Tussen Bratunac, waar we verblijven, en Srebrenica ligt Potocari, waar Dutchbat op het terrein van een oude accufabriek zijn compound had. Zo’n 400 mannen en vrouwen van de Luchtmobiele brigade vormden in de laatste dagen van de enclave de Nederlandse bijdrage aan UNPROFOR, de VN-vredesmissie in Bosnië tijdens de oorlog van 1992-1995.
Al bij het betreden van het gebied had duidelijk kunnen zijn dat Mladic en zijn troepen de beste kaarten hadden: Dutchbat mocht de enclave in, maar zonder al te zware wapens. Die werden prompt ingeruild voor lichtere, want UNPROFOR was geen vechtmissie, maar een vredesmissie die de Bosniakken, samengedreven in het stadje omringd door heuvels en bergen, kwam beschermen. Ik ben geen militair expert, maar dat Srebrenica moeilijk te verdedigen is, geloof ik gelijk. Later is wel gezegd dat de hele onderneming van meet af aan onverantwoordelijk was, maar dat was pas nadat de mensen die beschermd hadden moeten worden vermoord waren, en de uitgezonden militairen weer thuis waren, met PTSS, en alle klachten die daar het gevolg van zijn.
Direct na hun vertrek uit Potocari, op de basis in Zagreb, verklaarden de Dutchbatters dat het een moeilijke tijd was geweest: ze zaten tussen twee vuren: aan de ene kant de moslims die – volgens enkele Dutchbatters – eropuit waren de Serviërs te provoceren om zo de slechtheid van de vijand te laten zien en hun eigen slachtofferschap aan te dikken; aan de andere kant de Servische troepen, paraat op de heuvels rondom de stad.
Toen de Serviërs eenmaal dicht genoeg genaderd waren, volgden een aantal gesprekken tussen commandant Karremans en Mladic. Mladic, die de troefkaart van een aantal gegijzelde Dutchbatters in handen had, beloofde de vluchtelingen goed te behandelen. Er zijn beelden van een vriendelijk lachende Mladic die snoepjes uitdeelt en kinderen over de bol aait. Karremans, die niet werkelijk een andere keuze had, leek met Mladic te socialiseren, hij hief immers het glas met hem, een tafereel dat in ons nationale geheugen gegrift staat. Het is Karremans zodanig blijven achtervolgen dat hij zich na zijn pensionering in Spanje heeft gevestigd.
Aangekomen in Zagreb verklaarden de Dutchbatters niet gecharmeerd te zijn van de moslims: onbetrouwbaar waren ze. Met de Serviërs kon je tenminste zakendoen. Het is verhelderend de krantenberichten van net na de val van de enclave nog eens na te lezen. Wat er toen is gezegd is naderhand geduid als mogelijke symptomen van het Stockholmsyndroom, waarbij je je eigen angst bezweert door sympathie te koesteren voor degene die je bedreigt.
Op de muren van de compound is de meest aanstootgevende graffiti van de Nederlanders inmiddels verwijderd, zoals: “No teeth? A mustache? Smell like shit? Bosnian girl! [Geen tanden? Een snor? Stinkt naar stront? Bosnisch meisje!]
Ik lees ze van een foto in de kleine expositieruimte bij de gedenkplaats die is ingericht tegenover de oude fabriek. Hier zijn (een groot deel van) van de ruim 8000 mannen die na de val van de enclave zijn vermoord begraven. Rij na rij witte zuiltjes met een naam, een geboortedatum en steeds dezelfde sterfdatum. Op lange, schuinstaande witte platen worden hun namen genoemd. Her en der ligt een door de zon gedroogde bloem. Nog altijd worden er slachtoffers, eenmaal gevonden en geïdentificeerd, bijgezet.
De compound zelf is onderdeel geworden van de gedenkplaats, waar behalve een documentatiecentrum een aantal tentoonstellingen over de genocide zijn ingericht.
Dat het een genocide betrof lijdt weinig twijfel – de Servische intentie de Bosniakken als bevolkingsgroep uit te wissen is goed gedocumenteerd – al wordt dit ontkend door de Bosnische Serviërs, die alle aandacht die uitgaat naar de moslimslachtoffers, met die begraafplaats zo zichtbaar langs de weg en dat grote museum, oneerlijk vinden. Alsof er niet ook Servische slachtoffers zijn gevallen door moslimagressie. Die zijn er: bij het zoeken naar voedsel voor de mensen in de enclave werden dorpen in de omgeving aangevallen door Bosnische moslimstrijders, wat gepaard ging met brandstichten en moorden. Dat vertroebelt de discussie. Dat Servische slachtoffers niet ook erkend worden zet kwaad bloed. Het was oorlog, er is gevochten, er zijn aan beide kanten doden gevallen, is de Servische opinie. De stap naar ontkenning van de genocide is snel gezet.
Waarom zouden Servische slachtoffers geen plek in het herinneringscentrum kunnen hebben? Maar, zegt overlevende in een interview, je kunt je toch ook niet voorstellen dat er in Auschwitz een hoekje wordt ingericht voor de slachtoffers van het bombardement op Dresden?
In de fabriekshallen van de voormalige compound bekijk ik de exposities: veel foto’s, video’s van uitgeputte en vermagerde mannen die de dodenmarsen overleefden, voorwerpen die gevonden zijn in de bossen, rijen schoenen. De aanloop naar de val van de enclave, het leven van de Blauwhelmen – een nagebouwd slaapvertrek met twee veldbedden en een kast waarin uniformen hangen. Verhalen over slachtoffers, van familieleden, overlevenden. Graffiti op de muren, handafdrukken met ‘Handklap’ erboven geschreven; een geschilderd vignet van een lachend spookje dat een raket vasthoudt met eromheen: Royal Dutch Army, UNPROFOR: het woord kikkervisje naast de open plek waar de eerdergenoemde sneer naar Bosnische meisjes gekalkt was.
Het kantoor van Karremans, met een telefoon en een asbak op tafel en Beatrix en Claus aan de muur.
Aan het eind van de lange hal wordt de val van de enclave in beeld gebracht, met geluidseffecten; ik hoor schreeuwen, geweerschoten. De massa vluchtelingen, de bussen, de gescheiden mannen en vrouwen, hier en daar een machteloze Dutchbatter met een blauwe helm.
Een groep jonge studenten wordt rondgeleid en zitten in een zaaltje te luisteren naar een voordracht. Het zijn jongeren uit heel Bosnië die in het herinneringscentrum over hun geschiedenis leren. Ze worden vergezeld van een cameraploeg. Volgens de website organiseert het centrum sinds drie jaar een internationale zomerschool, over genocide.
Bij de ingang van het museumcomplex staat een beeld van twee vrouwen en een kind. Op de sokkel staat een tekst in het Bosnisch, met eronder Truus Menger, Westerbork. Na wat speuren kom ik erachter dat het beeld speciaal voor de gedenkplaats gemaakt is, voor de moeders, vrouwen en kinderen van Srebrenica, en in 2006 is onthuld in het bijzijn van maakster Truus Menger, en de directeur van Kamp Westerbork. Het museum wordt financieel en met advies ondersteund door zowel het Nederlandse ministerie van Defensie als Kamp Westerbork.
Truus Menger was een verzetsstrijdster uit de groep van Hannie Schaft. Na de oorlog maakte ze als beeldhouwer verschillende herdenkingsmonumenten. Het herinneringscentrum kamp Westerbork is, samen met PAX nauw betrokken bij het inrichten van de tentoonstellingen in wat voluit Srebrenica-Potocari Genocide Memorial and Cemetery heet. De manier waarop de schoenen en de voorwerpen zijn opgesteld lijkt op de manier waarop de Holocaust herdenkingsplaatsen zijn ingericht. Niet alleen in Nederland, maar ook in Polen.
‘Srebrenica’ is bijgezet in de herdenkingscultuur.
We eten ’s avonds in een restaurantje aan de Drina, het water kabbelt rustig door de brede bedding, aan de overkant is het groen zo ver als je kijken kan. De regen heeft alles opgefrist, ook het weer. We trekken een jasje aan. De eigenaar van het restaurantje is bezig met het lakken van houten tafeldelen. ‘Even wachten’, grapt hij, ‘ik ben nu timmerman, maar als ik mijn handen heb gewassen en een ander shirt aanheb, ben ik restauranthouder’. Hij spreekt Duits. Vroeger, vertelt hij, was hij kunst-onderwijzer. Maar dat kan nu niet meer, hij is moslim, en dat ligt hier, letterlijk aan de grens met Servië, nog steeds gevoelig.
De grens loopt middendoor de rivier. Zwemmen mag, ook naar de overkant, maar het is verboden om de andere oever op te gaan.
Al 16 jaar runt hij zijn restaurant. In de onmiddellijke omgeving ervan wonen mensen zoals hij, vaak teruggekeerde vluchtelingen. Sommigen spreken Nederlands.
We kijken toe hoe zijn vriendin verse pita maakt: met kaas gevulde broodjes van heel dun uitgerold deeg. De maaltijd is overvloedig – salade, visjes uit de rivier, geroosterde groenten, polenta, kaas en pita, wijn uit Montenegro, ‘want’, zegt hij ‘daar houden Nederlanders van’. Dat weet hij, omdat hij elke week een groep ex-Dutchbatters en hun familieleden ontvangt. Die zijn op ‘terugkeerreis’. Die terugkeerreizen zijn onderdeel van de nazorg voor Dutchbat III. Na een onderzoek uit 2022 bleek dat de leden van het bataljon die in Srebrenica-Potocari waren tijdens de val, kampen met trauma’s, schuldgevoel, schaamte, depressies en een schrijnend gebrek aan nazorg. Ze kregen een financiële vergoeding van 5.000 euro als blijk van waardering, om de negatieve beeldvorming rond het bataljon een beetje goed te maken.
De terugkeerreizen worden georganiseerd onder auspiciën van het Veteranen Instituut, worden door deskundigen begeleid en zijn bedoeld om de Dutchbatters de kans te geven in het reine te komen met hun verleden in Bosnië. De stichting Moeders van Srebrenica is een van de partners. Er worden, naast het bezoek aan de compound en de begraafplaats, gesprekken en samenkomsten georganiseerd met nabestaanden.
Het zijn emotioneel zware reizen, niet alleen voor de voormalige Dutchbatters, maar ook voor de mensen hier, vertelt hij, die hun trauma’s steeds weer opnieuw beleven. Toch vindt hij de reizen belangrijk. Hij laat me een boek zien, in het Bosnisch. Maar zegt hij, er is ook een Nederlandse versie. Ik zoek het later op: ‘Bruggen Bouwen. Ontmoetingen van Dutchbat III veteranen met Overlevenden van de Genocide in Srebrenica” van Eric Vermetten, Anna Gebert e.a. De EO maakte een documentaire over die reizen.
De zon zakt langzaam weg achter de bomen. We ronden de maaltijd af met Bosnische koffie. Wat we niet opgegeten hebben, gooit hij met een zwaai de rivier in: voor de vissen. Sommigen zijn enorm, zo groot als een dolfijn. Die lusten wel een hap polenta.
Bij het afscheid loopt hij de keuken in en komt terug met een fles wijn: hier, een geschenk, voor jullie. Het spijt me dat ik niet naar zijn naam heb gevraagd.
(Afbeelding: foto in de expositieruimte bij de begraafplaats – Potocari)


