Brief uit Genoa

Waar ik altijd aan dacht als ik aan Genoa dacht – wat niet heel vaak voorkwam, was: Christofor Columbus, die hier geboren is; pesto, die hier is uitgevonden, en Ilja Leonard Pfeiffer, die hier is neergestreken, de liefde heeft gevonden en van de drank is afgeraakt.
Ter voorbereiding van het bezoek aan de havenstad probeerde ik Brieven uit Genoa van Pfeiffer te lezen. Waar ik na twee brieven mee ophield omdat ze me gedateerd voorkwamen. Daarna nam ik zijn La Superba ter hand, omdat ik las dat la Superba (de hoogmoedige, de trotse) de bijnaam is van Genoa. La Superba is een roman, waarvan ik nu een bladzij of vijftig gelezen heb. De beschrijvingen van de stad en de steegjes zijn leesbaar, maar de ontboezemingen van de ik-figuur over mooie en lelijke meisjes en vrouwen in het algemeen vind ik niet opbeurend en ook nogal oninteressant. Dat de protagonist een afgezaagd vrouwenbeen tegen het lijf loopt en mee naar huis neemt maakt dat ik het ergste vermoed over de rest van de roman.
Ik was nooit bijster geïnteresseerd in Pfeiffer, totdat ik hem met zijn lange haar en zijn kostuum en zijn dikke buik bij Zomergasten ontwapenend zag vertellen over dat hij als jongeling een eigen taal had verzonnen. Toen dacht ik, goh, ik ga toch eens wat van hem lezen. En dat is er nu dan van gekomen.
We zijn in Genoa neergestreken, niet ver van het centraal station, waar aan de voorzijde een reusachtig standbeeld van Columbus staat te pronken; en op een muur gespoten las ik: ‘eat pesto, hate tourists’.

De studio die we bewonen staat in een smalle steeg, waar bij aankomst een Italiaanse familie ergens achter een van de ramen luidruchtig feestviert. De panden zijn zeker acht verdiepingen hoog, en uit de ramen hangen lijnen met wasgoed, alsof alles erop gericht is om de clichés over een volksbuurt in een oude Italiaanse stad te bevestigen.
In de studio hangt de zware, verstikkende lucht van reukstokjes. Maar dat is niet het enige dat je de adem ontneemt: het hele studiootje is volgeplakt en volgehangen met kleurcirkels, sterretjes (die ’s nachts oplichten) en ‘leuke dingen’. Van boven tot onder zijn de muren versierd met grote en kleinere stippen in bonte kleuren, afgewisseld met sterren en omzoomd met regenbogen, onderbroken door opgeplakte plaatjes van vissen, vogels, palmbomen en kindertekeningen. Op de mosterdgeel geverfde kasjes in het keukentje zijn bloemen geplakt, en katten die aan hun nagels naar beneden glijden. Grote Keith Haring prenten aan de muur. (Keith Haring als graffiti op een stadmuur, oké, maar in je huiskamer: nee)
Er hangt een bordkartonnen anker aan de muur, er staat een vuurtoren met een lampenkap erop. Uit een toneellamp vloeit blauw licht. Op een plank staat een mand met dinosaurusjes en andere plastic diertjes. In de slaapkamer een tafelvoetbalspel. Het geheel doet denken aan een kinderkamer ingericht door ouders die het niet kunnen uitstaan dat hun kind nog steeds geen ADHD diagnose heeft, en het lot een handje willen helpen.
Maar wij zijn tevree, want het optrekje is op loopafstand van de binnenstad en de oude haven, die op het eerste gezicht levendiger is dan in Marseille, met straatmuziek en mensen die dingen verkopen; opvallend veel zwarte mensen (Pfeiffer schrijft dat ‘heel Afrika’ in de wijk van zijn vriend Rashid woont), die kleren hebben uitgestald op lappen op de grond, of achter een tafeltje met zonnebrillen zitten te hopen op een klant. Het voelt meteen als een smeltkroes, en wij zitten er middenin.
Op zoek naar lijnzaad om een darmverstopping die nare krampen genereert te verhelpen, ontdekken we dat de parkeergarage aan het eind van onze steeg toegang geeft tot een supermarkt, waar ze naast de gezochte biologische lijnzaad verder alles verkopen wat je maar nodig zou kunnen hebben. Het meisje achter de kassa heeft rozerood haar en gitzwarte aanplakwimpers van wel twee centimeter lang.

Onderweg van ons Borgo naar Genua, nog in voor-Alpen, kronkelde een slang over de weg. Zeker een meter lang, twee vingers dik en grijsgroen van kleur. ’s Nachts in de badkamer van onze studio lichten een plastic cactus en een flamingo je bij. Gisteren, laat in de avond, regende het dat het goot, compleet met donder en bliksem – die laatste kon je niet zien, want de steeg beneemt je elk uitzicht – wij zitten 1-hoog. Ik heb meelij met de mensen die vannacht op straat slapen, en naar het zich laat aanzien zijn er dat best veel in Genua, want we zien veel bedelaars (een oudere man bij de San Lorenzo; een zo op het gezicht wanhopige straatmuzikant op een trapje bij een andere kerk, een schreeuwende vrouw met een wild blaffende hond onder een viaduct, twee mannen – een Pool en een Bulgaar – bij een supermarktje). Genua heeft duidelijk vele gezichten en gaat moeiteloos van chique of quasi-chique over in armoedig en lichtelijk onguur (en stinkend naar pis).
Bij het station wordt iemand beroofd, een jongeman in een lichtblauw shirt rent razendsnel een trap op en een straat door, achtervolgd door de kreten van een groepje onduidelijke, Spaanssprekende figuren die er ook gisteren al bierdrinkend rondhingen.

Het door de verteller in La Superba gevonden vrouwenbeen heeft een kous aan, zo’n nylon geval dat ophoudt midden op de dij. Die kous wordt langzaam door de Ik van het been afgestroopt, wat zo opwindend blijkt dat hij klaarkomt en er een klodder sperma op het been terecht komt. Dat wordt samen met het been douchen om de sporen van contact weg te wassen. Ik denk aan andere verloren benen, die van Gaza, zoals beschreven in Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda en bijna leg ik het boek van Pfeiffer weg. Maar ik verman me, en lees vervolgens een beschrijving van Genua die me toch doet doorzetten. Het is een weliswaar een irritant geëxalteerde beschrijving, maar ik kan de man toch volgen in zijn enthousiasme. (Het door de Ik van Pfeiffer gevonden been wordt in een vuilniszak verpakt en weggegooid, en hopelijk, maar niet waarschijnlijk, is daarmee de kous af).

Genua is een stad als een goede film: elk beeld is origineel en brengt je in een wereld die je nog niet kende. Hoge, stramme gebouwen zonder veel versiersel behalve groene luiken afgewisseld met overdreven barokke kolossen. Een plein (piazza Ferrari) met een gigantische fontein waar een groep Japanners om de beurt precies dezelfde foto van elkaar maken. – We passeren een groepsreisgroep, vooraan de akela met een oranje vlaggetje op een stok. Zij wordt gevolgd door zeker vijftig mensen – de meeste redelijk oud, maar ook een aantal jongeren, die via een rood doosje dat aan een koord om hun nek hangt en een oortje in hun oor verbonden zijn met hun reisleider. Zodat ze straks allemaal weer veilig in de bus zitten, of misschien zelfs wel weer aan boord van hun cruiseschip stappen. Want ook hier meren die drijvende eilanden af, zag ik in de haven -.
We struinen door de stad, omhoog over trappen, omlaag door steegjes, van plein naar plein, langs palazzo’s in verval of mooi opgeknapt. Het schijnen er meer dan 75 te zijn, palazzo’s, waarvan er 40 via een palazzoroute te bekijken zijn. Ook op de hoeken van de smalste steegjes zijn nissen aangebracht met een beeld erin, meestal van Maria (of Catharina van Genua) of een mij onbekende heilige met een lam aan zijn voeten.
Genua in zijn hoogtijdagen had een systeem ontwikkeld (de rolli, of lijsten) waarbij de palazzo’s die op die rolli stonden verplicht waren onderdak te bieden aan bezoekers van de stad – hooggeplaatste bezoekers uiteraard. Het plebs verbleef in de stegen bij de haven, in de herbergjes boven de zeemanskroegen en ongetwijfeld opgewarmd door de ‘meisjes van plezier’.
Rond de oude haven hangt de geur van verse en gebakken vis, een geur die ik in Marseille miste. Op de kade staan tafeltjes en stoeltjes en op een bootje worden ansjovisjes gebakken, opgediend met focaccia, in de putjes in het brood glimt de groene olijfolie.
Verderop, dichter bij het Aquarium-museum en het nagebouwde piratenschip dat gebruikt is in een film van Passolini, zitten twee vrouwen achter elk een enorm bord gemengde salade. Wij gaan een dezer dagen een keer eten in de Cucina Casalinga da Mario, die we tegenkwamen vlak bij ons studiootje, in een steeg bij de haven, die er volks genoeg uitziet om voor ons aantrekkelijk te zijn, waar kelners heen en weer rennen met borden dampende pasta met mosselen of vongole.

Volgen en delen kan:
Follow by Email
LinkedIn
Bluesky