Brief uit Zagreb

Half Zagreb staat in de steigers. De twee torens van de kathedraal zijn ingepakt in een vlechtwerk van ijzer. Binnen is ongeveer alles wat er te zien is ombouwd met spaanplaat. De Sint Markus kerk, met op het dak de twee wapens van stad en land in kleurig mozaïek, krijgt een fikse opknapbeurt, en is daarom niet toegankelijk. We verkennen het centrum van de stad in slow motion vanwege de hitte. We bezoeken een museum waar we door de geschiedenis van Zagreb geloodst worden.
In de elfde eeuw sticht een bisschop het bisdom Kaptol, op een heuvel aan de rivier de Sana, met de kathedraal als middelpunt. Op een tweede heuvel, voor het werkvolk en de gilden, wordt een wereldlijke tegenhanger gesticht: Gradec, dat in 1242 een fiefdom wordt van koning Bela de Vierde, getuige de zogenaamde Golden Bull, het document dat deze overeenkomst vastlegt. De inwoners van het feodale leengoed mogen wel hun eigen ‘overheid’ kiezen. Gradic wordt ommuurd. De Stone gate, in het centrum van de oude stad, is de poort die van die ommuring is overgebleven, is nu het spirituele centrum van de stad. Het verhaal gaat dat er in de zeventiende eeuw een grote brand is geweest die de poortgebouwen verwoestte, behalve een icoon met een afbeelding van de Madonna met kind. Het wonder wordt herdacht in de Stenen Poort, met een kapel met de icoon achter een smeedijzeren hek, en houten banken waarop de gelovigen kunnen bidden. Enkele nonnen zorgen voor het heiligdom. De muren van het poortgebouw zijn bekleed met votifplaatjes. Op een ervan staat in blokletters Maria hat geholfen. Op veel andere plaatjes staat Hvala (dank je). Lokale mensen die langslopen slaan een kruis bij het kapelletje. Er zitten op de banken mensen te bidden en er worden kaarsjes aangestoken. De gewelven van de poort boven de kaarsenstandaard zijn zwartgeblakerd.
Het bisdom en Gradic versmelten tot het huidige Zagreb en deel gaan uitmaken van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Novi Zagreb, de nieuwe stad, wordt erbij gebouwd. Er wonen nu een kleine miljoen mensen in het gebied, waaronder veel boeren die van het platteland naar de stad getrokken zijn, op zoek naar een beter leven.

De nieuwe stad is groots opgezet, brede straten, veel parken, grote gebouwen, zoals het nationaal theater, een parel van Habsburgse neobouwkunst in licht oker. Het oude centrum is prettig klein met gezellige straatjes en zoveel terrasjes als ik nog nooit bij elkaar gezien heb. Wij hebben inmiddels een favoriet: onder bomen, bij een klein speeltuintje en tegenover een miniparkje. Daar is het onder de parasols net uit te houden, want ook in Kroatië is het warm en tikt het kwik de 40 graden bijna aan.

Het stikt in de stad van de musea. Er is een stropdasmuseum, want we danken ‘de belangrijkste modeaccessoire voor mannen’ aan Kroatische soldaten uit de zestiende eeuw. De eenvoudige voetsoldaat droeg toen een linnen lap om zijn nek, de hogeren in rang sierden zich met bontere halsdoeken, soms versierd met kant. Daar is de cravatte uit ontstaan, de das ‘op de wijze van de Kroaten’.
Er is een chocolade museum, waar je bij de aanschaf van een toegangsticket een verwenpakket chocolade krijgt en tijdens je bezoek mag snoepen aan chocoladefonteinen. Een martelinstrumenten museum waar ik verder geen woorden aan vuil maak. Er is het gehypete museum van verbroken relaties, waar je een verzameling objecten kunt zien en de bijbehorende verhalen kunt lezen van gewone mensen van over de hele wereld en hun stukgelopen relaties. Je mag er zelf een object doneren en je verhaal achterlaten. Ik kom in de verleiding om het relaas van hoe we aan onze Muis, de auto waarmee we reizen, gekomen zijn te doneren aan het museum: een autosleutel als object en een verhaal over een dertig jaar oude vriendschap die om een misverstand over een al dan niet afgevulde benzinetank werd verbroken. Ik weersta de aandrang zonder veel moeite. Er is een selfie museum, ik neem aan dat je daar jezelf kunt tentoonstellen. Er is een museum voor vergeten verhalen, eentje voor katers – niet de katten, maar wat je hebt als je teveel gedronken hebt. Er is een museum waar je je kunt verplaatsen in de wereld van de visueel gehandicapten, een new wave museum, een treintjes museum, een cannabis museum en een jaren tachtig museum.
Die bezoeken we allemaal niet.

We willen naar het kunstnijverheidsmuseum. Dat is dicht vanwege herschikking van de objecten. Dan maar het etnografisch museum. Daar is de vaste collectie niet toegankelijk, er is alleen een tentoonstelling te zien over de relatie van de mens met de grond waarop hij leeft. De derde optie, het kunstpaviljoen, is zonder opgaaf van reden gesloten tot nader order. Het museum voor moderne kunst? Dicht vanwege renovatie.
Na deze treurige tocht in de verzengende hitte belanden we in het museum voor naïeve kunst. Daar leven we op bij een fijne verzameling kunst gemaakt door mensen die geen kunstopleiding hebben gevolgd, de peasant painters, uit de Hlebine School. De Kroatische schilder Krsto Hegedusic, oprichter van het Zemlja collectief van kunstenaar die op zoek waren naar een eigen Kroatische uitdrukkingsvorm, woonde in Parijs, maar bracht zijn zomervakanties door in Hlebine, het geboortedorp van zijn vader. Daar ontmoette hij in 1930 twee boerenjongens, Ivan Generalic en Franjo Mraz, die religieuze plaatjes en ansichten naschilderden met uitzonderlijk talent. Hij moedigde ze aan om vrij te schilderen, wat ze zagen, wat ze meemaakten, wat ze voelden. De dieren, het dorp, het boerenleven, het onrecht, want Hegedusic was zich bewust van de sociale achterstelling en armoede op het Kroatische platteland. Hij trainde de twee jonge mannen in techniek en thematiek, zonder ze te knevelen in het keurslijf van een formele opleiding. De twee kregen navolging van anderen. Een tweede generatie groeide op onder mentorschap van Generalic. Het werd een stroming. Het levert geweldige schilderijen op.

Novi Zagreb is een stad gemaakt om te flaneren, met veel parken, brede lanen met groene middenstroken, een botanische tuin en, volgens een reisblog, een van de mooiste begraafplaatsen van Europa. Maar bij deze hitte is de lol er snel af, van flaneren: binnen de kortste keren druip je van het zweet, je wangen zien eruit als twee overrijpe tomaten, je enkels zwellen alsof je elefantiasis hebt en je haar kleeft op je hoofd als nat spinrag.
Dus pakken we de tram naar het museum voor contemporaine kunst, dat wonder boven wonder wel open is. Een kunstpaleis met airconditioning waar wij de enige bezoekers zijn. We kunnen dus ongehinderd praten, becommentariëren, nog eens teruglopen, eindeloos plaatjes schieten, beetje voor ons uit murmelen of zacht zingen zonder anderen te hinderen. Beter wordt het niet. Na de eerste drie verdiepingen drinken we een Americano, een met heet water aangelengde espresso, in het naastgelegen restaurant, waarna we de resterende twee verdiepingen bezichtigen. Zoals in elk museum voor kunst van nu hangt er een bonte verzameling werk, soms aandoenlijk (werk van een Finse die op foto’s tandenborstels, barbiepopjurkjes en haarspeldjes met klodders lijm vastplakt en over achterkanten van lijstjes kapotte netkousen en dito hemdjes trekt); soms would be (een in glimmend zwart uitgevoerde nar met een opgezet vogeltje op zijn puntige schoen); soms gewoon goed (linosnedes van gestileerde soldaten); soms gewoon lelijk (een soort aan de muur opgehangen scrotums in wit plastic met rode druppels eraan); soms leuk en herkenbaar (bladeren uit een herbarium). We zijn er uren zoet.

Terug rijdt de tram ons in een keer naar vlak bij de Sparsuper en het huis waar we verblijven. Op de heenweg was er halverwege een stroomstoring en stonden we onder een fly-over te bedenken wat we zouden gaan doen: een klein halfuurtje lopen in de zon of wachten op een terugkeer van de stroom, toen er aan de overkant van de weg een bus verscheen die ons tot vlak bij het museum bracht.

Gisteren was er opnieuw een stroomstoring. We liepen het kwartier naar het archeologisch museum hoppend van schaduwzijde naar schaduwzijde. In het museum voerde een ouderwetse kooilift, de kooi versierd met paardmotieven en krullen ons naar de derde verdieping. Via neolithische vondsten, Egyptische mummies, Griekse vazen, Romeins glaswerk, middeleeuws aardewerk en krijgstenues kwamen we terug op de begane grond. (De tweede verdieping, die van de Etrusken, was dicht vanwege herinrichting.) In de jaren tachtig heeft de aarde hier gebeefd. Het archeologisch museum is daarbij zwaar getroffen. Ik zag foto’s van vitrines vol Griekse vazen aan gruzelementen. Ze hebben het fraai gerestaureerd.
We drinken meer Americano’s. Je krijgt er een glas koud water bij, met ijsklontjes erin. Dat water drinken we op, en gieten er de koffie uit het kopje in om het nog meer te kunnen aanlengen met heet water uit de meegesleepte thermosfles. Die warme slappe bak werkt dorstlessend en koelt ook af – je gaat er extra van zweten, en door het windje onder de bomen op ons favoriete terras verdampt dat zweet, wat warmte aan je lichaam onttrekt. Het schijnt dat het beter werkt als je erin gelooft.
De burgemeester van Zagreb heeft verordonneerd dat alle stadsmusea dit weekend gratis toegankelijk zijn voor iedereen, vanwege de hitte. De tram rijdt weer niet, en we komen oververhit aan bij het museum voor natuurlijke historie. De koffiebar is dicht, maar de toegangsdeur niet. Wij trekken twee stoelen aan een tafel en drinken ons meegebrachte koude water om af te koelen. Daarna beleven we een uur of wat plezier aan de tentoongestelde mineralen, stenen en fossielen. Er zijn met spelden opgeprikte insecten; slangen, wormen en kikkers op sterk water en grotere opgezette dieren. Van dat laatste houd ik niet zo, maar die dieren op sterk water zijn mijn guilty pleasure. Geen idee waarom, maar het fascineert me. Net als fossielen van vissen en bladeren. Daar kan ik geen genoeg van krijgen.
De pronkstukken van de verzameling zijn Neanderthaler resten. Niet ver van hier zijn in een grot een grote hoeveelheid overblijfselen van onze verre voorouders gevonden, met vuistbijlen en andere gebruiksvoorwerpen. De beenderen en resten van schedels zijn geassembleerd tot complete skeletten met behulp van rood koperdraad en klei. Er staat een nagemaakte Neanderthalervrouw met een dierenvel om in een vitrine, met klein meisje en een kind dat op de grond zit als een dier. Het geheel wordt omlijst met filmpjes en animaties.
Via een Turkse koffie voor het lekker op een terras met een grote ventilator, en later een Americano tegen de dorst bij een alleraardigst meisje bij een cafeetje onder een boom – zij bracht ons de koffie direct in een groot glas, met een extra groot glas water erbij – lopen we langzaam terug naar huis, zoveel mogelijk aan de schaduwkant van de straat.

Afbeelding: Gypsy and Gypsy woman, geschilderd door Martin Mehkek, olie op glas, 1967, Museum voor Naïeve Kunst, Zagreb, Kroatie, 2026

Volgen en delen kan:
Follow by Email
LinkedIn
Bluesky