Avignon, een appartement op de eerste etage tussen het Paleis van de pausen en de Pont d’Avignon – ja, die van het dansen. Op een steenworp van de middeleeuwse stadmuren die nog opmerkelijk fier overeind staan. Ingericht als een wat groot uitgevallen cel: twee kookpitten waar geen twee pannen tegelijk op kunnen staan, geen tafel om aan te schrijven. Ik zit dus op een bed, met voor me een kruk met daarop een rieten poef en daarop mijn computer.
Gisteren werd hier de jaarlijkse hardloopwedstrijd – waarbij het gaat om meedoen en niet om winnen – gehouden. Tegen de hoge muren van het pauselijk paleis galmen woeste klanken zoals je die overal hoort als er iets ‘gevierd’ wordt: een doffe, hersenloze, ritmische beat met te veel bas op te groot volume. Maar de sfeer is geweldig, bij de start vuurwerk en langs de route overal vrolijke mensen die de renners aanmoedigen (‘courage, courage!).
De koers trekt door ons smalle straatje, en uit het raam hangend zijn we de renners hijgend langskomen in de malste uitdossingen (bananenkostuums die lijken op vergeelde Ku Klux Klanpakken, een bruid in witte jurk, Neptunes met drietand, een bisschop met een op zijn hoofd meehobbelende mijter, en veel engeltjes en vlinders met lichtjes aan hun vleugels). Tot lang na middernacht blijft het feestelijk onrustig in het stadje.
Avignon was al in de Romeinse tijd een handelshub, met havens aan de Rhône en goede banden met Marseille, waar ze een tijd aan toebehoorden. De hele 14de eeuw hebben hier pausen gezeteld in dat gigantische fortachtig paleis, omdat ze zich niet wilden conformeren aan het gezag van de koning. Ik denk aan Paus Leo en aan koning Trump, de geestelijk leider die zicht uitspreekt tegen de perverse wereldlijk leider die zich de uitvoerder van de plannen van god waant. Nu laat Leo zich lastig vergelijken met de pausen in de late middeleeuwen; die waren er verre van vies van met hun vingers in de wereldlijke machtspap te roeren, hun rijkdom en bezittingen uit te breiden ten koste van koningen en uiteraard ten koste van de verzamelde gelovigen. Leo moet het vooral hebben van de achting voor zijn ambt, en zijn integriteit als plaatsvervanger van Paulus.
Het plezier dat ik beleef aan al het middeleeuwse moois om me heen, het groene landschap, de wijngaarden, de cypressen, de geest van van Gogh en van mijn vroegere ik, die als eindexamenklasser met een schoolreis naar de Provence ging, als kroon op de ‘klassieke opleiding’ waarvan ik geacht werd te hebben genoten, wordt nog groter door het heugelijke feit dat ik dit jaar geen getuige hoef te zijn van de officiële 4 en 5 mei vieringen in Nederland, die me elk jaar meer tegen gaan staan.
Wordt er eer bewezen aan ‘de doden’ als dat eerbewijs eens per jaar wordt afgedwongen en in het keurslijf van een gevestigde orde wordt geperst, waarbij voorgeschreven is welke doden herdacht worden, wie dat herdenken mag doen en wat die herdenker dan niet mag of juist moet zeggen. (‘Wij zijn op 4 mei twee minuten stil’, dixit nationale dominee Mirjam Bikker in 2025). Wij, dat is de wij van de joods-christelijke waarden; de wij die om de joodse gemeenschap heen gaan staan; de wij die de vijf oorlogsjaren bestempelen als een ‘inktzwarte vergissing’ die niet bij ons hoort (aldus Mikail Boon); de wij die overal antisemitisme zien, ook waar het niet is; de wij die Israël nog steeds als de ‘enige democratie in het Midden oosten’ zien. De wij die een bondgenoot niet in de steek laten, de wij die niet verder komen dat zich erge zorgen maken over de escalatie in het Midden Oosten, maar vinden dat Iran een schurkenstaat is die tegengehouden moet worden.
Op 4 mei staan de koning en de koningin net zo makkelijk een krans te leggen als dat ze gaan logeren bij Trump, een leider die openlijk dreigt met het vernietigen van een heel volk. Op 4 mei staat premier Jetten er, met zijn handen vroom gevouwen in plaats van in zijn haar. Op 4 mei is een spreker niet langer welkom omdat hij zich heeft uitgelaten over het lot van de Palestijnen, wat ‘gevoelig’ zou liggen, aldus het 4 en 5 mei comité.
Ze staan er weer, daar op de Dam, met hun uitgestrekenste gezichten het inmiddels wreed achterhaalde ‘nooit meer’ te vieren, als weldoeners van onze vrijheid en veiligheid, als hoeders van onze ‘superieure cultuur’ (Ik hoorde tot twee keer toe een PVV’er in ons parlement glashard beweren dat ‘onze cultuur superieur is’. De ene was Bosma, tot voor kort Kamervoorzitter en in die rol toen een van de officiële kransleggers bij het monument op de Dam.)
En niemand die het werkelijk voor de doden opneemt. Niet voor de communistische verzetsstrijders die verraden, gevangen, gemarteld, vermoord zijn. Niet voor de mensen die zich verweerden vanuit hun geloofsovertuiging en dat met het concentratiekamp moesten bekopen; voor de mannen van de Arbeitseinsatz, die in Duitsland onder de geallieerde bommenregens vielen; de Roma, de Sinti, de Jehova’s getuigen, de vrijmetselaars, de homoseksuelen, de socialisten, de tegenstanders van de nazis.
En niet voor de joden, die zonder dat het al te veel gedoe opleverde door hun buren en medelanders de hel ingeduwd zijn. O, zeker, we doen wel alsof. Met mooie verhalen van kleinkinderen, zorgvuldig uitgezocht op diversiteit, met afgepaste praatjes over alle soorten van slachtoffers van de nazi’s. Maar het is schijn. Het is een vertoning. Een afgedwongen ritueel dat z’n betekenis heeft verloren.
De enige manier om de doden te herdenken, om hun sterven eer te bewijzen, is niet om één keer per jaar twee minuten je kanis te houden, maar om elke dag het verleden aan het heden te koppelen. Te beseffen dat ‘nooit meer’ betekent dat je de Oekraïners steunt in de oorlog tegen de Russische agressor. Dat je vluchtelingen ziet als medemensen op de vlucht voor geweld dat je verafschuwt; dat je begrijpt dat migranten het recht hebben geluk te zoeken, net als ieder ander mens. Je joden ziet als mensen met een bijzondere, vaak gruwelijke, geschiedenis en met een gelijkwaardig heden. Dat je je uitspreekt tegen de opgewekte ‘volkswoede’ van het georganiseerde anti-AZC schorem; tegen de opkomst van extreemrecht, ook als het zich voordoet als fatsoenlijk. En dat je je keert tegen genocide, waar en door wie uitgevoerd ook. Dus dat je je zonder aarzelen en zonder angst uitspreekt tegen de genocidaire praktijken en de vernietigingswoede van Israël, óók, en misschien wel juist, op 4 mei.
Was ik in Nederland geweest, dan was ik naar Den Haag gegaan, waar op het Lange Voorhout een inclusieve herdenking plaatsvindt, waar ruimte is voor elk verdriet en voor alle doden. Waar daders genoemd mogen worden en alle slachtoffers gelijkwaardig zijn.


