Brief uit Val Paraone, Savona

Terwijl in Nederland vuurwerk door de brievenbus van het D’66 kantoor wordt gepropt; ‘bezorgde burgers’ er geen been in zien brand te stichten in een opvang voor vluchtelingen en de brandweer tegen te houden als die wil komen blussen, en Premier Rob tijd blijkt te hebben om bij Bonaire in zee te zwemmen (waar een zeedier voor ons de honneurs waarneemt en hem prikt tot hij onwel wordt), zit ik aan een met zonnebloemenkleed bedekte tafel in een gehucht in Ligurië, Italië.
Het is bewolkt en fris, maar aan de schaduwen op het hellende weggetje naar het volgende huis zie ik dat de zon zich door de wolken weet te stralen. Het terras waar ik op zit hoort bij een huisje dat we voor een weekje huren in een dorp van 400 inwoners, in de heuvels, bergen van de Italiaanse Voor-Alpen. De borgo ligt aan de Strada Provinciale 35, een smalle geasfalteerde weg die op loopafstand van het huisje overgaat in een zandpad. Het is er stil, op vogelgeluiden na en af en toe een flard Italiaans uit een van de huizen rond ons optrekje. Het landschap bestaat uit glooiiende hellingen en het uitzicht is prachtig: beboste heuvels met af en toe een gehucht met een kerkje dat boven de rozigrode daken uitsteekt. Klokken klepperen vanuit verschillende torentjes de uren weg.
Bij aankomst worden we begroet door Sabrina en Flavio, die in een huis aan de andere kant van de straat wonen en onze gastgevers zijn. Op tafel in het huisje staan ter verwelkoming een schaal citroenen van eigen boom, een flesje olie van eigen olijven (met een geborduurd etiket aan de hals gebonden waarop ‘our oil’ staat) en een vaasje met artisjokken. In de houtkachel brandt een vuurtje, want het kan fris zijn ’s avonds. Flavio komt met een arm vol hout die hij in een kist naast de kachel legt, voor als we het nodig hebben (nog niet).
Het dorpje is een mengsel van oude en nieuwe huizen. Omdat deze streek aan het verarmen was (is?) hebben de bewoners een Europese subsidie kunnen aanspreken om de berggemeenschapjes te redden en moderne huizen te bouwen met waterleiding en riolering. In het dorpje nog sporen van voor die tijd: op verschillende plekken waterpunten die nu in onbruik zijn geraakt. Sabrina vertelt ons dat we het water uit de kraan kunnen drinken: het komt rechtstreeks uit de bergen. Bij een verlaten huis in de buurt komt onder onze voetstappen het kruid in de voortuin tot leven en vult de lucht zich met de geur van tijm.
Gisteren, tijdens een wandelingetje, behalve wat droog aandoende aardappelveldjes, ook olijfboomgaardjes, goed onderhouden perzik- en vijgenbomen, verwilderde kersenbomen en andere sporen van wat ooit een gemeenschap van zelfvoorzienende keuterboertjes moet zijn geweest. Veel overwoekerde terrasjes. Ritselende waterstroompjes. Ik zie voor het eerst olijven-in-de-dop aan de bomen, en ook aan de druivenplanten beginnen de vruchten al te groeien. Op en rond de paadjes in het bos sporen van dieren die aan het wroeten zijn geweest. Een man en een vrouw werken in hun veldje, ze wensen ons vriendelijk ‘una bella passeggiata’.

Vanuit Marseille volgden we eerst een weggetje dat zich door de heuvels slingerde, met afwisselend zicht op de Middellandse zee en dichtbeboste hellingen. Hoewel dat prachtig was, zijn we voordat we verzeild zouden raken in de Côte d’Azur van Saint Tropez, Cannes Nice en Monaco op tolwegen (met veel tunneltjes) verder gegaan richting Italië. De kust tussen Marseille en de Italiaanse grens lijkt – op het natuurreservaat waar we ons doorheen kronkelden – volledig overgeleverd aan het toerisme: van hoog boven de kust zien we niets dan hoteltorens, haventjes met jachten, cruiseschepen. Ik las over protesten tegen cruiseschepen omdat ze zo vervuilend zijn, en vermoed dat ook in Marseille wel geprotesteerd zal worden tegen de drijvende toeristeneilanden die er aanmeren. Elke avond zag ik er een of twee uitvaren. Ik moest denken aan de serie artikelen die ik las van Jonah Falke die met zo’n cruise meegaat en zijn ervaringen deelt. Je bent, ondanks alles, toch nieuwsgierig hoe het is, zo’n cruise, en als men me zou vragen om, net als Jonah, een reisje mee te maken en er verslag van te doen, zou ik ook geen nee zeggen. Al zien die grote witte drijvende ’s avonds helverlichte afgeknotte piramides vanuit de hoogte van de heuvels van Marseille er niet per se aantrekkelijk uit.
Eenmaal in Italië blijft de kust volgebouwd, maar minder dicht, en hoe dichter we bij onze bestemming komen, hoe minder hoteltorens ik zie. Een stuk van de weg voert langs aan de ene kant van mijn blikveld een helderblauwe zee, en aan de kant besneeuwde bergtoppen – nogal in de verte maar toch. Het gaf me een onmetelijk rijk gevoel: dat ik hier ben, tussen zee en bergen, voortrijdend naar het nog ongeziene.

Ligurië is een belangrijk economisch centrum. Toerisme is de belangrijkste sector, ‘miljoenen bezoekers worden aangetrokken door de prachtige kusten, de authentieke dorpjes en het rijke culturele erfgoed.’ Genua (onze volgende bestemming), San Remo (art nouveau casino) en Portofino (glamour en glitter en luxejachten) zijn populair. Ook is er scheepsbouw, chemische industrie en metaalindustrie. (Waar we godlof in ons dorpse lustoord niets van merken).
De haven van Genua is de grootste van Italië (daar merken we straks misschien wel wat van. Ik vind haven interessante, rare plekken, tussengebieden gewijd aan de god van de bedrijvigheid, en meestal met oude wortels waarvan je je, als je je best doet, best een voorstelling kan maken. Ik ben ooit in de haven van Jakarta scheepgegaan op een veerboot, dat helpt).
Producten als olijfolie, wijn, fruit en groenten dragen bij aan de welvaart van de regio, al merk je die niet echt, hier in het dorpje, dat er, op de geparkeerde auto’s na, in de middeleeuwen ongeveer hetzelfde moet hebben uitgezien. Misschien iets minder hoge huizen, misschien iets meer geiten, iets meer volk ook, werkzaam op de uitgehakte terrasveldjes, maar verder heb je niet echt veel fantasie nodig om de ezelkarren over de paden te horen rammelen, en de vrouwen met manden fruit op hun rug richting de kust te zien lopen om handeltjes te drijven.
Ligurië dus, het commerciële en industriële hartland van Italië. Met pittoreske havenstadjes, middeleeuwse bergdorpjes en parelwitte stranden. Die hagelwitte stranden en die jachthaventjes laten me min of meer koud. Ik word warmer van de beboste hellingen en de gehuchten en de stilte die hier hangt. In een blog over de Ligurische keuken lees ik dat die ‘authentiek en uitmuntend’ is. Het schijnt dat Italianen – de dorpse, eenvoudige variant – over het algemeen gezonder ouder worden vanwege de zongerijpte tomaten en andere groenten die ze eten en de overal overvloedig overheen gesprenkelde extra vierge olijfolie, uiteraard koud geperst.

In Marseille zochten we een plek om Bouillabaisse te eten, de echte, traditionele. Er zou een klein vissershaventje zijn aan de rand van de stad waar ze nog de originele, volgens overgeleverd familierecept etc… Dat moet echter in vervlogen tijden geweest zijn. Het haventje is er nog, vol kleine jachtjes, en rondom zoveel mensen dat ik moet denken aan zo’n strooplint dat vliegen vangt. De sfeer is er best prettig, de mensen uitgelaten en blij gezeten aan hoge ronde tafeltjes, met voor zich een bier (de mannen) of een aperol spritz, met schijfje sinaasappel en een rietje (de vrouwen), maar het is er wel heel erg druk. Je hoeft bij wijze van spreke, alleen maar je nek een beetje uit te streken om het glas van je buurvrouw via dat rietje leeg te drinken.
Volgens Chedli, de verhuurder van ons Tiny House, hadden we niets gemist, wat betreft die vissoep, en konden we die maar beter uit ons hoofd zetten. Want wat van oudsher een armeluisgerecht met visresten in van graten, koppen en staarten getrokken bouillon was, is een op toeristen gerichte luxeproduct geworden, waar je teveel betaalt voor te weinig. We grasduinen nog wat in menukaarten van bistro’s en andere eetgelegenheden, maar eten uiteindelijk Koreaans in een achterafstraatje van de Court Julien, het Quartier Latin van Marseille, met restaurantjes, bars, bedelaars, stoepslapers en muren volgespoten met grafitti.

Tegenover me zijn twee vrouwen hun planten rond het terras aan het opbinden, terwijl ze rustig met elkaar keuvelen. Rond hen huppelt een hond met een belletje om zijn nek. Om bij ons optrekje te komen moet je een trapje af langs een muur waar tussen de natuurstenen vetplanten groeien. Alles is hier steil, dus zijn er overal trappen en trappetjes. De postbode komt langs in een geel hesje. Enthousiast begroet ze de hond met het belletje. Er is nu een jonge man aangekomen die omhoog en omlaag sjouwt met planten en aarde.
Wij doen een wasje in de wasmachine en maken een uitstapje naar Albenga, aan de kust.

We parkeren in een niet al te aantrekkelijke buitenwijk tegenover een supermarkt (Intermarché locale) waar ik later verse gnocchi en echte pesto koop voor het avondmaal. De mensen in de buurt van Genua nemen hun pesto serieus. De beste wordt gemaakt met basilicum uit Pra, dat ten westen van Genua ligt en die is mild en zoet, met de beste pijnboompitten, olie van de taggiasca olijf en met vessalico knoflook. Alle ingrediënten tot een fijne saus gestampt in een marmeren vijzel met een houten stamper.

Het centrum van het stadje is oud. Albenga werd al door pre-Romeinse stammen bewoond. Ik moet er nog even aan wennen dat ik in Italië ben, het thuisland van de Romeinen, waar het dus heel gewoon is dat die er sporen achterlieten, zoals hier niet ver vandaan een van de oude via’s – de Via Julia Augusta – die het stadje verbond met zuid Frankrijk en met Spanje.
Hoge, vierkante middeleeuwse torens rond een pleintje. Een van de torens wordt met dikke banden die lijken op riemen die vrachtwagenchauffeurs gebruiken om hun lading mee vast te sjorren bij elkaar gehouden. Bij de torens een kerkje (Albenga had in de 5de eeuw een bisschop en was in de laatantieke tijd een belangrijke haven- en handelsplaats). Die kerk is van binnen een interessante mengeling van zichtbaar oude fundamenten en bogen, en minder oude heiligenbeelden. In een soort vitrine onder een altaartje is het lichaam van Christus uitgestald, druipend van het bloed uit zijn kruisigingswonden; verderop verschijnt Maria in een grot die lijkt te zijn gemaakt van papier maché aan Bernadette of een andere heilige.
Langs de kerk lopend komen we bij een gebouw dat in de grond weggezakt lijkt. Het is afgesloten met een hek, maar we hebben geluk: er staan een paar mensen binnen rond een vrouw met een sleutel in de hand. De mensen gaan vrij snel weg, maar wij mogen blijven kijken. Het is een wonderschoon baptisterium uit de vijfde/zesde eeuw dat heel goed bewaard is gebleven. Behalve dan de originele dakbedekking, die de restaurerende Portugese architect in de 19de eeuw voor nep aanzag en dus heeft vervangen, vertelt de Italiaanse met de sleutel, maar ik begrijp pas echt wat ze zei als ik het later nalees.
Middenin bevindt zich nog het bassin waarin de dopeling in zijn geheel werd ondergedompeld. In een van de nissen een geweldig mozaïek in overwegend blauw en wit met wat goud, van twee lammeren in een bloeiende weide aan weerzijden van een kruis. Erboven een cirkel van twaalf duiven rond het Christusmonogram. Op een stenciltje in het Duits lees is dat de lammeren het gelovige volk zijn in de weide die het paradijs symboliseert en het kruis het offer van de heiland. De duiven staan voor de apostelen en de heilige geest.
In hetzelfde stencil staat ook dat de kapel niet weggezakt is, maar op laatantieke straathoogte staat en de rivier die door de stad stroomde in de middeleeuwen zijn loop heeft verlegd, waardoor de haven van Albenga dichtslibde. De stad deed onder eigen vlag mee aan de eerste kruistocht, maar na de middeleeuwen was het gedaan met de glorie, en in de moderne tijd is Albenga nooit zo’n bloeiende badplaats geworden dan andere plaatsen aan de Italiaanse Rivièra. Het zal voor de van toeristen levende bewoners een bittere pil zijn, maar ik ben er stiekem wel blij om.

(afbeelding uit kerkje in Albenga, mei 2026)

Volgen en delen kan:
Follow by Email
LinkedIn
Bluesky