De tocht naar Kozice was avontuurlijk. Zeker twee uur reden we van het kastje naar de muur over onverharde wegen door een uitgestrekt niemandsland, waar alle dichtbegroeide heuvels op elkaar leken, en waar slechts af en toe een huis opdook tussen het weelderige groen. ‘Slepke’, zoals we onze navigatie noemen, was stilgevallen, en met de schaarse personen die we tegenkwamen deelden we geen taal.
Aan het eind van een doodlopend pad, stuitten we op een vervallen huisje, omringd door grazige weitjes en fruitbomen. Er was niemand, maar de deur stond open. Binnen een bed dat eruitzag als een nest, dekens en wat kleren. Een keukentje dat uit de middeleeuwen leek te stammen. Ik moest denken aan al die vluchtelingen die zich hier in de uitgestrekte bossen schuilhouden voor de lokale politie, vigilantes en milities die de buitengrenzen van Europa met stroomstootwapens, afranselingen en berovingen voor ons bewaken. Die bivakkeren in precies dit soort verlaten huisruïnes of gewoon in het bos. Hier zitten in een schuurtje echter een stel varkens, dus er moet een reguliere bewoner zijn die zich elke dag met de dieren bezighoudt.
We keren om en rijden wat later een erf op waar een vervaarlijk uitziende hond ons toeblaft. Een man of vijf, zes zitten aan een tafel onder een afdak. Ze springen op en komen naar ons toe; wijzen enthousiast verschillende kanten op, en de jongste van het gezelschap weet te melden dat het ‘foenf’ een van die kanten op is. Het is een uitgelaten gezelschap, en ze lijken niets liever te willen dan dat we ons bij hen voegen, rond de fles met schnaps. Aanlokkelijk, maar de avond begint te vallen, en we weten nog steeds niet waar ons onderkomen voor de nacht is. Ik stuur een bericht naar de verhuurder, al heb ik geen bereik. Als we bij een volgend huis weer gaan vragen, worden we opgevangen door de verhuurder, die ons herkent aan het Nederlandse nummerbord van Muis. We rijden achter hem aan, slaan na een kwartiertje een smal zijpad in en stoppen voor een huis gelegen in sprookjesland.
Het is een nieuw huisje, de eigenaren hebben onlangs besloten de onderste etage van hun huis als vakantiehuis te verhuren, en wij zijn de eerste gasten.
Het huisje zelf is vol liefde volgestouwd met snufjes en tierlantijntjes in de stijl van ‘a coffee a day keeps the docter away’ en ‘in dit huis respecteren we elkaar’. Onder kleine glazen stolpjes op de vensterbank kaarsen die eruitzien als gebakjes. Elk hoekje is bezet of behangen met ‘gezellige dingetjes’. Horror vacui. Op de bedden liggen stapels kussens. En een donzen dekbed. Op de tafel een vaas met veren. De keuken is uitgerust met een twaalfdelig servies, glazen voor een weeshuis, een sodastream en een sapcentrifuge en een pannenset om u tegen te zeggen. In de badkamer ‘natural body butter’ en spul voor een ‘complete scrub experience’.
Je kan je kont niet keren (wij zetten zoveel mogelijk prullaria opzij en leggen de overtollige bedkussens op een hoop naast de bank) maar het is vooral aandoenlijk, zoals de verhuurders het hun gasten naar de zin hebben proberen te maken. Hij is een Duitser, zij een Servische, geboren in dit dorp dat bestaat uit drie huizen. Ze wonen in Duitsland en dit is hun buitenverblijf.
Er loopt een man voorbij met een glimmende drietandige riek, wat me doet denken aan een scene uit de film Novecento, waarin de door Donald Sutherland gespeelde smerige lokale fascist aan het eind van de oorlog door de buren die hij jaren heeft gekweld met een soortgelijke riek wordt neergestoken. Er wordt hier nog traditioneel keuterboerenlandbouw bedreven. Ik zie mannen en vrouwen hooien met een houten vork, met een hak de aarde bewerken. De tractortjes lijken op die uit de jaren vijftig en bij elk huis is een groentenkasje, lopen een paar kippen, een paar varken, schapen en geiten.
Gisteren gingen we boodschappen doen – ruim een half uur rijden over macadam weggetjes en asfalt naar het dichtstbijzijnde stadje, Sanski Most, tussen Kljuc en Prijedor. Het stadje ligt in de Federatie Bosnië-Herzegovina, op de grens met de Republika Srpska. Langs het macadam wappert trots de vlag van die Republika en worden we welkom geheten in Servisch gebied. Op een van de heuvels waar we op uitkijken staat een groot christelijk kruis dat oplicht in de avondzon. Midden in het niets een klein orthodox kerkje.
Op de brug waar we overheen rijden richting supermarkt zijn in de laatste oorlog 19 Bosniakken door Servische nationalisten vermoord en in het water van de Sana rivier gegooid. Er is een gedenkteken. Het wemelt in dit land van de gedenktekens en van de kleine begraafplaatsen van slachtoffers van de laatste grote geweldsgolf.
Het dorpje Kozica waar we logeren was in de Tweede Wereldoorlog een van de plekken waar de Kroatische Ustase, die heulden met de nazi’s en zich qua wreedheid met hen kon meten, huishield onder de Serviërs. Er vielen duizenden slachtoffers.
Aan het eind van die oorlog werd hier, tijdens een bijeenkomst van de Antifascistische Staatsraad voor de Nationale Bevrijding van Bosnië en Herzegovina (ZAVNOBiH) verklaard dat in de toekomst Bosniakken, Kroaten en Serven gelijk zouden zijn.
Onder Tito werd die gelijkheid afgedwongen, maar door de laatste oorlog is al het oude en nieuwe zeer weer een open wond. De scheiding van het land in twee delen heeft niet bijgedragen aan verbroedering.
En wij zitten hier met volle teugen te genieten van de serene stilte. Je hoort geen auto’s, niet het geluid van een snelweg op de achtergrond, geen vliegtuigen en dat is op zich al heel bijzonder. Overal vogelgekwetter en het zoemen van bijen en andere vliegende insecten. Het ronken van een machine op een veld in de vallei beneden die rechthoekige strobalen maakt verdiept de stilte eerder dan dat ze wordt verstoord. Het is warm, maar er waait een windje dat het buiten zitten in de schaduw net draaglijk maakt. Een kleine geit speelt met een groot roze varken. Er kraait een haan. De hond van de eigenaar komt eens kijken en geeft me een lik over mijn hand.
Boven op een van de bergen is een groot plateau waar een prehistorische stad is gevonden, die nog niet is blootgelegd. Er is opgegraven, maar door geldgebrek is de onderneming weer gestaakt. Er zijn sporen van neolithische bewoning in dit gebied. In het museum in Sarajevo zag ik een overdadige verzameling vuistbijlen, stenen pijlpunten en messen.
Tachtig procent van het grondgebied in Bosnië bestaat uit bos, zegt Ralf, de man van Sladana. Het zijn de longen van Europa, meent hij, en ik wil hem graag geloven. S zoekt het op, Ralf doet aan romantische overdrijving, het percentage bos is zo’n 53%. Ter vergelijking: in Nederland is het 11%.
In de uitgestrekte bossen zwerven wolven en beren, herten en wilde zwijnen. En jakhalzen. Die laatste zitten niet ver weg, en doen de honden ‘s-nachts blaffen. Er mag niet op de beren gejaagd worden, maar dat houdt de jagers niet tegen.
Het is nu dicht begroeid, zegt Sladana, maar in de winter, als alles kaal is, kan je hier overal nog de skeletten van verwoeste huizen zien. De oorlog was hier heel erg. Sladana is op haar elfde met haar ouders naar Duistland vertrokken, toen Joegoslavië uiteen begon te vallen. Ralf en Sladana maken zich zorgen over de ontwikkelingen. De verrechtsing, de soms directe, dreigende oorlogstaal. Ze spreken over thuis, in Duitsland. Maar, zegt Ralf, als er thuis, in Europa, een oorlog uitbreekt, trekken we ons hier terug. We hebben een generator, hout, kaarsen, een moestuin. We kunnen hier best overleven als het moet.
Van Kozica rijden we via Prijador naar de Kroatische grens. Twee grensposten in elkaars verlengde. Zonder niemandsland te doorkruisen rijden we de EU binnen. Of we iets aan te geven hebben? Schnaps? Sigaretten? We mogen passeren, zonder dat iemand een blik heeft geworpen op onze volgepakte auto, waar toch met gemak een mud sigaretten en een kleine destilleerderij onder de paardendeken verstopt had kunnen zitten. Of een vluchtelingenechtpaar met twee kleine kinderen…
Op het kasteel bij de grenspost wappert fier de Kroatische nationale vlag.
Niet ver na de grens zien we huisjes met authentiek houtsnijwerk aan de pui, met dakpannen die lijken op de schubben van een hele grote draak, stenen onderbouw met houten bovenkant, uitbouwtjes, balkonnetjes van hout versierd met schilderingen.
Dat zag je in Bosnië niet, daar zag je verlaten, vervallen, en overgroeide huizen, kogelgaten in de muren. En nieuwbouw, opgetrokken uit grote blokken rood gasbeton, grof gemetseld, soms half afgemaakt en weer verlaten. Niet altijd gestuct en geschilderd. Al het authentieke is er in de vier-vijf jaren geweld weggevaagd. Kroatië is minder zwaar getroffen, en dat zie je aan de dorpjes langs de weg.


