Vlerkje de vleermuisbaby

We zitten rond een uur of tien in de avond – het is eindelijk zover afgekoeld dat het aangenaam is op ons terras – wanneer er iets in strijkvlucht op onze rubberen terrasmat ploft.
‘Wat is dat?’
‘Een tor, een dikke langpootmug? Doe de deur maar dicht.’
Niet veel later beweegt er een donker dingetje op de mat. We buigen ons eroverheen: het is een vleermuis! Ongeveer vijf centimeter, alles erop en eraan: kopje, oortjes, oogjes, bekje, pootjes, vleugeltjes. Piepjong is ie, zo jong dat hij nog niet goed kan vliegen. Per ongeluk van zijn moeder afgevallen.
Vleermuizen krijgen levende jongen, die ze zogen en die vastgeklampt aan mama mee uit jagen gaan.
S raapt het diertje voorzichtig op. Het ligt kalm in de palm van zijn hand, zijn kleine pootjes naast zijn lijfje. Hij maakt zachte piepgeluidjes. We noemen hem Vlerkje, want onze onvoorziene gast hoort direct een beetje bij ons. S aait hem zachtjes over zijn ruggetje, waardoor hij kalmeert en zelfs in slaap lijkt te vallen.
Maar wat doe je met een babyvleermuis? Wat moet hij eten? Drinkt hij water? En waar laat je hem?
Google zegt dat vleermuizen in Slovenië beschermd zijn, en dat je een kleine vondeling zo snel mogelijk aan moet melden bij de professionals. Dat willen we met plezier doen, maar waar vind je die professionals?
We lezen verder: je kunt het diertje voeren met glucosewater en met water aangelengd kattenvoer. Kom er maar om, het is inmiddels half elf ‘s avonds in een dorpje op een half uur rijden van Ljubljana.
De kleine Vlerk is een levendig diertje. Hij verkent de hand van S en probeert zijn vleugeltjes: doorschijnende schermpjes met aan het uiteinde een extra teentje. Hij piept nog steeds aandoenlijk. We proberen een paar adressen te bellen, maar de telefoon maakt geen verbinding met de gekozen nummers, of er wordt niet opgenomen.
We sturen tegen middernacht een mail naar het enige mailadres dat we kunnen vinden, met de vraag wat we kunnen en moeten doen met Vlerkje.

Je moet een vondeling op een hoge plek zetten, waar het donker is, zodat zijn moeder hem terug kan vinden, lezen we. Dat klinkt logisch, al voelt het niet prettig zo’n wurm helemaal alleen op een dak achter te laten. We klimmen bij het golfplaten afdak boven ons terras op een ladder, zetten Vlerkje op een plank waar hij ook onder kan schuilen als het moet, en schuiven hem voorzichtig naar het midden. (Bij ons verblijf is de open parkeerplaats annex hobbyschuur van de eigenaar, daarin vinden we trapleer en plank).

De volgende ochtend ligt Vlerkje nog steeds op de plank. Hij is niet meer zo beweeglijk, maar er zit overduidelijk leven in het diertje, al piept hij niet meer. We zetten hem in de doos van de waterkoker, met het deksel van een jampot met wat water erin (hij zal wel dorst hebben) en leggen wat proppen keukenpapier in de doos. Daar kan hij zich aan vast klemmen.
Maar wat nu?
Gelukkig krijgen we antwoord op onze middernachtelijke email, die naar de lokale dierentuin bleek te zijn gestuurd. Ze verwijzen ons naar twee adressen, een van een vleermuizenopvang in Oostenrijk, en een van de exotische dierenopvang van de Universiteit van Ljubljana. We moeten vandaag toch richting Oostenrijk, dus de dierenopvang daar is een optie, maar we maken ons zorgen over Vlerkje: zal hij de tocht naar Oostenrijk overleven? Dat is zeker wel twee, twee-en-een-half uur rijden. En al vanaf 10 uur gisteravond heeft hij niks te eten en niks fatsoenlijks te drinken.
Dus kiezen we voor de exotische dierenopvang.
Het opgegeven adres blijkt een dierenartsenpraktijk, waar het meisje achter de balie ons doorverwijst naar drie gele gebouwen, ongeveer 100 meter verder. Van die drie gebouwen moeten we het meest linkse hebben. We rijden het terrein op. Er staan een heleboel auto’s geparkeerd, maar er is niemand te bekennen. Alle deuren in het meest linkse gele gebouw zijn dicht.
In een ander geel gebouw zit een vrouw achter de balie, zij wijst ons terug en zegt dat we eerst een deur door moeten, dan een wachtkamer door, en dan kloppen op de volgende deur.
Dat doen we. Een ernstig kijkende vrouw steekt haar hoofd om de hoek: ‘Ja?’
‘We hebben een babyvleermuis gevonden.’
De vrouw wil in een reflex naar het formulier wijzen dat op een tafel in de wachtkamer ligt, maar heeft dan door dat we buitenlanders zijn, zegt: ‘wacht maar even’, en trekt de deur weer dicht. Wij blijven wat verbouwereerd achter.
Niet lang daarna is ze terug. Ze kijkt naar Vlerkje in zijn doos en haalt hem er voorzichtig uit. Zacht zegt ze lieve dingen tegen hem.
‘Wat is ie nog klein’, zegt ze tegen ons.
Wij knikken alsof we de trotse ouders zijn.
Op het formulier wordt ingevuld waar en wanneer we Vlerkje hebben gevonden. De vrouw vraagt nog of we hem mee kunnen nemen naar de opvang in Oostenrijk, maar als wij zeggen dat we denken dat Vlerk direct hulp nodig heeft, kijkt ze nog eens naar het diertje en zegt: ‘ja, dat klopt, we nemen hem hoor.’
Vlerkje komt in een vleermuizencouveuse en krijgt glucosewater en surrogaat vleermuizenmoedermelk tot hij is aangesterkt. Daarna zal hij met lotgenootjes naar de opvang in Oostenrijk gebracht worden.
Opgelucht staan we even later weer buiten. We stellen ons Vlerkje voor in zijn couveuse, we hadden er graag naast gaan zitten, maar moeten helaas verder.

Volgen en delen kan:
Follow by Email
LinkedIn
Bluesky