Als we de parkeerplaats oprijden van ons verblijf niet ver van Ljubljana, komt de verhuurder ons tegemoet. Lange, forse man, korte broek, T-shirt om stevige schouders, robuuste kop. Hij laat ons binnen in het begane grond appartement. Ruim opgezet en spaarzaam ingericht. ‘Alles IKEA’ roept de man. ‘Vroeger moesten we naar Graz of Zagreb, maar sinds kort hebben we een eigen IKEA.’ Hij wijst op de tweepits kookplaat: inductie! En alle pannen kunnen erop. Hij heeft de kookplaat en de oven zelf gemonteerd.
‘Uit de IKEA, want alles wat van IKEA komt is voor iedereen makkelijk te bedienen,’ zegt hij.
In een overdaad aan over het aanrecht hangende keukenkastjes, borden, kopjes en glazen. Van alles vier stuks. Op het aanrecht de niet meer weg te denken magnetron en waterkoker. Dubbele gootsteen. Een reuzenkoelkast. Witte vitrage met gouden zoom en dunne overgordijnen met en onduidelijk motief in roze en oranje voor het raam in de woonkamer/keuken. Voor de rest van de ramen luxaflex. Twee oranje stoelen, en twee gele met daarop roze kussentjes rond een tafel. Uitschuifbaar, die tafel. Allemaal IKEA.
Voor de glazen pui een overdekt terras met een tuintafel en vier stoelen op een vloer van rubberplaveisel. Ernaast, gescheiden van ‘ons’ terras door een struik rozemarijn, lavendel en een muurtje met vetplanten: een zwembad. Twee bij drie meter, de trots van het appartementencomplexje. Met haar hoofd in het enige stukje schaduw voor de ronde ton die als sauna dient ligt een jonge vrouw in bikini op een veldbed in de nog steeds brandende zon.
De man houdt tijdens de rondleiding een heel verhaal, dat hij morgen wel gordijnen wil ophangen in de slaapkamer, want gasten hebben erover gezeurd dat de slaapkamer in de vroege ochtend al baadt in het licht. ‘Nee, nee,’ zeggen we haastig, ‘niet nodig hoor.’
‘En ik zegt het nu maar vast,’ zegt hij, ‘kunnen jullie een positieve recensie achterlaten, want dat is heel belangrijk voor mij. Sommige gasten zijn gewoon pietluttig, zoals over gordijnen in de slaapkamer en dat is niet goed voor mijn klandizie.
Ja, ja, knikken wij, empathie veinzend.
De man vraagt dan of we het binnen niet vies willen maken, want hij is een one man band, en maakt zelf schoon. En nee, dan doet hij niet met een doekje ook de bovenkant van de keukenkastjes, dat doe je thuis toch ook niet elke keer? Hij haalt een wijsvinger over de ijskast en zegt: ‘stof.’ Hij trekt zijn neus op: ‘Ja, sommige gasten zijn zo …’
‘En,’ zegt hij met een nog viezer gezicht: ‘sommige oudere stellen klagen over overlast van spelende kinderen in het zwembad. Daar moet ik niks van hebben. Ik houd van kinderen. Ik heb er zelf zes. Nu het huis uit, maar ik ben blij als er kinderen bij mij logeren.’
Wij mompelen iets als dat we heel rustig zijn hoor, geen zeurpieten en dat we heus wel van kinderen houden.
Zodra hij weg is checken we of de glazen pui voldoende isolatie biedt tegen geluid, van ‘spelende’ kinderen bijvoorbeeld. Wat een ontiegelijke ouwehoer is dat, zegt S., en zet alle luxaflex op ondoorzichtig.
Als ik ‘s avonds sta te koken, houdt de kookplaat er na een minuut of tien mee op. Uien net gefruit, spinazie al half geslonken, zalm uit de verpakking …
Ik haal de man erbij, die héél vaak zegt dat het nog nooit eerder gebeurd is, echt nooit, dat hij er niks van begrijpt. Hij doet van alles, maakt de plaat schoon – die natuurlijk helemaal niet vies is – zet het ding aan en uit en aan en uit, wat niet helpt. Ondertussen blijft hij in een zenuwachtig makend tempo praten. Ten einde raad zeg ik: ‘Ach, het is oké. Het komt wel goed. Ik kom er wel uit,’ want ik heb ondertussen in de gaten waar het aan zal liggen: die tweepits IKEA kookplaat is te klein om zowel een pan voor pastawater én een normale koekenpan tegelijk te verwarmen. Zodra ik hem de deur uit heb gewerkt blijkt mijn idee te kloppen. (Voor het perspectief: het keukenblok telt veertien (14!) kastjes en vier laden)
Ik gooi de inhoud van de koekenpan in een kookpannetje, maak het gerecht af, hussel de sla door elkaar, en weldra zitten we aan de maaltijd, op de gele stoeltjes met de roze kussentjes, aan de uitgeschoven tafel. Buiten op het terras is het te heet om te zitten.
De volgende dag spreekt Man me aan, zijn kleine zwembroek nog druipend van het zwembadwater: ‘Moet ik een nieuwe koekenpan kopen? Zo gek! Deze is van IKEA en zou het gewoon moeten doen…’
‘Nee hoor, niet nodig, ik red me wel,’ zeg ik.
‘Is het avondeten nog gelukt gisteren?
’Ja! Prima.’
‘God zij dank,’ zegt Man met pathos, en werpt zijn armen in de lucht.
Ik haast me naar binnen. Ik leg Man niet uit wat het euvel was, vertel niet dat die koekenpan gewoon werkt als er maar geen andere pannen op zijn miniatuur IKEA kookplaat staan. Ik trek me schielijk terug, achter de gesloten luxaflex …


