat nodig was. Wij mensen in de Balkan hebben dat nodig, zegt Hamid, een harde hand die ons leidt, anders gaat het al snel mis. Als het aan hem zou liggen, zouden alle kerken, moskeeën, kathedralen en wat dan ook voor godshuizen allemaal met de grond gelijk gemaakt worden. Afschaffen, die verdeeldheid zaaiende ideeën. Zonder dat geloof zijn we allemaal gewoon mensen.
Onder Tito, neemt Hamid, had iedereen werk, was er genoeg van alles en keek men naar elkaar om. Nu, onder die zogenaamde democratie, is het ieder voor zich en denken mensen alleen nog aan zichzelf. De leiders zijn allemaal corrupt en mensen zijn alleen nog maar bezig met hoe ze zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld kunnen vergaren.
Hij heeft onlangs zijn mobiele telefoon weggedaan. Gek werd hij ervan, van die constante stroom van berichten en dat voortdurende nieuws. Hij voelt zich nu veel beter. Ik hoef niet alles te weten, zegt hij. Het liefst weet ik eigenlijk niets, want wat heb je aan al die vluchtige kennis over een gedoetje hier en een opstootje daar. Ik wil het met mijn vrienden hebben over dingen die ertoe doen, en dat we elkaar opzoeken in plaats van gemakzuchtig naar elkaar appen.
Hamid werkt op dagloon in het café. Dat is zijn eigen keuze, een maandcontract kan ook, maar door persoonlijke omstandigheden die hij verder niet opheldert kiest hij ervoor dagelijks zijn 50 BAM te ontvangen voor de acht uur dat hij werkt. Dat is omgerekend 25 euro. Als hij geluk heeft, komt daar aan fooien nog eens 25 euro bij. Niet veel, maar voor nu, zegt Hamid, is het goed. Voor nu past dit bij mij.
Zijn Engels is erg goed. Gewoon op school geleerd, zegt hij, en dan, met een zekere trots: wij hebben heel goed onderwijs. Bij ons moet je alle vakken volgen tot je naar college gaat, daarom zijn wij breder geschoold dan in de landen om ons heen of in Duitsland, waar je eerder een keuze in je vakken moet maken.
Hij is lang – twee meter, twee meter twee met schoenen, zegt hij, slank en wonderbaarlijk open. Als ik later het café binnen ga om naar het toilet te gaan, zie ik hem naast de bar danspassen maken.

Je kunt je eigenlijk best voorstellen dat er een zekere nostalgie naar de Titotijd bestaat, naar de tijd dat Joegoslavië nog bestond en er geen openlijke verdeeldheid was. Het communistische regime zorgde voor werk, eten en een dak boven je hoofd, en je had weinig te vrezen als je je niet met politiek bemoeide en op de gebaande paden in het gareel bleef lopen. Zeker voor jongeren die opgegroeid zijn met de afschuwelijke oorlogsverhalen van hun ouders en dagelijks de frictie tussen de verschillende groepen ervaren, lijkt dat een mooie tijd. Met de alom aanwezige Tito als rechtvaardige leider van een eensgezinde natie.

Tito – voluit Josip Broz – werd in 1892 in Kroatië geboren bij Sloveens-Kroatische ouders.
Als jongeman nam hij dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij werd krijgsgevangene, maakte in Rusland de revolutie mee, werd communist en diende in het Rode Leger. Na de Eerste Wereldoorlog werd het koninkrijk Joegoslavië gevormd uit de resten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. (Het Ottomaanse rijk was al eerder in scherven uiteengevallen). Daar werd Tito in 1928 secretaris van de toen verboden Communistische Partij in Zagreb. Dat kwam hem op vijf jaar gevangenis te staan, waar hij geluk mee had, want terwijl hij in de gevangenis zat, verharde de repressie en werden zijn mede-communisten zonder pardon tegen de muur gezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar de Sovjet-Unie. Toen de Asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, vormde Tito een verzetsgroep, de partizanen. Die werd de grootste en machtigste van het land. Nog tijdens de oorlog begonnen Tito en zijn kompanen de contouren voor de nieuwe staat te schetsen.

Toen de oorlog voorbij was, werd Tito premier. Zijn geheime dienst maakte overuren bij het opsporen en afrekenen met fascisten, collaborateurs, Ustase (Kroatische fascisten) en Cetniks (Servische nationalisten die tegen de nazi’s en tegen de communistisch partizanen vochten), verstokte royalisten en andere echte of vermeende tegenstanders. Velen werden vermoord of verpieterden in werkkampen.
In 1946 schafte hij de monarchie af en stichtte de Federale Volksrepubliek Joegoslavië, een communistische staat naar Sovjetmodel. Een paar jaar later raakte de band tussen Tito en Stalin verstoord: Tito hield vol dat Joegoslavië door zijn partizanen was bevrijd, terwijl Stalin beweerde dat het de Russen waren geweest die de nazi’s verjaagd hadden. Ook had Tito er geen trek in om Joegoslavië te ontwikkelen als vazalstaat en leverancier van halffabricaten aan de Sovjet-Unie. De breuk met Stalin werd niet meer geheeld, en ook na diens dood bleef Tito een eigen koers varen. Dat maakte hem geliefd in Europa en de VS als buffer tegen het Rode gevaar.
De nieuwe grondwet van 1963 bepaalde dat Tito’s presidentschap alleen kon eindigen met zijn dood. Zijn beleid was gericht op het onderdrukken van regionale, etnische en religieuze verschillen en de volken binnen de grenzen van zijn rijk samen te smelten tot een nieuwe mens: de Joegoslaaf, zonder religie, vol gemeenschapszin en trouw aan de leider.
Ondanks de afgedwongen gelijkheid bleef Servië dominant. Dat zinde de andere groepen niet, en om onrust te voorkomen bepaalde de vernieuwde, federale grondwet van 1974 dat Kosovo (door Servië als Servisch geclaimd) een autonome provincie werd, met eigen stemrecht in de Federale Raad. Net als Vojvodina, een gebied in Noord-Servië met een grote Hongaarse minderheid. Die twee toegevoegde stemmen zouden de Servische dominantie moeten inperken.
Slobodan Milosevic, de extreem nationalistische president van Servië, draaide die maatregel in 1990 terug, en eigende zich de stemmen van de twee regio’s weer toe als stap op de weg naar een Groot-Servië. Vojvodina werd tijdens de Kosovo oorlog in 1999 door de NAVO zwaar gebombardeerd. Pas in 2009 ging het Servische parlement akkoord met het herstel van de autonome status van voor 1990. Vojvodina is een mengelmoes van verschillende etnische groepen; er worden zes talen gesproken. Rechtse partijen in Hongarije vinden dat het stuk land geen onderdeel van Servië moet zijn, maar toebehoort aan Hongarije.

De strijd om Kosovo is ons bekender. In Kosovo wonen vooral (zeker 90%) etnische Albanezen, die niet bij Servië willen horen. Oorspronkelijk werd het gebied bewoond door Illyriërs en Thraciërs. Die oeroude stammen bestierden voor het begin van onze jaartelling een omvangrijk gebied, samengesteld uit kleine rijkjes. Ik herinner me een tentoonstelling ‘Het goud van de Thraciërs’, in Museum Booijmans van Beuningen in 1984, toen Joegoslavië nog niet uiteengevallen was, de tentoongestelde schatten uit Oostblokmusea kwamen en ik nog nooit van Kosovo gehoord had. Ragfijn goudwerk, filigraan, dierenfiguurtjes.
Aan de Thraciërs hebben we, via de oude Grieken, de god Dionysus, de mythische prinses Europa en Orpheus te danken. Spartacus, de leider van de grote slavenopstand in het oude Rome, was een Thraciër.
Kosovo maakte deel uit van het deelrijk Dardanië, dat na een Romeinse, een Byantijnse en een Bulgaarse periode, in de dertiende eeuw geannexeerd door het koninkrijk Servië. In 1389 vond bij Kosovo Polje de Slag op het Merelveld plaats, tussen de legers van vorst Lazar en de Ottomanen. De laatsten wonnen en bleven vijf eeuwen heersen over het gebied. Albanezen en Bosniakken bekeerden zich tot de islam. De Serven bleven oosters-orthodox.
Na de val van het Ottomaanse rijk en de eerste Balkanoorlogen, nog voor de Eerste Wereldoorlog, kreeg Servië de heerschappij over Kosovo. Voor Servische nationalisten is Kosovo de bakermat van de Servische beschaving, een idee dat innig verbonden is met die veertiende-eeuwse slag op het Merelveld, die de overheersing van de orthodoxe Serviërs door de islamitische Ottomanen en in hun verlengde de bekeerde Albanezen en Bosniakken inluidde.
Het doet me denken aan de Vlaamse Guldensporenslag, bij Kortrijk, die ook in de veertiende eeuw plaatsvond, die voor Vlaamse nationalisten een van de belangrijke bouwstenen is van hun Vlaamse identiteit. Een bij elkaar geraapt leger van Vlaamse boeren, ridders en stedelingen versloeg toen het Franse leger. ‘Ik begin de slachting, volg mij’, zou Robert van Bethune, de leider van de Vlamingen, met de bijnaam ‘de Leeuw van Vlaanderen’ geroepen hebben. Mooier kan het niet voor nationalisten.
De Serven verloren de Slag op het Merelveld dan wel, maar door hun onbaatzuchtige inzet hebben ze de wereld wel mooi behoed voor een verdere Turkse opmars, vinden ze zelf.

In Kosovo riep Ibrahim Rugova, de pacifistische leider van de Albanese Kosovaren, in 1991 eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Hij richtte een ondergrondse schaduwregering op, die alleen door Albanië werd erkend, en zette een ondergrondse maatschappijstructuur op met een parlement, gezondheidszorg en onderwijs.
Omdat het vreedzame verzet van Rugova niet echt zoden aan de dijk zette, werd vijf jaar later het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) gevormd. Zij begonnen een guerrillaoorlog tegen Serviërs en vermeende collaborateurs. Het Joegoslavische Volksleger – dat Servië zich tijdens het uiteenvallen van Joegoslavië steeds meer toe-eigende – viel Kosovo binnen. Dat liep uit de hand, grote groepen vluchtelingen raakten op drift, de NAVO greep in, er werd een akkoord gesloten dat werd geschonden, er werd opnieuw vergeefs onderhandeld en uiteindelijk ging de NAVO over tot het wekenlang bombarderen van Servië, waarop de Servische troepen zich volledig uit Kosovo terugtrokken.
Kosovo kwam onder bestuur van de VN. In 2008 stemde het Kosovaarse parlement unaniem voor onafhankelijkheid. Een onafhankelijkheid die niet unaniem erkend wordt.

Tito was toen alweer een tijdje dood. Na zijn dood in 1980 ging het rap bergafwaarts met Joegoslavië als eenheidsstaat. Servië, altijd al dominant, claimde de stemmen van Vojvodina en Kosovo en versterkte zo zijn positie, met de extreme nationalist Milosevic aan het roer. De Sovjet-Unie viel uiteen, de Berlijnse Muur ging neer, met dictators uit het communistische blok werd genadeloos afgerekend. Denk aan de Roemeense Ceausescu, die na een kortstondig volkstribunaal samen met zijn vrouw werd geëxecuteerd.
In Joegoslavië leefden ook in de andere deelstaten het nationalisme op. In 1991 riepen Slovenië en Kroatië hun onafhankelijkheid uit. In april 1992 volgde Bosnië-Herzegovina. Servië, onder Milosevic en generaal Mladic, met de slagkracht van het Joegoslavische volksleger, was hoofdrolspeler in een bloedige en wrede strijd die duurde tot 1996.
Onder het vredesakkoord van Dayton is Bosnië-Herzegovina verdeeld in een Servisch en een Moslimdeel, met grillige grenzen, elk een eigen hoofdstad (Banja Luka en Sarajevo), een eigen vlag, een eigen parlement, eigen regels, onderverdeeld in kantons en regio’s met zo min mogelijk etnische diversiteit, en blijvende spanningen tussen de bevolkingsgroepen. De federale overheid staat onder leiding van een driemanschap aan presidenten: één Kraotisch, één Servisch en één Bosniak. In het federale parlement zijn de zetels verdeeld over de drie dominante etnische groepen in het land. Daarboven staat de Hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina, een ongekozen, door de internationale gemeenschap aangewezen persoon die de politieke verdeeldheid in toom moet houden en de bevoegdheid heeft wetten door te voeren en functionarissen te ontslaan.
Bosnië-Herzegovina is sinds een paar jaar kandidaat-lid van de EU, maar voor er toegetreden kan worden is er nog enig werk te doen.

Het lijkt me dat de verdeling die in Dayton gemaakt is destijds als verstandig gold. Er moest een oplossing gevonden worden, de oorlog en het moorden moesten worden gestopt. Analoog aan wat de Engelsen destijds met India deden, is gekozen voor een soort ‘partition’. Niet in twee aparte staten – dat was moeilijk aan Servië te verkopen geweest, want waarom dan niet gewoon de Republika Srpska bij Servië voegen? En onverteerbaar voor de Bosniakken, die niet de helft van hun land zouden willen afstaan aan hun genocidale buren. Toch is het geen ideale oplossing, de bevolking is en blijft gemengd, al is er wel over en weer ‘ethisch gezuiverd’. Het is een noodoplossing, zeker ook omdat de hoogste baas van het land nog altijd, na dertig jaar, door de internationale gemeenschap wordt aangewezen.

Logisch dat jongeren zoals Hamid van café Tito, opgegroeid in de nasleep van de laatste oorlog in een nog altijd verdeeld land vol spanningen, terugverlangen naar een geromantiseerde tijd onder de Maarschalk. Toen was het misschien dan wel een communistische dictatuur, maar wat heb je aan democratie als die alleen maar leidt tot corruptie, machtsmisbruik en het onbeschaamd nastreven van je eigenbelang.

Brief uit Srebrenica – deel twee

Tussen Bratunac, waar we verblijven, en Srebrenica ligt Potocari, waar Dutchbat op het terrein van een oude accufabriek zijn compound had. Zo’n 400 mannen en vrouwen van de Luchtmobiele brigade vormden in de laatste dagen van de enclave de Nederlandse bijdrage aan UNPROFOR, de VN-vredesmissie in Bosnië tijdens de oorlog van 1992-1995.
Al bij het betreden van het gebied had duidelijk kunnen zijn dat Mladic en zijn troepen de beste kaarten hadden: Dutchbat mocht de enclave in, maar zonder al te zware wapens. Die werden prompt ingeruild voor lichtere, want UNPROFOR was geen vechtmissie, maar een vredesmissie die de Bosniakken, samengedreven in het stadje omringd door heuvels en bergen, kwam beschermen. Ik ben geen militair expert, maar dat Srebrenica moeilijk te verdedigen is, geloof ik gelijk. Later is wel gezegd dat de hele onderneming van meet af aan onverantwoordelijk was, maar dat was pas nadat de mensen die beschermd hadden moeten worden vermoord waren, en de uitgezonden militairen weer thuis waren, met PTSS, en alle klachten die daar het gevolg van zijn.

Direct na hun vertrek uit Potocari, op de basis in Zagreb, verklaarden de Dutchbatters dat het een moeilijke tijd was geweest: ze zaten tussen twee vuren: aan de ene kant de moslims die – volgens enkele Dutchbatters – eropuit waren de Serviërs te provoceren om zo de slechtheid van de vijand te laten zien en hun eigen slachtofferschap aan te dikken; aan de andere kant de Servische troepen, paraat op de heuvels rondom de stad.
Toen de Serviërs eenmaal dicht genoeg genaderd waren, volgden een aantal gesprekken tussen commandant Karremans en Mladic. Mladic, die de troefkaart van een aantal gegijzelde Dutchbatters in handen had, beloofde de vluchtelingen goed te behandelen. Er zijn beelden van een vriendelijk lachende Mladic die snoepjes uitdeelt en kinderen over de bol aait. Karremans, die niet werkelijk een andere keuze had, leek met Mladic te socialiseren, hij hief immers het glas met hem, een tafereel dat in ons nationale geheugen gegrift staat. Het is Karremans zodanig blijven achtervolgen dat hij zich na zijn pensionering in Spanje heeft gevestigd.
Aangekomen in Zagreb verklaarden de Dutchbatters niet gecharmeerd te zijn van de moslims: onbetrouwbaar waren ze. Met de Serviërs kon je tenminste zakendoen. Het is verhelderend de krantenberichten van net na de val van de enclave nog eens na te lezen. Wat er toen is gezegd is naderhand geduid als mogelijke symptomen van het Stockholmsyndroom, waarbij je je eigen angst bezweert door sympathie te koesteren voor degene die je bedreigt.
Op de muren van de compound is de meest aanstootgevende graffiti van de Nederlanders inmiddels verwijderd, zoals: “No teeth? A mustache? Smell like shit? Bosnian girl! [Geen tanden? Een snor? Stinkt naar stront? Bosnisch meisje!]
Ik lees ze van een foto in de kleine expositieruimte bij de gedenkplaats die is ingericht tegenover de oude fabriek. Hier zijn (een groot deel van) van de ruim 8000 mannen die na de val van de enclave zijn vermoord begraven. Rij na rij witte zuiltjes met een naam, een geboortedatum en steeds dezelfde sterfdatum. Op lange, schuinstaande witte platen worden hun namen genoemd. Her en der ligt een door de zon gedroogde bloem. Nog altijd worden er slachtoffers, eenmaal gevonden en geïdentificeerd, bijgezet.

De compound zelf is onderdeel geworden van de gedenkplaats, waar behalve een documentatiecentrum een aantal tentoonstellingen over de genocide zijn ingericht.
Dat het een genocide betrof lijdt weinig twijfel – de Servische intentie de Bosniakken als bevolkingsgroep uit te wissen is goed gedocumenteerd – al wordt dit ontkend door de Bosnische Serviërs, die alle aandacht die uitgaat naar de moslimslachtoffers, met die begraafplaats zo zichtbaar langs de weg en dat grote museum, oneerlijk vinden. Alsof er niet ook Servische slachtoffers zijn gevallen door moslimagressie. Die zijn er: bij het zoeken naar voedsel voor de mensen in de enclave werden dorpen in de omgeving aangevallen door Bosnische moslimstrijders, wat gepaard ging met brandstichten en moorden. Dat vertroebelt de discussie. Dat Servische slachtoffers niet ook erkend worden zet kwaad bloed. Het was oorlog, er is gevochten, er zijn aan beide kanten doden gevallen, is de Servische opinie. De stap naar ontkenning van de genocide is snel gezet.
Waarom zouden Servische slachtoffers geen plek in het herinneringscentrum kunnen hebben? Maar, zegt overlevende in een interview, je kunt je toch ook niet voorstellen dat er in Auschwitz een hoekje wordt ingericht voor de slachtoffers van het bombardement op Dresden?

In de fabriekshallen van de voormalige compound bekijk ik de exposities: veel foto’s, video’s van uitgeputte en vermagerde mannen die de dodenmarsen overleefden, voorwerpen die gevonden zijn in de bossen, rijen schoenen. De aanloop naar de val van de enclave, het leven van de Blauwhelmen – een nagebouwd slaapvertrek met twee veldbedden en een kast waarin uniformen hangen. Verhalen over slachtoffers, van familieleden, overlevenden. Graffiti op de muren, handafdrukken met ‘Handklap’ erboven geschreven; een geschilderd vignet van een lachend spookje dat een raket vasthoudt met eromheen: Royal Dutch Army, UNPROFOR: het woord kikkervisje naast de open plek waar de eerdergenoemde sneer naar Bosnische meisjes gekalkt was.
Het kantoor van Karremans, met een telefoon en een asbak op tafel en Beatrix en Claus aan de muur.
Aan het eind van de lange hal wordt de val van de enclave in beeld gebracht, met geluidseffecten; ik hoor schreeuwen, geweerschoten. De massa vluchtelingen, de bussen, de gescheiden mannen en vrouwen, hier en daar een machteloze Dutchbatter met een blauwe helm.
Een groep jonge studenten wordt rondgeleid en zitten in een zaaltje te luisteren naar een voordracht. Het zijn jongeren uit heel Bosnië die in het herinneringscentrum over hun geschiedenis leren. Ze worden vergezeld van een cameraploeg. Volgens de website organiseert het centrum sinds drie jaar een internationale zomerschool, over genocide.

Bij de ingang van het museumcomplex staat een beeld van twee vrouwen en een kind. Op de sokkel staat een tekst in het Bosnisch, met eronder Truus Menger, Westerbork. Na wat speuren kom ik erachter dat het beeld speciaal voor de gedenkplaats gemaakt is, voor de moeders, vrouwen en kinderen van Srebrenica, en in 2006 is onthuld in het bijzijn van maakster Truus Menger, en de directeur van Kamp Westerbork. Het museum wordt financieel en met advies ondersteund door zowel het Nederlandse ministerie van Defensie als Kamp Westerbork.
Truus Menger was een verzetsstrijdster uit de groep van Hannie Schaft. Na de oorlog maakte ze als beeldhouwer verschillende herdenkingsmonumenten. Het herinneringscentrum kamp Westerbork is, samen met PAX nauw betrokken bij het inrichten van de tentoonstellingen in wat voluit Srebrenica-Potocari Genocide Memorial and Cemetery heet. De manier waarop de schoenen en de voorwerpen zijn opgesteld lijkt op de manier waarop de Holocaust herdenkingsplaatsen zijn ingericht. Niet alleen in Nederland, maar ook in Polen.
‘Srebrenica’ is bijgezet in de herdenkingscultuur.

We eten ’s avonds in een restaurantje aan de Drina, het water kabbelt rustig door de brede bedding, aan de overkant is het groen zo ver als je kijken kan. De regen heeft alles opgefrist, ook het weer. We trekken een jasje aan. De eigenaar van het restaurantje is bezig met het lakken van houten tafeldelen. ‘Even wachten’, grapt hij, ‘ik ben nu timmerman, maar als ik mijn handen heb gewassen en een ander shirt aanheb, ben ik restauranthouder’. Hij spreekt Duits. Vroeger, vertelt hij, was hij kunst-onderwijzer. Maar dat kan nu niet meer, hij is moslim, en dat ligt hier, letterlijk aan de grens met Servië, nog steeds gevoelig.
De grens loopt middendoor de rivier. Zwemmen mag, ook naar de overkant, maar het is verboden om de andere oever op te gaan.
Al 16 jaar runt hij zijn restaurant. In de onmiddellijke omgeving ervan wonen mensen zoals hij, vaak teruggekeerde vluchtelingen. Sommigen spreken Nederlands.
We kijken toe hoe zijn vriendin verse pita maakt: met kaas gevulde broodjes van heel dun uitgerold deeg. De maaltijd is overvloedig – salade, visjes uit de rivier, geroosterde groenten, polenta, kaas en pita, wijn uit Montenegro, ‘want’, zegt hij ‘daar houden Nederlanders van’. Dat weet hij, omdat hij elke week een groep ex-Dutchbatters en hun familieleden ontvangt. Die zijn op ‘terugkeerreis’. Die terugkeerreizen zijn onderdeel van de nazorg voor Dutchbat III. Na een onderzoek uit 2022 bleek dat de leden van het bataljon die in Srebrenica-Potocari waren tijdens de val, kampen met trauma’s, schuldgevoel, schaamte, depressies en een schrijnend gebrek aan nazorg. Ze kregen een financiële vergoeding van 5.000 euro als blijk van waardering, om de negatieve beeldvorming rond het bataljon een beetje goed te maken.
De terugkeerreizen worden georganiseerd onder auspiciën van het Veteranen Instituut, worden door deskundigen begeleid en zijn bedoeld om de Dutchbatters de kans te geven in het reine te komen met hun verleden in Bosnië. De stichting Moeders van Srebrenica is een van de partners. Er worden, naast het bezoek aan de compound en de begraafplaats, gesprekken en samenkomsten georganiseerd met nabestaanden.
Het zijn emotioneel zware reizen, niet alleen voor de voormalige Dutchbatters, maar ook voor de mensen hier, vertelt hij, die hun trauma’s steeds weer opnieuw beleven. Toch vindt hij de reizen belangrijk. Hij laat me een boek zien, in het Bosnisch. Maar zegt hij, er is ook een Nederlandse versie. Ik zoek het later op: ‘Bruggen Bouwen. Ontmoetingen van Dutchbat III veteranen met Overlevenden van de Genocide in Srebrenica” van Eric Vermetten, Anna Gebert e.a. De EO maakte een documentaire over die reizen.

De zon zakt langzaam weg achter de bomen. We ronden de maaltijd af met Bosnische koffie. Wat we niet opgegeten hebben, gooit hij met een zwaai de rivier in: voor de vissen. Sommigen zijn enorm, zo groot als een dolfijn. Die lusten wel een hap polenta.
Bij het afscheid loopt hij de keuken in en komt terug met een fles wijn: hier, een geschenk, voor jullie. Het spijt me dat ik niet naar zijn naam heb gevraagd.

(Afbeelding: foto in de expositieruimte bij de begraafplaats – Potocari)

Brief uit Srebrenica

We doorkruisten Montenegro en Servië onderweg naar Bosnië-Herzegovina, of eigenlijk Republica Srpska, want Bosnië is opgedeeld in de Federatie van Bosnië-Herzegovina en de Servische republiek, wat niet hetzelfde is als Servië. De grens tussen de twee delen van het land is grillig, De Servische republiek beslaat een groot deel van het Noorden en het Zuid-Oosten, en is bewoond door vooral Bosnische Serviërs. De Federatie ligt ertussen en is vooral bewoond door Bosniakken – Bosnische moslims.
Republika Srpska is in 1992, aan het begin van de oorlog gevormd, waarna de Bosniakken en Kroaten uit het door Servië geclaimde territorium werden verdreven. In 1995 werd het gebied in de Dayton akkoorden onderdeel van de zelfstandige staat Bosnië-Herzegovina, maar tot een gedeelde Bosnische identiteit heeft dat ook 30 jaar na de genocide in Srebrenica en andere delen van Bosnië, nog niet geleid.

In Montenegro sliepen we één nachtje in een dorpje met een klein haventje, aan de Montenegrijnse kant van het Skhöder meer, naast een snelweg en een spoorlijn. Aan de snelweg bij het dorp zaten een paar vrouwen vissen te verkopen, karperachtigen, dood, en enkelen nog levend, uitgestald in platte bakken. De volgende ochtend zaten ze er weer, met wellicht dezelfde vissen.
We bezochten Podgorice, de hoofdstad, waar ze een splinternieuwe Oosters-Orthodoxe kathedraal – de kathedraal van de wederopstanding van Christus – hebben gebouwd naar oud voorbeeld. Pas gewijd in 2013 is het een fonkelend eerbetoon aan niet te onderdrukken vroomheid, religieus machtsvertoon en de wederopstanding van Montenegro. Muren, plafonds, pilaren, werkelijk alles is beschilderd met heiligen en kerkelijke ambtsdragers, met taferelen uit het leven van Christus en met heel veel goud. Het is overweldigend, en eerlijk gezegd best mooi.

Voor we de grens met Montenegro over staken zagen we wat overblijfselen van de gekte van Hoxha. Overal in het land had hij bunkertjes laten bouwen, bang als hij was voor een invasie of een atoomoorlog. Er zijn grote, maar ook kleintjes, die lijken op paddenstoelen zonder steel die boven de grond uitsteken, of op iglo’s van beton. In een van die iglo’s had een excentrieke figuur zijn tattooshop gevestigd. Hij begint, in redelijk Engels, te praten en houdt niet meer op. Hij wijst naar de antifascisme sticker die ik achter op mijn telefoon hebt, denkt dat het een hakenkruis is en begint een heel verhaal over hoe dat symbool verkeerd wordt begrepen, om via een aantal zijsprongetjes terecht te komen bij dat Albanië eigenlijk veel groter zou moeten zijn, dat veel land van de Albaniërs is afgepakt, dat de Albaniërs de oorspronkelijk bewoners van de Balkan zijn en dat de EU Albanië nooit zal toelaten omdat ze dan veel te veel aan herstelbetalingen moeten betalen voor al het onrecht het land en het volk aangedaan. Dat had een echte historicus hem uit de doeken gedaan. Uiteindelijk staan we maar gewoon op om weg te lopen, want anders zaten we er nu nog. Om herhaling te voorkomen krab ik de sticker van mijn telefoon.

Vlak voor de grens drinken we koffie tegenover nog een paar van die bunkertjes, in een café waar een tafel precies voor de airco wordt geschoven om ons het best te verkoelen. Een man in een politieuniform – de plaatselijke commandant? – krijgt een lunch geserveerd die van buiten wordt gebracht door een ondergeschikte. Op een groot televisiescherm beelden van Sazar, het eiland dat in de klauwen van de Trumpjes is gevallen, en de aanhoudende protesten daartegen in Tirana. ‘Protest?’ Vraag ik. ‘No problem, no, no, no problem’, roept de geüniformeerde bijna verschrikt uit.

De grens tussen Montenegro en Servië is een echte grens. Eerst wachten in een rij voor de Montenegrijnse douane, dan serieuze controle van de papieren, dan een stuk niemandsland en dan hetzelfde ritueel aan de Servische kant.
(Toen we van de boot afgingen in Albanië werden we vluchtig gecontroleerd door een lokale politieman, bijgestaan door een man met Frontex op zijn shirt. Ik stel me zo voor dat de andere kant op – van Albanië Italië in, de Frontexman meer te doen heeft dan alleen maar toekijken).

In Servië komen we langs een kloostertje bij het dorp Grobnice, in een zijvallei bij de rivier de Lim. Gesticht in 1281 door een monnik met de naam David, en gebouwd op de resten van een Byzantijnse basiliek uit de 6de eeuw. Het complex werd herhaaldelijk geschonden, maar het kerkje overleefde de Ottomaanse periode. In 1997 is het gerestaureerd, en dat gebouwtje is nu te bezoeken. Een paar deels uit hout opgetrokken bijgebouwen doen dienst als klooster. Als wij er zijn is er maar één man, misschien een monnik, in burgerkleren maar met een lage baard. Hij biedt koffie aan, althans, dat geloof ik, die we beleefd afslaan.
De restauratie is zorgvuldig gedaan, de schilderingen zijn fraai, de setting in de groene vallei aan een stroompje is geweldig, maar ik mis de magie die uitgaat van het oude, het origineel, van het weerstaan van de tand des tijds, en de sporen daarvan. Het raadsel van wat vroomheid vermag.
Dat was er wel in de kathedraal van Podgorice. Waarschijnlijk omdat die met opzet nieuw is gemaakt. De kathedraal bouwt niet op wat al vergaan is, het is een eigen gebouw, met eigen architectuur – de buitenkant opgebouwd uit ruwe stenen en beton, met reliëfs waarop bijvoorbeeld de ark van Noah en de stad Jeruzalem staan afgebeeld. Het lijkt erop dat het einde van het Tito regime radicaal een einde maakte aan het gedwongen atheïsme en de Balkanstaten hun religieuze identiteit in ere wensen te herstellen.

Tussen Servië en Bosnië-Herzegovina uiteraard ook een grens; waar wij passeren loopt die middendoor de rivier de Drina, waardoor er een flink stuk niemandsland is langs de rivier tussen de Servische en de Bosnische grensovergang (waar ze voor het eerst ook het kentekenbewijs van de auto willen zien en controleren). We volgen de rivier de Drina tot we bij Bratunac aankomen, waar we een huisje huren van een aardige jonge man, die zijn frambozenplantage heeft opgegeven om op die grond het huisje te kunnen zetten. Hij is er trots op ons te verwelkomen.
Rondom het huisje is een enorm grasveld, met daarachter bijenkasten en een boomgaard met kersen- appel en perzikbomen. De kersen zijn rijp, en van de buurman krijgen we over het hekje heen twee volle zakken met de rode vruchten.
De avond van aankomst regende het dat het goot, met donder en bliksem. Nu is het mild zonnig, niet meer zo warm. Kraaiende hanen, mekkerende schaapjes en een grappig klein katje dat af en toe langskomt voor een aai. De heuvels zijn begroeid met bossen, de mensen zijn aardig en behulpzaam. Het is vredig.
En dat geeft een ongemakkelijke tegenstelling met waarom we hier eigenlijk zijn, in Bratunac, vlak bij Potocari en Srebrenica.

Bij Srebrenica denk ik: Karremans, de commandant van de Nederlandse brigade, die het glas heft met Mladic (die nu in Scheveningen levenslang uitzit), veel te jonge Dutchbatters, blauwhelmen uitstekend boven een zee van vluchtelingen, bussen die mensen afvoeren, een fotorolletje, een hossende kroonprins. Een veilige have die dat helemaal niet was. Duizenden doden die voorkomen hadden kunnen worden als er meer daadkracht en vooral meer menselijkheid was getoond. De sorry’s en de mea culpas die na de moordpartijen zijn uitgesproken. Milosevic die in een cel in Den Haag het loodje legt.
Een gerechtshof dat, decennia later, de Nederlandse staat voor eerst 30%, maar in hoger beroep nog voor slechts 10% verantwoordelijk acht voor de dood van de mensen die in de compound van Dutchbat hun heil hadden gezocht, en die er niet welkom waren. Het falen van de ‘internationale gemeenschap’. Net als in Rwanda, waar Romeo Dellaire, de commandant van de vredesmacht daar, in 1994 smeekte om aanpassing van het mandaat zodat ze de mensen daadwerkelijk tegen de machete zwaaiende bendes konden beschermen; smeekte om meer troepen, maar dat allemaal niet kreeg. ‘Srebrenica’ gebeurde een jaar later, in 1995. De luchtsteun waarop gerekend was kwam niet. Een van de redenen daarvoor was dat de levens van de blauwhelmen die in Servische handen waren gevallen beschermd moesten worden.
Het is dus allemaal niet nieuw, het ‘falen’ van de internationale gemeenschap. Als het gaat om het beschermen van mensen is het hemd ook bij de verantwoordelijke leiders of bewindslieden nader dan de rok.

Toen in juli 1995 de Servische troepen de ‘veilige enclave’ Srebrenica innamen, had het handjevol Dutchbatters geen weerwoord, en verdedigde noch de stad, noch de compound. In het stadje zaten zo’n 40.000 mensen in de val. De toenmalige directeur van Artsen zonder Grenzen verzuchtte dat het getto van Warschau er zo moet hebben uitgezien. Toen de Serviërs naderden sloegen mensen, vooral mannen op de vlucht, de heuvels in, naar gebieden in handen van de Bosniakken of Tuzla, een andere ‘veilige enclave’. Velen van hen werden opgejaagd, in hinderlagen gelokt en vermoord.
De vrouwen, kinderen en oude mannen vluchtten naar de compound van Dutchbat, in Potocari. Onder leiding van Mladic, en onder het oog van de Nederlandse blauwhelmen, werden de mannen en de jongens van de vrouwen gescheiden, de vrouwen werden afgevoerd, de mannen werden eerst voor verhoor meegenomen, en daarna voor het overgrote deel vermoord.
In eerste instantie deden Karremans en zijn manschappen, een paar dagen later geëvacueerd naar Zagreb (waar dat gehos met Wim-Alex plaatsvond) alsof er niet veel aan de hand was geweest, de vluchtelingen waren geëvacueerd en dat was best goed verlopen, de omstandigheden in aanmerking genomen. Een fotorolletje waarop foto’s van executies ging verloren in een ontwikkelbad met een verkeerde oplossing. Een video met gewelddadigheden werd gewist.
Pas later drong de omvang van de moordpartij door, nadat er satellietbeelden waren vrijgegeven waarop vrij duidelijk massagraven te zien waren. Toen hadden de Serviërs echter de tijd gehad om de doden in de massagraven op te graven – wat ze deden met bulldozers – en de brokstukken mens willekeurig over verschillende andere massagraven te verdelen. Massagraven werden meerdere keren omgewoeld en de resten verder verdeeld. Daarom duurt het zo lang voordat de slachtoffers geïdentificeerd kunnen worden; hun resten zijn verspreid over een groot gebied, en dat maakt identificatie moeilijker. Nu, 30 jaar later, zijn nog steeds niet alle vermisten gevonden en wordt nog altijd gewerkt aan het reconstrueren van lichamen zodat ze een fatsoenlijke begrafenis kunnen krijgen.

Srebrenica zelf is weer een klein, rustig stadje, waar niet veel te doen is. Op een rotonde staat een wereldbol met erbovenop vier goudkleurige kinderen die een dansje maken. Er zijn een paar sportvelden die gedoneerd zijn door een Bosnische voetballer die in Engeland speelt. Er is een supermarkt, er zijn wat barretjes en restaurantjes, een moskee, een kerk. Er wapperen aan het gemeentehuis drie vlaggen: die van de Republika Srpska, die van Bosnië-Herzegovina en die van het stadje zelf. Een oude vrouw die ik al eerder tegenkwam groet me hartelijk. Ze maakt een zwaaiend gebaar met haar arm en zegt in het Bosnisch: ‘Kijk, ik loop nog elke dag een rondje.’ ‘Geweldig’, zeg ik terug. Ze loopt op sokken in slippers, met een stok, heeft een gezicht als een gerimpeld appeltje en om haar hoofd een sjaaltje dat onder haar kin is vastgeknoopt. De mannen in het café aan de overkant groeten haar luidruchtig, waarop ze, ondeugend ineens, iets terugroept.
Als S. de auto niet zo makkelijk van de parkeerplaats op de weg lijkt te krijgen, schiet een van de mannen op het terras overeind om te helpen. Hij gaat achter het stuur zitten, draait ‘Muis’ de weg op, stapt uit en zegt: zo oke? We zwaaien naar elkaar bij het wegrijden.

(Afbeelding: foto van een muur in de voormalige Dutchbat compound in Potocari)

Nagekomen post – Napels

‘Napels zien, en dan sterven.’ Deze uitroep van bewondering en verlangen wordt toegeschreven aan Goethe, die hem, totaal onder de indruk van de schoonheid van de stad, in zijn dagboek noteerde. In de tweehonderd jaren die verstreken tussen Goethe’s bezoek en het mijne durf ik wel te beweren dat de stad niet aan schoonheid heeft gewonnen.
‘Sprekend India’, zegt reisgenoot S. En verdomd als het niet waar is. We logeren in een buitenwijk die net zo goed in Chandigarh of Delhi had kunnen zijn: de lichte geur van rottend afval, bladderende stuc op huismuren, stoepslapers, her en der tempeltjes – alleen de godheid in de nisjes is anders – een pokdalig wegdek, automobilisten die van geen verkeersregels willen weten, geschaafde en gedeukte vehikels alom. Bij de oprit naar een snelweg een bord met: verboden voor paard en wagens. De kleine kruideniertjes worden gerund door mensen van het Indiase subcontinent, Pakistani, Bangladeshi, hun verse waar aan het eind van een lange, zonnige dag verschrompeld en schimmelig in de schappen.
Voor een shop waar je kunt wedden op iets hangt een groepje mannen, een heeft zijn t-shirt opgeslagen en zijn bolle buik ontbloot, ook al ‘typisch Indiaas’.
Snerpend gegil van een vrouw, dat overgaat in gejammer en bezorgde buren op het naastgelegen balkon brengen me terug in Italië, net als de pizza die we eten op een terrasje in de buurt.

De ligging van Napels maakt dat de uitroep van Goethe wat minder geëxalteerd aandoet: in een grote, halfronde baai aan zee, omgeven door een cirkel van bergen, met de Vesuvius als een natuurlijk memento mori boven de stad uittorenend.
Als wij de vulkaan beklimmen is het mistig en grijs. Naarmate we hoger komen wordt de mist dikker en gaat het eerst stortregenen, en daarna hagelen. Dat heeft als bijkomstigheid dat we vrijwel alleen aan de kraterrand staan. Waar we nog geen meter naar beneden kunnen zien. Wat jammer is, je kijkt tnslotte niet dagelijks in een vulkaankrater. We blijven er, het weer trotserend, rondhangen in de hoop op opklaring. Als we tenslotte net afgedaald zijn, breekt het toch nog open, alsof de Vesuvius de spot met ons drijft. Onder een nu stalend blauwe lucht hebben we vanaf de hellingen prachtig zicht op Napels aan haar baai, de bergen eromheen, de zee en de eilandjes voor de kust.
De Vesuvius is natuurlijk vooral bekend van de uitbarsting in 79, toen as en gassen, stenen en lava Pompei, Herculaneum en andere stadjes en dorpen op en onder haar hellingen bedolven. Dat is niet de enige, maar wel de meest dramatische geregistreerde uitbarsting van de vulkaan.
Het gebied is sinds 1995 een beschermd Nationaal Park. Een van de jonge mannen die onderweg in een makeshift hokje of een standje koffie, lokale wijn (lacrima de Christi- Christustranen) en souvenirs verkopen vertelt dat er voor corona dagelijks zo’n 6000 mensen elkaar rond de krater verdrongen. Na corona zijn het er nog zo’n 3000. Per dag. Behalve op een dag waarop het bewolkt is, mistig of regenachtig is, dan haken de meeste mensen af. En als het stormt gaat het pad dicht, dan is het bovenop de 1280 meter hoge heuvel te gevaarlijk.
De souvenirs die aangeboden worden zijn interessant: behalve de ijskastmagneten, de flesjes met lokale wijn ( de druiven groeien op de flanken van de vulkaan) en minivesuviusjes in bonte kleuren, zijn er tennisbal grote zwarte kogels, die doormidden zijn gespleten hun fonkelende inhoud tonen en worden verkocht als ‘echte lava’. Ze zijn er ook in pingpongbalformaat, met net zo’n glitterinhoud. Er liggen brokken felgele zwavel, kristallen en zwarte figuurtjes gemaakt van lava. Een jonge man koopt vergenoegd een zwarte schedel voor 25 euro. Ik gun hem dat hij blijft geloven dat hij een doodshoofd van lava heeft aangeschaft.

De Vesuvius is een vulkaan in een vulkaan. Preciezer: de Vesuvius is ontstaan in de caldera (het meestal steile gat dat een na eruptie ingestorte magmakamer achterlaat) van een oudere vulkaan, de Monte Somma, waarvan je de rand rondom de krater van Vesuvius ziet liggen. Die Monte Somma was veel groter, zijn krater is gedeeltelijk ingestort tijdens de explosieve uitbarsting in 79.
De vulkaan is niet dood, en geldt als een van de gevaarlijkste, omdat er zo’n 3 miljoen mensen wonen in het bij een uitbarsting bedreigde gebied, waarvan 600.000 in de directe as, gas en lava gevarenzone. In 1944 spuwde hij voor het laatst, en verwoestte hij dorpen. Sinds die uitbarsting houdt hij zich rustig, en ontsnapt er alleen wat zwavelige rook uit de krater. Een observatorium houdt alles scherp in de gaten, en de stad Napels heeft een uitgewerkt evacuatieplan klaarliggen voor het geval dat.

Omdat we de drukte in Pompeï vrezen, kiezen we ervoor om Herculaneum te bezoeken. Kleiner, net iets minder beroemd, maar zeer goed bewaard, interessant en te behappen. Voor de uitbarsting woonden er ongeveer 5000 mensen in het stadje. Door de windrichting kreeg Pompeï de volle laag van as en stof, en werd Herculaneum door hitte en lava overmand. De bewoners vluchtten naar de boothuizen aan de kust, waar ze stierven in de verzengende hitte die door de vulkaan werd gegenereerd. Hun botten te aanschouwen in de restanten van de boothuizen. Die liggen sinds de eruptie niet meer aan zee, de uitbarsting in 79 verlegde het strand. Het stadje zelf is slechts voor een deel opgegraven, omdat het grootste deel onder moderne bebouwing ligt. Maar dat maakt het niet minder spectaculair. Er zijn villa’s met atriums en fonteinen, muurschilderingen van vogeltjes en andere dieren, een pauw met een zeer levensechte staart, goden, godinnen, alles in zachte verweerde kleuren. Er zijn restanten van winkeltjes, kroegjes, er is een badhuis voor mannen, en een voor vrouwen, er is een forum met een beeld van een keizer op een sokkel. Er zijn tuinen, watertap-punten, en waar je maar kijkt ontdek je details: kleine versieringen bij een deurpost, een gevelsteen van een engelfiguurtje, een wijnrank bij een kapiteeltje. Het is bloedheet, niet erg druk, en ik geef de beschrijver die schreef dat je echt het gevoel hebt in een Romeins stadje te lopen groot gelijk. Het geeft een wonderlijk goed bewaard gebleven inkijkje in levens die lang geleden zijn geleefd.

Op een half uurtje rijden van Herculaneum ligt Villa Poppaea, van de familie van de tweede vrouw van keizer Nero. Een complex met wel honderd kamers, uitkijkend – destijds – op de zee. Ook toen namen de machthebbers het er goed van: de villa is rijk versierd met fresco’s, mozaïeken, marmeren beelden, fonteinen en zuilengalerijen, en naar de voorwerpen in het kleine museumpje te oordelen leefden ze er goed van. Omdat het 2 juni is, de ‘Dag van de republiek’ mogen we er gratis naar binnen. Het zou mooi zijn als we in Nederland bij nationale feestdagen, in navolging van Italië, musea en andere bezienswaardigheden – en de Efteling – gratis toegankelijk zouden maken.
De topstukken van de bedolven steden en villa’s zijn te bewonderen in het Archeologisch Museum van Napels. Zaal na zaal gevuld met adembenemende, ragfijne mozaïeken, gedetailleerde schilderingen en fraai versierde voorwerpen, inclusief kasten, bedden tafeltjes op sierlijke pootjes. Een speciale zaal is ingericht met erotica: blijkbaar hadden de oude Romeinen een fetisj voor abominabel grote penissen, en werd ‘de daad’ open en bloot vereeuwigd in ooit heldere kleuren.

Buiten het museum: de stad van nu. Tegenover, aan de drukke straat, liggen de verworpenen in portieken. Er is een ruzietje: er wordt getrokken, geduwd en gescholden, maar een serieus handgemeen wordt voorkomen door aansnellende lotgenoten. De ruzie ging over eten: de ene man had het eten van de andere man opgegeten. Hij had honger.
Italië gaat vluchtelingen terugnemen uit de rest van Europa, vanwege ‘Dublin’, waar is afgesproken dat het land van binnenkomst verantwoordelijk is voor opvang van asielzoekers. Een lelijke maatregel, die de last op de schouders van enkele Europese landen – niet de rijkste – laadt, die van harte ondersteund wordt door een deel van het Nederlandse parlement. Hier in de stad zie je al waar dat toe gaat leiden: straatslapers, ontheemden in de berm, veel bedelaars. En uiteindelijk naar deprotatie van de ongewensten, naar de uitzethubs in Albanië.

We eten – pasta – in het Quartieri Spagnoli, de ‘Spaanse wijk’, hoge woonkazernes is smalle steegjes, ooit opgetrokken voor Spaanse garnizoenen in de 16de eeuw, nu een toeristische attractie, ooit een broeinest van misdaad, prostitutie en verval. (Voordat Italië Italië werd, in 1860, was Zuid Italië het lange tijd een onderdeel van Spanje).
Zonder moeite zie je hier de geniale vriendin van Ferrante rondrennen. En ook is het niet moeilijk je voor te stellen dat de maffia hier regeerde/regeert. De muren zijn volgespoten en geschilderd met allerlei hoogstaande graffiti, veel portretten van Maradonna, soms afgebeeld als held, soms als heilige – inclusief een heus tempeltje gewijd aan de voetballegende – veel voetbalvlaggen. En overal restaurantjes die de lokale keuken uitventen.
De Napolitaanse maffia, de Comorra, is gebaseerd op familieclans, die zich specialiseren in afpersing, drugs, gokken. Ze beheren een paardenrenbaan op de flanken van Vesuvius, en er zijn opmerkelijk veel punten in de stad waar je een wedje kan leggen, waar mannen die je een beter leven gunt rondhangen tussen hoop en vrees. Ook eisen ze beschermingsgeld van kleine ondernemertjes (die zich tegen betaling aan hun afpersers tegen de afpersing beschermen. Heel filmisch allemaal, alleen is de grens tussen de boven – en de onderwereld poreuzer dan elders. Toen de macht van Spanje in het zuiden van Italië begon te tanen – zo rond 1820 – namen de familieclans het lokale gezag over met instemming van de Spaanse overheersers. Ze functioneerden als politie en hadden een eigen rechtspraak systeem, Na de eenwording bleef de Comorra het lokale gezag, met goedkeuring van de nieuwe overheid. De families werden ingezet om mogelijke opstanden of afscheidingsinitiatieven de kop in drukken. Met een dip in macht en aanzien na een arrestatiegolf rond 1863, leefde de Comorra aan het begin van de vorige eeuw weer op, tot Mussolini aan de macht kwam. Die schijnt niet zo ingenomen te zijn geweest met de maffia, naar ik vermoed door de gewortelde loyaliteitscultuur die hem in de weg zat in zijn streven naar alleenheerschappij, en tijdens zijn bewind dwarsboomde hij de Comorra waar hij kon.
Na de Tweede Wereldoorlog kregen de families een rol in het herstel van het gezag, maar al rap veranderde de Comorra van een lokaal familieproject in een internationale, hiërarchisch geleide misdaadbende, waarin ook vrouwen een aanzienlijke rol spelen. De Italiaanse regering is er nu op gespitst de Comorra te breken en de bendes en hun misdaad te bestrijden. Wat geen eenvoudige opgave is, want de verstrengeling tussen de boven- en de onderwereld blijft een schier onontwarbare kluwen. Het is alsof je de corruptie die die verstrengeling met zich meebrengt aan de stad kan zien, het is vies (de afvalverwerking zou in handen zijn van de Comorra), onderkomen- niet alleen de buitenwijken, maar ook de binnenstad heeft iets haveloos, aan de rafelranden veel onafgemaakte gebouwen, waarvan je vermoedt dat ze zijn aanbesteed, dat er smeergeld is betaald, en dat die verdienste belangrijker is dan het gebouw zelf. En een aanstootgevend belabberd wegdek. Net India. Hoogst interessant, en een beetje unheimisch.

Brief uit Kokërdhok, Albanië

Een serie eendjes waggelt richting het water, ze zetten hun platte voetjes anders neer dan de kleine kippetjes die hier ook rondhippen, die hebben meer een huppende tred. Een grote haan waakt over het verzamelde kroost. Er wordt getokt, gekraaid, gekwaakt. Van overal tjirpen vogelgeluiden het terras op. Vanaf het water maken kikkers herrie. Twee varkens knorren gemoedelijk vanuit de schaduw van een boom. Af en toe klingelt een koeienbel. Voor het eerst sinds lange tijd geen geluid van auto’s of snelwegen in de verte. Het is windstil (en warm). Het hele landschap en een enkele wolk weerkaatst in het stuwmeer, dat omringd wordt door heuvels met erachter hogere bergen.

Het huis waar we verblijven – bovenverdieping van een vrijstaand huis bij het gehucht Kokërdhok, met een hemelsblauwe badkamer en een terras met verrukkelijk uitzicht, maar zonder keuken – ligt bij het stuwmeer vernoemd naar het iets grotere gehucht Ulëz, waar de dam ligt die het stuwmeer heeft gevormd. Ongeveer anderhalf uur van Tirana richting Shkodër. Wij deden er de hele dag over, omdat we ‘binnendoor’ gingen. Dat was geweldig, maar geen sinecure: onverharde, stenige karrensporen vol kuilen die zich nogal steil door de bergen heen slingeren, met her en der een huis en af en toe een alpenweide. Heerlijk was het, ik werd overspoeld door hetzelfde geluksgevoel (en een kriebelende spanning) die ik zo gemist heb sinds ik niet meer regelmatig onderweg ben in buitenlandse gebieden. Na uren hobbelen en een paar keer verdwalen was de verharde weg een welkome vriend, zeker voor onze kleine stadsauto, die zich kranig had geweerd, maar niet hoog op de banden staat.

Hier aan het meer heerst vredigheid, rust en kalmte. Onze gastheer Frani spreekt geen Engels, maar is toch uiterst communicatief. Hij onthaalt ons op zijn eigen honing – biologisch – en sappige abrikozen van een boom bij het huis. Er staat ook een pruimenboom vol fruit en een kersenboom waarvan de kersen al geplukt zijn. Frani heeft twee koeien, waarvan er een zwanger is, een stel geiten, kippen en eenden en dus die twee flinke varkens. Tussen huis en meer verbouwt hij mais, tomaten, erwten, wintervoer voor de koeien en druiven waarvan hij arak stookt. Bij aankomst verwelkomde hij ons met een glaasje van die honinggele eigengestookte sterke drank, om te proosten op ons verblijf. Zijn vrouw is er niet, die is bij zijn twee dochters die in Engeland wonen. Zijn zoon is ingenieur en werkt in Tirana. Over tien dagen komt zijn vrouw terug, met zijn twee dochters en dan is de hele familie weer samen. Frani straalt bij het idee alleen al.

Het huis aan het meer is een goede plek om even bij te komen van de overdaad aan cultuur van de afgelopen twee maanden. ‘Alsof we door Janson reizen’, merkte reisgenoot S op. H.W. Janson (voluit Hirst Woldemar), een Russisch-Duits-Amerikaanse professor, schreef in 1962 een standaardwerk waarin hij de kunst canoniseerde, dat we in het eerste jaar dat we kunstgeschiedenis studeerden zo’n beetje uit ons hoofd moesten leren. Het boek zette de westerse kunst – van Grieks en Romeins tot de renaissance en ‘onze’ Gouden eeuw schilders –  in de spotlights, ten nadele van niet-westerse kunst. Ook vrouwelijke kunstenaars kamen er bekaaid vanaf. Ik herinner me een vuistdik boek vol plaatjes. Van die plaatjes moesten we kunnen opdreunen wie de maker van het schilderij, beeldhouwwerk of gebouw was, wanneer die maker het had gemaakt, welke afmetingen het werk had, welke stijl hij gebruikte, in welke periode het paste, en, in het geval van schilderijen, welke kleuren de schilder had gebruikt. Een vraag uit het tentamen: welke kleur heeft de jurk van ‘Het Joodse Bruidje?’ (Rood, niet te verwarren met het groen van de jurk van de bruid van Arnolfini). Ik weet niet meer of het een open vraag was of een multiple choice, maar ik weet nog wel dat dit tentamen een van de redenen was waarom in uiteindelijk kunstgeschiedenis niet afmaakte en switchte naar antropologie. Nog niet zo lang geleden las ik een column in NRC of Volkskrant van een man wiens dochter kunstgeschiedenis ging studeren. Hij gaf haar een ‘Janson’ cadeau, in de overtuiging dat hij haar daarmee goed op weg hielp. ‘Pa’, zei de dochter, ‘die westerse, mannelijke blik op kunstgeschiedenis is verouderd hoor. Wij kijken nu breder’.

We zagen in Frankrijk en Italië zoveel schilderijen, fresco’s, beeldhouwwerken, oude kerkjes, doms, kathedralen en ‘ancient rubble’, dat het een verademing is om nu even alleen maar een meer te zien, groene heuvels eromheen, en af en toe een bel te horen van een dier dat tussen fruitbomen aan het grazen is. Waarmee niet gezegd is dat ik niet genoten heb van dat kunstinfuus. Het was heerlijk om tegen een vijfde eeuw baptisterium op te botsen, om de beeldenkransen rond de romaanse entrees van kathedralen en hun roosvensters te bewonderen, om het Pompeïaanse rood van de fresco’s in het echt te zien. Om te kijken naar de machtsgrandeur van het Paleis van de Pausen en van het Palazzo Vecchio, de kunstig bewerkte doopvonten, de buiten proportionele baby’s of mini oude mannetjes in de armen van de Madonna’s op middeleeuwse schilderijen, de versierde initialen in oude koorboeken, het doorschijnende groene en blauwe Romeinse glas, de gotische spitsbogen, glas in loodvensters van kerken, en de blauw geschilderde en met sterren bespikkelde kathedraalgewelven. Om te slenteren door de steegjes van steden zo oud als de bekende wereld, de geur van zeewater in havens op te snuiven, naar mensen te kijken.

We voeren met een veerboot van Bari in Italië naar Durrës in Albanië. De afvaart was gepland om 10 uur., en de tocht zou 10 uur duren. We voeren af om 12 uur en werden met een luide bel gewekt om 7 uur. We hadden een hut met een raam, zodat ik slaperig de haven van Durrës dichterbij zag komen. De boottocht was natuurlijk veel minder romantisch dan ik me had voorgesteld. Ik dacht: op het dek naar de sterren kijken en mijmerend uitzien over het zwarte, beweeglijke water. Maar door het lange wachten was de lust tot opblijven vergaan. De sterren waren verborgen achter wolken of uitgewist door de felle lampen van de boot. We maakten een korte rondgang over de boot: vliegtuigstoelen voor de zittende passagiers, een lounge met een enorme tv, een casino en een restaurant waar ze grote borden friet serveerden – en na een half doorwaakte nacht in een smal cabinbedje waren we aan de andere kant van de Adriatische zee. Erg was dat niet, want het overvaren naar een ander land is sowieso een belevenis.

Albanië heeft van 1944 tot 1985 gezucht onder het juk van Enver Hoxha. Voor de Tweede Wereldoorlog was het land achtereenvolgens onderdeel van het Byzantijnse rijk, van het Ottomaanse rijk, en was het een koninkrijk onder Koning Zog I. Al die tijd heerste er een feodale structuur van grootgrondbezitters en boeren georganiseerd in stamverbanden. Er was nauwelijks industrie, en wat er was geweest had de Italiaanse en Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. De bevolking was grotendeels analfabeet, het land straatarm.

Enver Hoxha zou zijn land de nieuwe tijd in leiden. Hij was een Stalinistische dictator, die achtereenvolgens brak met het Joegoslavië van Tito, omdat Tito zich niet naar Stalin wenste te voegen, en met de Sovjet Unie vanwege de de-Staliniserings politiek van opvolger Chroesjtsjov. Hij knoopte banden aan met het China van Mao, die hij vervolgens ook weer verbrak toen China en de VS toenadering tot elkaar zochten. Daarna gaf de dictator zich volledig over aan zijn wantrouwen en isoleerde Albanië volgens zijn Stalinistisch-Maoïstische normen en waarden.

De grootgrondbezitters werden onteigend en als het moest vermoord, verbannen of in een werkkamp gestopt. Met echte of vermeende politieke tegenstanders deed hij hetzelfde. Hij had een gevreesde geheime dienst, de Sigurimi, die op bevel afrekende met iedereen die in de weg zat. Hij verbood elke vorm van religie en liet kerken en moskeeën sluiten of afbreken. Albanië werd een zelfvoorzienende, atheïstische staat. Niemand kon er meer in of uit.

State Security is the sharp and dear weapon of our Party, because it protects the interests of the people and our Socialist State against internal and external enemies”, aldus Hoxha. Het citaat zou van Pol Pot kunnen zijn, of van de Birmese dictator Than Shwe. Uiteindelijk zijn alle dictators uit hetzelfde hout gesneden.

Begin jaren vijftig probeerden de Britse geheime dienst en de CIA Albanië te ontwrichten door anticommunistische ballingen in Albanië te droppen om het regime, dat kampte met de nasleep van de oorlog en nog niet stevig in het zadel zat, te destabiliseren. Albanië zou, als zwakste schakel in de communistische keten, de springplank worden om meer Sovjet satellieten terug te brengen tot het ‘democratische’ kamp. De operatie mislukte jammerlijk, deels omdat MI6 en de CIA de slagkracht van de ballingen overschatten, en omdat dubbelspion Kim Philby roet in het eten gooide door informatie door te spelen aan de Russen. Kim Philby is een van de zogenaamde ‘Cambridge Five’, jonge studenten met communistische sympathieën (‘de Russen stelden zich tenminste onverschrokken op tegen het fascisme en nazisme’) die aan het begin van de Koude Oorlog door de KGB werden gerekruteerd. Na hoog opgeklommen te zijn in MI6 – hij werd getipt als potentiele leider van de dienst, ontsnapte Philby in 1963 naar de Sovjet-Unie voordat de Engelse diensten hem te pakken kregen. Ik zag de serie A spy among friends over hem, maar herinner me niet dat er in die serie gewag gemaakt werd van een Albanese connectie.

Hoxha stierf in 1985. Vijf jaar na zijn dood valt het communistische regime. De grenzen gaan open, er komen verkiezingen. Dan breekt de oorlog uit die het gevolg is van het uiteenvallen van Joegoslavië. Albanese Kosovaren, verjaagd door de Serviërs, vluchten naar Albanië. NATO bombardeert Servische doelen om de Kosovaren te beschermen. Kosovo, dat voor 90 procent bevolkt wordt door etnische Albanezen, wordt een onafhankelijk land (2008). Servië erkent dat niet en ziet Kosovo als een autonome provincie. Albanië erkent Kosovo wel. De status van het kleine gebied blijft een heet hangijzer in de regio.

Vanaf 2013 is Edi Rama, namens de socialistische partij, de ministerpresident van Albanië. In 2025 werd hij herkozen voor een vierde termijn. Begonnen als kunstschilder, lokte de landelijke politiek met een burgemeesterschap van Tirana, de hoofdstad. Daar knapte hij de boel op, onder andere door de troosteloze Hoxha woonblokken op te fleuren met vrolijke kleuren, allerlei illegale bouwsels af te laten breken, het centrale Skanderbergplein te moderniseren en heel veel bomen te planten. Hij werd er populair genoeg door om tot premier gekozen te worden.

Sinds 2014 is Albanië kandidaat lid van de EU, en nog steeds het armste land van Europa. Dat wil Rama veranderen en daartoe stelt hij, bijvoorbeeld, Albanië open voor vluchtelingen die de rest van Europa niet wil hebben; Italië mag terugkeerhubs (dat is het eufemisme voor concentratiekampen voor in Europa ongewenste mensen) vestigen op Albanees grondgebied. Georgia Meloni staat breed lachend met Rama – een reus van een vent – op de foto, en ook Ursula van der Leyen laat zich graag met hem zien.

Rama wil Albanië niet alleen openstellen voor elders ongewensten (al is zijn enthousiasme hiervoor recentelijk verminderd), hij ziet ook in het toerisme een inkomstenbron voor het land. Daartoe heeft hij een eiland voor de kust, een beschermd natuurgebied, ter beschikking gesteld aan Ivanka Trump en haar echtgenoot Jared Kusher. Het geval wilde dat die twee op vakantie waren, van hun luxejacht doken en naar het eiland zwommen. Op blote voeten maakten ze samen een idyllische wandeling over het eiland. Ivanka was helemaal verliefd (op het eiland) en wilde het hebben. Kushner nodigde Rama uit op het jacht, en bemachtigde voor zijn investeringsbedrijf de vergunning om een ultraluxe vakantieresort te bouwen om de rich and famous een nieuwe wonderbestemming te geven. Ivanka droomt van state of the art architectuur, helemaal geïntegreerd in de natuur en met respect voor al wat leeft…

Alleen is eiland Sazan een natuurgebied met onder andere flamingo’s, en mag daar volgens de Albanese natuurbeschermingswet niet gebouwd worden. Om dat probleem op te lossen is de natuurbeschermingswet veranderd in een wet die natuur beschermt, behalve als het gaat om exploitatie ten gunste van toerisme.

De Albanezen vinden het allemaal net wat te toevallig: die wetsverandering, de Kushners met hun miljarden, de rol van Rama, en komen in opstand. Ze verdenken de regering Rama van corruptie en willen hun eiland houden, inclusief de flamingo’s, de zeeschildpadden en de zeehonden die er leven in het kustmoerasgebied. Er wordt dagelijks in Tirana geprotesteerd. Een klein clubje heeft geprobeerd de ontwikkelaars die al op het eiland aanwezig zijn, bulldozers hebben laten aanrukken en het te bebouwen gebied hebben afgescheiden met scheermesprikkeldraad, te verdrijven. SPAK, de anticorruptie organisatie die in 2019 met hulp van EU en VS is opgericht om het juridische systeem in Albanië te hervormen, gaat onderzoek doen, naar de wetswijziging en de vergunningverlening voor het eiland.

Uitkijkend over het stuwmeer lijken de protesten op een andere planeet plaats te vinden, zo ongerept als het hier lijkt en zo rustig als het is. Maar het stemt optimistisch, dat de Albanezen in opstand komen, en niet langer met zich laten sollen door mannen die denken dat ze met het land, en de bevolking, kunnen doen wat hen goeddunkt.