Brief uit Srebrenica

We doorkruisten Montenegro en Servië onderweg naar Bosnië-Herzegovina, of eigenlijk Republica Srpska, want Bosnië is opgedeeld in de Federatie van Bosnië-Herzegovina en de Servische republiek, wat niet hetzelfde is als Servië. De grens tussen de twee delen van het land is grillig, De Servische republiek beslaat een groot deel van het Noorden en het Zuid-Oosten, en is bewoond door vooral Bosnische Serviërs. De Federatie ligt ertussen en is vooral bewoond door Bosniakken – Bosnische moslims.
Republika Srpska is in 1992, aan het begin van de oorlog gevormd, waarna de Bosniakken en Kroaten uit het door Servië geclaimde territorium werden verdreven. In 1995 werd het gebied in de Dayton akkoorden onderdeel van de zelfstandige staat Bosnië-Herzegovina, maar tot een gedeelde Bosnische identiteit heeft dat ook 30 jaar na de genocide in Srebrenica en andere delen van Bosnië, nog niet geleid.

In Montenegro sliepen we één nachtje in een dorpje met een klein haventje, aan de Montenegrijnse kant van het Skhöder meer, naast een snelweg en een spoorlijn. Aan de snelweg bij het dorp zaten een paar vrouwen vissen te verkopen, karperachtigen, dood, en enkelen nog levend, uitgestald in platte bakken. De volgende ochtend zaten ze er weer, met wellicht dezelfde vissen.
We bezochten Podgorice, de hoofdstad, waar ze een splinternieuwe Oosters-Orthodoxe kathedraal – de kathedraal van de wederopstanding van Christus – hebben gebouwd naar oud voorbeeld. Pas gewijd in 2013 is het een fonkelend eerbetoon aan niet te onderdrukken vroomheid, religieus machtsvertoon en de wederopstanding van Montenegro. Muren, plafonds, pilaren, werkelijk alles is beschilderd met heiligen en kerkelijke ambtsdragers, met taferelen uit het leven van Christus en met heel veel goud. Het is overweldigend, en eerlijk gezegd best mooi.

Voor we de grens met Montenegro over staken zagen we wat overblijfselen van de gekte van Hoxha. Overal in het land had hij bunkertjes laten bouwen, bang als hij was voor een invasie of een atoomoorlog. Er zijn grote, maar ook kleintjes, die lijken op paddenstoelen zonder steel die boven de grond uitsteken, of op iglo’s van beton. In een van die iglo’s had een excentrieke figuur zijn tattooshop gevestigd. Hij begint, in redelijk Engels, te praten en houdt niet meer op. Hij wijst naar de antifascisme sticker die ik achter op mijn telefoon hebt, denkt dat het een hakenkruis is en begint een heel verhaal over hoe dat symbool verkeerd wordt begrepen, om via een aantal zijsprongetjes terecht te komen bij dat Albanië eigenlijk veel groter zou moeten zijn, dat veel land van de Albaniërs is afgepakt, dat de Albaniërs de oorspronkelijk bewoners van de Balkan zijn en dat de EU Albanië nooit zal toelaten omdat ze dan veel te veel aan herstelbetalingen moeten betalen voor al het onrecht het land en het volk aangedaan. Dat had een echte historicus hem uit de doeken gedaan. Uiteindelijk staan we maar gewoon op om weg te lopen, want anders zaten we er nu nog. Om herhaling te voorkomen krab ik de sticker van mijn telefoon.

Vlak voor de grens drinken we koffie tegenover nog een paar van die bunkertjes, in een café waar een tafel precies voor de airco wordt geschoven om ons het best te verkoelen. Een man in een politieuniform – de plaatselijke commandant? – krijgt een lunch geserveerd die van buiten wordt gebracht door een ondergeschikte. Op een groot televisiescherm beelden van Sazar, het eiland dat in de klauwen van de Trumpjes is gevallen, en de aanhoudende protesten daartegen in Tirana. ‘Protest?’ Vraag ik. ‘No problem, no, no, no problem’, roept de geüniformeerde bijna verschrikt uit.

De grens tussen Montenegro en Servië is een echte grens. Eerst wachten in een rij voor de Montenegrijnse douane, dan serieuze controle van de papieren, dan een stuk niemandsland en dan hetzelfde ritueel aan de Servische kant.
(Toen we van de boot afgingen in Albanië werden we vluchtig gecontroleerd door een lokale politieman, bijgestaan door een man met Frontex op zijn shirt. Ik stel me zo voor dat de andere kant op – van Albanië Italië in, de Frontexman meer te doen heeft dan alleen maar toekijken).

In Servië komen we langs een kloostertje bij het dorp Grobnice, in een zijvallei bij de rivier de Lim. Gesticht in 1281 door een monnik met de naam David, en gebouwd op de resten van een Byzantijnse basiliek uit de 6de eeuw. Het complex werd herhaaldelijk geschonden, maar het kerkje overleefde de Ottomaanse periode. In 1997 is het gerestaureerd, en dat gebouwtje is nu te bezoeken. Een paar deels uit hout opgetrokken bijgebouwen doen dienst als klooster. Als wij er zijn is er maar één man, misschien een monnik, in burgerkleren maar met een lage baard. Hij biedt koffie aan, althans, dat geloof ik, die we beleefd afslaan.
De restauratie is zorgvuldig gedaan, de schilderingen zijn fraai, de setting in de groene vallei aan een stroompje is geweldig, maar ik mis de magie die uitgaat van het oude, het origineel, van het weerstaan van de tand des tijds, en de sporen daarvan. Het raadsel van wat vroomheid vermag.
Dat was er wel in de kathedraal van Podgorice. Waarschijnlijk omdat die met opzet nieuw is gemaakt. De kathedraal bouwt niet op wat al vergaan is, het is een eigen gebouw, met eigen architectuur – de buitenkant opgebouwd uit ruwe stenen en beton, met reliëfs waarop bijvoorbeeld de ark van Noah en de stad Jeruzalem staan afgebeeld. Het lijkt erop dat het einde van het Tito regime radicaal een einde maakte aan het gedwongen atheïsme en de Balkanstaten hun religieuze identiteit in ere wensen te herstellen.

Tussen Servië en Bosnië-Herzegovina uiteraard ook een grens; waar wij passeren loopt die middendoor de rivier de Drina, waardoor er een flink stuk niemandsland is langs de rivier tussen de Servische en de Bosnische grensovergang (waar ze voor het eerst ook het kentekenbewijs van de auto willen zien en controleren). We volgen de rivier de Drina tot we bij Bratunac aankomen, waar we een huisje huren van een aardige jonge man, die zijn frambozenplantage heeft opgegeven om op die grond het huisje te kunnen zetten. Hij is er trots op ons te verwelkomen.
Rondom het huisje is een enorm grasveld, met daarachter bijenkasten en een boomgaard met kersen- appel en perzikbomen. De kersen zijn rijp, en van de buurman krijgen we over het hekje heen twee volle zakken met de rode vruchten.
De avond van aankomst regende het dat het goot, met donder en bliksem. Nu is het mild zonnig, niet meer zo warm. Kraaiende hanen, mekkerende schaapjes en een grappig klein katje dat af en toe langskomt voor een aai. De heuvels zijn begroeid met bossen, de mensen zijn aardig en behulpzaam. Het is vredig.
En dat geeft een ongemakkelijke tegenstelling met waarom we hier eigenlijk zijn, in Bratunac, vlak bij Potocari en Srebrenica.

Bij Srebrenica denk ik: Karremans, de commandant van de Nederlandse brigade, die het glas heft met Mladic (die nu in Scheveningen levenslang uitzit), veel te jonge Dutchbatters, blauwhelmen uitstekend boven een zee van vluchtelingen, bussen die mensen afvoeren, een fotorolletje, een hossende kroonprins. Een veilige have die dat helemaal niet was. Duizenden doden die voorkomen hadden kunnen worden als er meer daadkracht en vooral meer menselijkheid was getoond. De sorry’s en de mea culpas die na de moordpartijen zijn uitgesproken. Milosevic die in een cel in Den Haag het loodje legt.
Een gerechtshof dat, decennia later, de Nederlandse staat voor eerst 30%, maar in hoger beroep nog voor slechts 10% verantwoordelijk acht voor de dood van de mensen die in de compound van Dutchbat hun heil hadden gezocht, en die er niet welkom waren. Het falen van de ‘internationale gemeenschap’. Net als in Rwanda, waar Romeo Dellaire, de commandant van de vredesmacht daar, in 1994 smeekte om aanpassing van het mandaat zodat ze de mensen daadwerkelijk tegen de machete zwaaiende bendes konden beschermen; smeekte om meer troepen, maar dat allemaal niet kreeg. ‘Srebrenica’ gebeurde een jaar later, in 1995. De luchtsteun waarop gerekend was kwam niet. Een van de redenen daarvoor was dat de levens van de blauwhelmen die in Servische handen waren gevallen beschermd moesten worden.
Het is dus allemaal niet nieuw, het ‘falen’ van de internationale gemeenschap. Als het gaat om het beschermen van mensen is het hemd ook bij de verantwoordelijke leiders of bewindslieden nader dan de rok.

Toen in juli 1995 de Servische troepen de ‘veilige enclave’ Srebrenica innamen, had het handjevol Dutchbatters geen weerwoord, en verdedigde noch de stad, noch de compound. In het stadje zaten zo’n 40.000 mensen in de val. De toenmalige directeur van Artsen zonder Grenzen verzuchtte dat het getto van Warschau er zo moet hebben uitgezien. Toen de Serviërs naderden sloegen mensen, vooral mannen op de vlucht, de heuvels in, naar gebieden in handen van de Bosniakken of Tuzla, een andere ‘veilige enclave’. Velen van hen werden opgejaagd, in hinderlagen gelokt en vermoord.
De vrouwen, kinderen en oude mannen vluchtten naar de compound van Dutchbat, in Potocari. Onder leiding van Mladic, en onder het oog van de Nederlandse blauwhelmen, werden de mannen en de jongens van de vrouwen gescheiden, de vrouwen werden afgevoerd, de mannen werden eerst voor verhoor meegenomen, en daarna voor het overgrote deel vermoord.
In eerste instantie deden Karremans en zijn manschappen, een paar dagen later geëvacueerd naar Zagreb (waar dat gehos met Wim-Alex plaatsvond) alsof er niet veel aan de hand was geweest, de vluchtelingen waren geëvacueerd en dat was best goed verlopen, de omstandigheden in aanmerking genomen. Een fotorolletje waarop foto’s van executies ging verloren in een ontwikkelbad met een verkeerde oplossing. Een video met gewelddadigheden werd gewist.
Pas later drong de omvang van de moordpartij door, nadat er satellietbeelden waren vrijgegeven waarop vrij duidelijk massagraven te zien waren. Toen hadden de Serviërs echter de tijd gehad om de doden in de massagraven op te graven – wat ze deden met bulldozers – en de brokstukken mens willekeurig over verschillende andere massagraven te verdelen. Massagraven werden meerdere keren omgewoeld en de resten verder verdeeld. Daarom duurt het zo lang voordat de slachtoffers geïdentificeerd kunnen worden; hun resten zijn verspreid over een groot gebied, en dat maakt identificatie moeilijker. Nu, 30 jaar later, zijn nog steeds niet alle vermisten gevonden en wordt nog altijd gewerkt aan het reconstrueren van lichamen zodat ze een fatsoenlijke begrafenis kunnen krijgen.

Srebrenica zelf is weer een klein, rustig stadje, waar niet veel te doen is. Op een rotonde staat een wereldbol met erbovenop vier goudkleurige kinderen die een dansje maken. Er zijn een paar sportvelden die gedoneerd zijn door een Bosnische voetballer die in Engeland speelt. Er is een supermarkt, er zijn wat barretjes en restaurantjes, een moskee, een kerk. Er wapperen aan het gemeentehuis drie vlaggen: die van de Republika Srpska, die van Bosnië-Herzegovina en die van het stadje zelf. Een oude vrouw die ik al eerder tegenkwam groet me hartelijk. Ze maakt een zwaaiend gebaar met haar arm en zegt in het Bosnisch: ‘Kijk, ik loop nog elke dag een rondje.’ ‘Geweldig’, zeg ik terug. Ze loopt op sokken in slippers, met een stok, heeft een gezicht als een gerimpeld appeltje en om haar hoofd een sjaaltje dat onder haar kin is vastgeknoopt. De mannen in het café aan de overkant groeten haar luidruchtig, waarop ze, ondeugend ineens, iets terugroept.
Als S. de auto niet zo makkelijk van de parkeerplaats op de weg lijkt te krijgen, schiet een van de mannen op het terras overeind om te helpen. Hij gaat achter het stuur zitten, draait ‘Muis’ de weg op, stapt uit en zegt: zo oke? We zwaaien naar elkaar bij het wegrijden.

(Afbeelding: foto van een muur in de voormalige Dutchbat compound in Potocari)

Volgen en delen kan:
Follow by Email
LinkedIn
Bluesky